Posts tonen met het label Rechterlijke Toetsing. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rechterlijke Toetsing. Alle posts tonen

maandag 19 november 2012

ABRS, 4 oktober 2012, 201204418/1/V3 & 201107358/1/V3

Op 4 oktober 2012 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State in 2 zaken uitspraak gedaan over artikel 6(2) van de Terugkeerrichtlijn [ABRS, 4 oktober 2012, 201204418/1/V3 & 201107358/1/V3].

Uit artikel 6(2) van de Terugkeerrichtlijn volgt dat jegens een illegale derdelander met een verblijfsrecht in een andere lidstaat geen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd tenzij die derdelander een bevel om zich onmiddellijk zelfstandig naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven niet naleeft. Artikel 6(2) van de Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 62a, eerste lid jo derde lid van de Vreemdelingenwet.

Uit de uitspraken kan worden opgemaakt dat:
  • indien niet buiten twijfel is dat de derdelander een verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat de rechtmatigheid van het uitgevaardigde terugkeerbesluit zal moeten worden beoordeeld in de daartoe voorziene procedure [ABRS, 29 juni 2011, 201102952/1/V3]
  • indien wel buiten twijfel is dat de derdelander een verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat [ABRS, 24 april 2012, 201103734/1/V3] en een uitgevaardigd terugkeerbesluit 
    • nog geen formele rechtskracht heeft gekregen de bewaringsrechter kan beoordelen of de derdelander ten onrechte niet is bevolen om zich onmiddellijk zelfstandig naar het grondgebied van de lidstaat te begeven alwaar hij een verblijfsrecht heeft [ABRS, 25 juli 2012, 201205206/1/V3].
    • al wel formele rechtskracht heeft de bewaringsrechter het terugkeerbesluit: 
      • niet kan beoordelen indien het is uitgevaardigd ná het verstrijken van de implementatietermijn [ABRS, 4 oktober 2012, 201107358/1/V3]
      • wel kan beoordelen indien het is uitgevaardigd vóór het verstrijken van de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn [ABRS, 4 oktober 2012, 201204418/1/V3]

vrijdag 18 juni 2010

Eindelijk is het kwartje gevallen

Het duurt soms even voordat het kwartje valt.

Pas nu dringt het tot mij door waarom aan documenten die aan een herhaalde asielaanvraag ten grondslag worden gelegd hogere eisen worden gesteld dan aan documenten die aan een eerste asielaanvraag ten grondslag worden gelegd [Zie bijvoorbeeld ABRS, 31 oktober 2002, 200204726/1, JV 2003/3, Noot T. Spijkerboer; ABRS 6 juni 2003, 200302837/1, JV 2003/331; ABRS, 25 september 2003,  200304202/1, JV 2003/504; ABRS, 30 december 2004, 200409221/1, ve05000679; ABRS, 19 december 2005, 200508937/1, ve06000030; ABRS,23 oktober 2006, 200605486/1, JV 2006/447; ABRS, 13 september 2007, 200705743/1, LJN: BB4431; ABRS, 8 oktober 2007,  200704465/1, JV 2007/529, LJN: BB5763; ABRS, 16 oktober 2007, 200703499/1, JV 2007/534, LJN:BA8676; ABRS, 25 augustus 2008, 200806016/1, JV 2008/373, LJN: BE9429; ABRS, 15 januari 2010, 200906215/1/V2, JV 2010/99, LJN: BL0273; ABRS, 7 april 2010, 200902935/1/V3, JV 2010/201, LJN: BM0709].

Het gaat om de vraag of er toegang is tot de rechter [ABRS, 4 april 2003, 200206882/1, LJN AF7223],  het is de rechter die documenten die bepalend zijn voor de vraag of er toegang is tot de rechter moet beoordelen en de rechter is anders dan de bewindspersoon daartoe niet goed in staat [vergelijk ABRS, 27 januari 2003, 200206297/1, JV 2003/103 nt B.K. Olivier].

maandag 21 september 2009

Individuele ambtsberichten, concrete aanknopingspunten voor twijfel & onderliggende stukken.

In welk geval moet de Minister van Buitenlandse Zaken worden verzocht om aan een individueel ambtsbericht ten grondslag liggende stukken te overleggen.

Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] van 13 november 2003 en 13 maart 2007 kan worden opgemaakt dat indien concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van een individueel ambtsbericht ontbreken de onderliggende stukken moeten worden opgevraagd [ABRS, 13 november 2003, 200303907/1, JV 2004/22; ABRS, 13 maart 2007, 200607845/1, LJN BA1217, ro 2.1.1].

Uit uitspraken van de Afdeling van 16 januari 2004 en 29 januari 2004 kan echter worden opgemaakt dat indien die concrete aanknopingspunten ontbreken de onderliggende stukken niet hoeven te worden opgevraagd [ABRS, 16 januari 2004, 200305368/1, JV 2004/83; ABRS, 29 januari 2004, 200306578/1, JV 2004/133].

Er is mij geen latere rechtspraak bekend waarin de knoop wordt doorgehakt. Misschien moeten we er eens op gaan grieven.

donderdag 17 september 2009

VReemdelingenbewaring & het recht op consulaire bijstand

Sinds eind 2008 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] zich [bij mijn weten] 9 keer uitgesproken over schending van het recht op consulaire bijstand tijdens vreemdelingenbewaring [ABRS, 2 december 2008, 200807626/1; ABRS, ABRS, 10 februari 2009, 200808138/1, JV 2009/168 nt PJAM BAudoin ; ABRS, 20 februari 2009, 200900488/1/V3; ABRS, 20 februari 2009, 200808991/1; ABRS, 20 februari 2009, 200808059/1/V3; ABRS, 23 februari 2009, 200808388/1/V3; ABRS, 23 februari 2009, 200808401/1/V3; ABRS, 25 maart 2009, 200901222/1/V3; ABRS, 3 september 2009, 200905606/1/V3]

Uit artikel 36 van het Verdrag van Wenen [zie ook hier] en artikel 5.5 lid 2 Vb 2000 volgt dat de consulaire vertegenwoordiging van het land van herkomst van een in bewaring gestelde vreemdeling in kennis wordt gesteld van de vrijheidsontneming indien die vreemdeling daarom verzoekt en dat die vreemdeling in kennis wordt gesteld van zijn recht op consulaire bijstand.

Indien een in bewaring gestelde vreemdeling consulaire bijstand wenst rust op de Staatssecretaris van Justitie de verplichting om de consulaire vertegenwoording zo spoedig mogelijk daarvan in kennis te stellen opdat voorkomen wordt dat die consulaire vertegenwoordiging het recht op contact met eigen onderdanen niet kan uitoefenen [ABRS, 3 september 2009, 200905606/1/V3].

In het geval van schending van het recht op consulaire bijstand vindt een 'lichte' belangenafweging plaats. Er hoeven geen bijzondere en zwaarwegende staatssecretariele belangen te worden gesteld zoals lijkt te moeten in het geval van schending van voorschriften die grondrechten en/of mensenrechten [en/of andere verdragsrechten?] beogen te beschermen.

Met een verwijzing naar de [veelal] onbetwiste omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan het met de inbewaringstelling gemoeide belang van de openbare orde, gestelde staatssecretariele belangen en/of niet door de betrokken vreemdeling gestelde belangen wordt geconcludeerd dat van een onredelijke verhouding tussen de met de bewaring gediende en de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen geen sprake is.

Piet Baudoin eindigt zijn noot bij de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2009 moedeloos met de conclusie dat dat het niet meedelen van het recht op consulaire bijstand zelden tot een gegrond beroep zal leiden [ABRS, 10 februari 2009, 200808138/1, JV 2009/168 nt PJAM Baudoin].

De Afdeling lijkt een keuze te hebben gemaakt voor de 'lichte' belangenafweging [ABRS, 20 februari 2009, 200900488/1/V3 (ABRS, 2 december 2008, 200807626/1)] omdat het recht op consulaire bijstand wordt gezien als een van het recht van een consulaire vertegenwoordiging op contact met eigen onderdanen afgeleid recht en als niet een min of meer fundamenteel [A/CN.4/611] 'zelfstandig' recht [ABRS, 3 september 2009, 200905606/1/V3, ro 2.2.2].

Het is de vraag of dat zo is. Misschien moeten we het eens over de mensen/grond/verdragsrechtenboeg gaan gooien.

Aanknopingspunten zijn daarvoor mogelijk te vinden in rechtspraak van het Internationaal Gerechtshof [bijvoorbeeld LaGrand (Germany v. United States of America) (zie ro 77, (...)
Article 36, paragraph 1, creates individual rights (...)
); Avena and Other Mexican Nationals (Mexico v. United States of America) (hoewel, zie ro 124)].

Of in artikel 46 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie waarin het recht op diplomatieke en consulaire bescherming erkend is als
een grondrecht voor de unieburger (zie ook hier). Niet valt in te zien waarom het recht op diplomatieke en consulaire bescherming wel een grondrecht is voor een unieburger maar niet voor een niet-unieburger.

Of in artikel 10 van de Declaration on the Human Rights of Individuals Who Are Not Nationals of the Country in Which they Live [A/RES/40/144] (zie ook A/CN.4/565, 630).

Of in priciple 16.2 van de Body of Principles for the Protection of All Persons under Any Form of Detention or Imprisonment [A/RES/43/173].

Of in ...

Zie ook

[Update 090918]

maandag 14 september 2009

ABRS, 21 juli 2009, 200805962/1: Rechterlijke toetsing vermoedens: De Afdeling is om!

Een al wat oudere uitspraak maar de moeite van het [zonder commentaar] vermelden waard omdat de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State weer eens om is.

In de uitspraak van 21 juli 2009 overweegt de Afdeling:
(...)
De Afdeling is evenwel thans van oordeel dat (...) van de vermoedens van de vreemdeling die deel uitmaken van de gebeurtenissen die volgens zijn asielrelaas hebben plaatsgevonden, dienen te worden onderscheiden de door de vreemdeling aan die gebeurtenissen ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat.
De rechter dient met de terughoudendheid als hiervoor omschreven te toetsen of de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vermoedens van de vreemdeling die deel uitmaken van de gebeurtenissen die volgens zijn asielrelaas hebben plaatsgevonden, niet plausibel te achten zijn en dientengevolge niet als geloofwaardig kunnen worden aangenomen.
Bij de toetsing door de rechter van het standpunt van de staatssecretaris omtrent het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling aan de niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, is voor evenbedoelde terughoudendheid evenwel geen plaats.
(...)

donderdag 9 april 2009

ABRS, 25 maart 2009,200807296/1/V2: Volle toetsing tegenstrijdigheden

Gelet op de verklaringen van de vreemdelingen in het nader gehoor over (...), kan niet worden gezegd dat de verklaring van de vreemdeling sub 1 feitelijk afwijkt van de verklaring die de vreemdeling sub 2 daarover heeft afgelegd. Het standpunt van de staatssecretaris over de tegenstrijdigheid in de verklaringen mist derhalve feitelijke grondslag. (...)
ABRS, 25 maart 2009, 200807296/1/V2, ro 2.5.1

Tegengeworpen tegenstrijdigheden in een asielrelaas kunnen zonder terughoudendheid door de rechter worden beoordeeld. Dat lag in de lijn der verwachtingen. Het gaat immers om een denkproces (om met Zuster Z te spreken).

zondag 7 december 2008

ABRS 19 november 2008 200802818/1&3: Artikel 8:45 Awb

Sinds 1 januari 2008 heeft de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] maar liefst 6 verzoeken om een voorlopige voorziening (uitzettingsverbod) van asielzoekende vreemdelingen toegewezen. In 4 bodemzaken is het hoger beroep inmiddels gepeekt, in de andere 2 bodemzaken wordt daar nog op gewacht.

In een van voornoemde 4 bodemzaken is aan het peken een verzoek door de Afdeling om onderliggende stukken van een individueel ambtsbericht vooraf gegaan [ABRS, 19 november 2008, 200802818/1 (bodem), 200802818/3 (vovo)].

Het gaat in die zaak om asielzoekende vreemdelingen uit Colombia die (overheids)documenten hadden overgelegd die volgens een individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken vals bevonden waren. In beroep waren wederom (overheids)documenten overgelegd die de authenticiteit van de vals bevonden documenten bevestigden.

De zaak lijkt op die waarover de Afdeling op 1 oktober 2008 oordeelde [ABRS, 1 oktober 2008, 200801087/1; zie ook hier] maar verschilt daarvan in die zin dat de (overheids)documenten overgelegd ter staving van de authenticiteit van vals bevonden (overheids)documenten niet van een apostille of iets dergelijks waren voorzien, ook niet in hoger beroep. In zo'n geval is er kennelijk geen sprake van aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van een individueel ambtsbericht.

Uit uitspraken van de Afdeling van 13 november 2003 [ABRS, 13 november 2003, 200303907/1, JV 2004/22] en 13 maart 2007 [ABRS, 13 maart 2007, 200607845/1, LJN BA1217] kan worden opgemaakt dat indien concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van een individueel ambtsbericht ontbreken de rechterlijke toetsing van dat individuele ambtsbericht in beginsel beperkt is tot de vraag of het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, onder aanduiding van - voorzover mogelijk en verantwoord - de bronnen waaraan die informatie is ontleend [anders: ABRS, 16 januari 2004, 200305368/1, JV 2004/83; ABRS, 29 januari 2004, 200306578/1, JV 2004/133].

Zou het kunnen zijn dat het verzoek om een voorlopige voorziening werd toegewezen omdat de rechtbank nagelaten had het individuele ambtsbericht te toetsen op de door de Afdeling voorgeschreven wijze?

[Update 090318: Vergelijk ABRS, 26 februari 2009, 200900543/2/V1]

maandag 24 november 2008

Artikel 5 EVRM: Overbrenging & ophouding

Volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] houdt overbrenging tevens in het wachten op vervoer gedurende een redelijke tijd [ABRS, 11 okrober 2002, 200204115/1, JV 2002/438; ABRS, 31 december 2004, 200408762/1, JV 2005/96; ABRS 25 januari 2007, 200608762/1, LJN AZ7877; ], is de duur van de overbenging niet wettelijk gemaximeerd [ABRS, 15 januari 2002, 200106222/1, MigratieWeb ve05000347] en wordt een totale [niet door de bewindspersoon te motiveren] duur van de overbrenging [inclusief de wachttijd] van maximaal 10 uur als redelijk aangemerkt [ABRS, 31 december 2004, 200408762/1, JV 2005/96; ABRS, 10 maart 2008, 200800576/1 (art 50 lid 2 Vw, 10+ uur); ABRS, 10 maart 2008,200800579/1 (art 50 lid 2 Vw, 13 uur)].

In het geval van een onrechtmatige overbrenging schrijft de Afdeling de ene keer een belangenafweging voor [ABRS, 14 oktober 2003, 200305887/1, JV 2003/540 (Overbrenging & ophouding ten onrechte toegepast)] en de andere keer niet [ABRS, 10 maart 2008, 200800576/1 (overnachting, 10+ uur); ABRS, 10 maart 2008, 200800579/1 (overnachting, 13 uur)].

In het geval van een onrechtmatige ophouding schrijft de Afdeling een belangenafweging voor [ABRS, 14 oktober 2003, 200305887/1, JV 2003/540 (Overbrenging & ophouding ten onrechte toegepast); ABRS, 28 december 2005, 200509142/1, MigratieWeb ve06000017 (Overschrijding termijn ophouding)].

Waarom worden belangen de ene keer gewogen en de andere keer niet?

Indien overbrenging en ophouding en ook het ten onrechte of te langdurig toepassen niet worden aangemerkt als vrijheidsontneming maar als vrijheidsbeperking vallen ze niet onder het bereik van artikel 5 EVRM en is ruimte voor belangenafweging. Dat zou overigens curieus zijn omdat overbrenging en ophouding beleidsmatig wel worden aangemerkt als vrijheidsontneming [A6/1 Vc 2000]. Ten aanzien van overbrenging denkt het Europees Hof voor de rechten van de Mens daar mogelijk anders over [EHRM. Sadaykov t. Bulgarije, 75157/01, 22 mei 2008, ro 25].

Indien overbrenging en ophouding wel worden aangemerkt als vrijheidsontneming dan is de belangenafweging mogelijk een gevolg van inmiddels achterhaalde rechtspraak van de Afdeling dat indien het niet gaat om wettelijke vereisten een belangenafweging dient plaats te vinden [zie artikel 94 lid 3 Vw 2000]. In dat geval moeten de uitspraken van 13 maart 2008 [ABRS, 10 maart 2008, 200800576/1); ABRS, 10 maart 2008, 200800579/1] mogelijk worden gezien als een voorbode van die van 7 november 2008 waarbij de Afdeling uitdrukkelijk om is gegaan [ABRS, 7 november 2008, 200806195/1; ABRS 7 november 2008, 200807630/1].

De tijd zal het leren.

PS: Indien overbrenging en/of ophouding kunnen worden aangemerkt als vrijheidsontneming,vindt die vrijheidsontneming dan plaats 'with a view to deportation ' in de zin van artikel 5 lid 1f EVRM?

maandag 10 november 2008

Hernieuwde inbewaringstelling [Aanknopingspunten, binnen redelijke termijn]

Zoals eerder overwogen (o.m. JV 2005/282, ve05001065), behoort de rechtbank, indien een eerdere bewaring is opgeheven omdat geen zicht op uitzetting bestaat, bij een volgende inbewaringstelling te onderzoeken of, anders dan ten tijde van de opheffing van de eerdere bewaring, sprake is van feiten en omstandigheden, waaruit blijkt dat zulk zicht nu niet ontbreekt. Voor een dergelijk onderzoek bestaat in beginsel geen aanleiding, indien sinds die opheffing een zodanig lange periode is verstreken dat, behoudens bijzondere omstandigheden, van een voor de beoordeling van het zicht op uitzetting relevante samenhang met de reden van de opheffing van de eerdere maatregel geen sprake meer is [ABRS, 24 oktober 2006, 200606370/1, JV 2006/449; ABRS, 29 januari 2007, 200609426/1, JV 2007/102, LJN AZ7990].

2.2.1. Uit de door de minister in het hoger-beroepschrift vermelde uitspraken van de Afdeling van 28 december 2005 in zaak no. 200509227/1 (JV 2006/63) [????? ZvL], van 25 januari 2006 in zaak no. 200510353/1 [ongepubliceerd] en van 28 november 2006 in zaak no. 200607715/1 [LJN AZ4617, JV 2007/45; ?????, ZvL] blijkt, dat indien de minister ten tijde van de inbewaringstelling concrete aanknopingspunten heeft die aanleiding vormen een onderzoek in te stellen naar bepaalde feiten en omstandigheden die twijfel oproepen met betrekking tot het ontbreken van zicht op uitzetting, hij de gelegenheid heeft dat onderzoek, zonodig na de inbewaringstelling, te verrichten. Derhalve dient de rechtbank bij de beoordeling van een opvolgende inbewaringstelling niet alleen te onderzoeken of, anders dan ten tijde van de opheffing van de eerdere inbewaringstelling, ten tijde van de inbewaringstelling sprake is van feiten en omstandigheden, waaruit blijkt dat zicht op uitzetting thans niet ontbreekt, maar ook, indien dat door de minister is gesteld, of sprake is van concrete aanknopingspunten die een onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden, als vorenbedoeld, rechtvaardigen. [ABRS, 7 februari 2007, 20609265/1, LJN AZ8714, JV 2007/140]

2.2.1. De rechtbank dient, in het kader van de beoordeling van het nieuwe besluit tot inbewaringstelling, te beoordelen of ten tijde van het opleggen van de nieuwe maatregel sprake is van aanknopingspunten die leiden tot het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn thans niet ontbreekt. Zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2006 in zaak nr. 200606370/1 (JV 2006/449) is er geen aanleiding om op die wijze de reden voor opheffing van de eerdere bewaring bij de beoordeling van het zicht op uitzetting te betrekken, indien sinds het tijdstip van de opheffing van die eerdere bewaring een zodanig lange periode is verstreken dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de feiten of omstandigheden die eerder grond vormden voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbrak, ten tijde van het opnieuw opleggen van de maatregel van bewaring hun betekenis hebben verloren. Gezien het tijdsverloop van [...], is sprake van een lange periode als hiervoor bedoeld. [ABRS, 27 november 2007, 200706701/1, JV 2008/45, LJN BB9422; ABRS, 27 november 2007, 200705824/1, Migratieweb ve07002249].

2.1.2. De rechtbank dient, in het kader van de beoordeling van het nieuwe besluit tot inbewaringstelling, te beoordelen of ten tijde van het opleggen van de nieuwe maatregel sprake is van aanknopingspunten die leiden tot het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn thans niet ontbreekt. Zoals onder meer blijkt uit de uitspraken van de Afdeling van 24 oktober 2006 in zaak nr. 200606370/1 (JV 2006/449) en van 27 november 2007 in zaak nr. 200706701/1 (www.raadvanstate.nl), bestaat er geen aanleiding om de redenen voor opheffing van de eerdere bewaring bij de beoordeling van het zicht op uitzetting te betrekken, indien sinds het tijdstip van de opheffing van die eerdere bewaring een zodanig lange periode is verstreken dat, behoudens bijzondere omstandigheden, [...] de feiten of omstandigheden die eerder grond vormden voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbrak, ten tijde van het opnieuw opleggen van de maatregel van bewaring hun betekenis hebben verloren.
2.1.3. Gezien het tijdsverloop van [...] tussen de laatste opheffing van de eerdere vreemdelingenbewaring en de oplegging van de thans ter toetsing voorliggende maatregel, is sprake van een lange periode als hiervoor bedoeld. [ABRS, 13 maart 2008, 200800793/1 , LJN BC7780].

zondag 24 augustus 2008

Rechterlijke toetsing hernieuwde vreemdelingenbewaring

Indien een eerdere vreemdelingenbewaring is opgeheven vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting of vanwege een belangenafweging waarbij het ontbreken van zicht op uitzetting is betrokken [ABRS, 16 juli 2008, 200803835/1, LJN BD8560, JV 2008/318] behoort de rechtbank bij een volgende vreemdelingenbewaring te onderzoeken of er sprake is van aanknopingspunten waaruit blijkt dat zicht op uitzetting niet ontbreekt. Voor een onderzoek in voornoemde zin is volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] in beginsel geen aanleiding indien sinds het tijdstip van de opheffing van de eerdere vreemdelingenbewaring een zodanig lange periode [ZLP] is verstreken dat, behoudens bijzondere omstandigheden, van een voor de beoordeling van het zicht op uitzetting relevante samenhang met de reden van de opheffing van de eerdere maatregel geen sprake meer is [ABRS, 24 oktober 2006, 200606370/1, JV 2006/449 (ZLP = 3 jaar); ABRS, 29 januari 2007, 200609426/1, LJN AZ7990 (ZLP = 2 jaar & 2 maanden); ABRS, 27 november 2007, 200705824/1, LJN BB9418 (ZLP = 1,5 jaar & 2 weken); ABRS, 27 november 2007, 200706701/1, LJN BB9422 (ZLP = 1 jaar & 3 weken); ABRS, 2o december 2007, 200707948 (geen ZLP = 9 maanden); ABRS 13 maart 2008, 200800793/1, LJN BC7780 (ZLP = 15 maanden & 3 weken); ABRS 7 juli 2008, 200803334/1 (ZLP = 1 jaar & 2 maanden); ABRS, 6 augustus 2008, 200805072 (ZLP = ruim 3 jaar)] [zoek naar actuele 'ZLP' Afdelingsrechtspraak].

Indien een eerdere vreemdelingenbewaring is opgeheven door de rechtbank dan wel door de bewindspersoon [ABRS, 16 september 2004, 200406582/1, JV 2004/418] vanwege een gebrek en de vreemdeling niet uit de macht van de bevoegde autoriteiten is geweest alvorens hij opnieuw in bewaring is gesteld dient de rechtbank te onderzoeken of sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan een nieuwe inbewaringstelling gerechtvaardigd is [ABRS, 10 maart 2004, 200308565/1, JV 2004/186; ABRS, 16 september 2004, 200406582/1, JV 2004/418; ABRS, 7 juni 2006, 200603435/1, JV 2006/285; ABRS, 6 augustus 2008, 200804635/1].

De lezing overigens die de Afdeling in de uitspraken van 7 juni 2006 [ABRS, 7 juni 2006, 200603435/1, JV 2006/285] en 6 augustus 2008 [6 augustus 2008, 200804635/1] geeft van haar uitspraak van 16 september 2004 [ABRS, 16 september 2004, 200406582/1, JV 2004/418] vind ik nogal opvallend. Eerder hakken dan schaven en schuren.

donderdag 31 juli 2008

ABRS 2 augustus 2005 200503470/1 [ja tenzij] & ABRS 4 augustus 2005 200505241/1 [neen tenzij]

X is afkomstig uit de DRC. De asielaanvraag van X wordt afgewezen, hij zal worden uitgezet naar Zuid Afrika. Tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag stelt X beroep in. De voorzieningenrechter die het beroep beoordeelt onderzoekt niet of uitzetting van X [naar zijn land van herkomst de DRC] in strijd is met artikel 3 EVRM omdat X zal worden uitgezet naar Zuid Afrika. Daarover klaagt X terecht in hoger beroep omdat, zo overweegt de Afdeling, het bestreden besluit er niet toe strekt dat X niet naar zijn land van herkomst de DRC zal worden uitgezet. Ja, tenzij.

Y is afkomstig uit Liberia. De asielaanvraag van Y wordt afgewezen, hij zal worden uitgezet naar Brazilië. Tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag stelt Y beroep in. De voorzieningenrechter die het beroep beoordeelt onderzoekt niet of de uitzetting van Y naar Brazilië in strijd is met artikel 3 EVRM. Daarover klaagt Y tevergeefs in hoger beroep; tevergeefs omdat, zo overweegt de Afdeling, uitzetting van Y naar zijn land van herkomst Liberia niet in strijd is met artikel 3 EVRM en het betreden besluit er niet toe strekt dat Y naar Brazilië zal worden uitgezet. Neen, tenzij.

Gelet op de verplichtingen die voortvloeien uit het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM dient bij de behandeling van een asielaanvraag eerst te worden beoordeeld of de asielzoekende vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij verdragsvluchteling is dan wel dat uitzetting in strijd is met artikel 3 EVRM en vervolgens, indien er van verdragrechtelijke uitzettingsbelemmeringen geen sprake is, of er andere gronden zijn voor toelating. Op die wijze van beoordeling dient de rechterlijke toetsing daarvan aan te sluiten (ABRS 3 december 2001 200105129/1 LJN AD8707; ABRS 13 maart 2003 200300008/ 1 LJN AF7606). Die wijze van rechterlijke toetsing lijdt uitzondering indien het best reden besluit er toe strekt de asielzoekende vreemdeling aan een derde land over te dragen dan wel een derde land van eerder verblijf [waaronder vreemd genoeg het zogenaamde verblijfsalternatief (ABRS 25 november 2002 200205367/1 LJN AF3796; ABRS 3 december 2001 200105129/1 LJN AD8707)] tegen te werpen waar hij geacht wordt bescherming te kunnen vinden (ABRS 13 maart 2003 200300008/1 LJN AF7606). Die wijze van rechtelijke toetsing lijkt nu ook uitzondering te lijden indien het bestreden besluit ertoe strekt dat er niet naar het land van herkomst zal worden uitgezet. Dat lijkt een open deur. Indien een bestreden besluit ertoe strekt om een asielzoekende vreemdeling niet uit te zetten naar zijn land van herkomst is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie kennelijk van oordeel dat diens uitzetting in strijd is met artikel 3 EVRM. Indien partijen het daar over eens zijn dan valt er voor de rechter niet te toetsen omdat de rechter dan door te toetsen buiten de omvang van het geschil treedt. De Afdeling laat zich niet snel betrappen op een open deur. Wat bedoelt de Afdeling?

De Afdeling stelt zich op het standpunt dat indien een bestreden besluit geen beslissing bevat over het land waarnaar zal worden uitgezet en over wijze van uitzetting er geen ruimte is voor de rechter om daarover een oordeel te geven. (zie bijvoorbeeld ook ABRS 1 oktober 2003 200303193/1 JV 2003/529 nt BKO). Wat nu indien het bestreden besluit waarbij de asielaanvraag van de uit Land van Herkomst afkomstige Z is afgewezen [anders dan door het tegenwerpen van een derde land waar naar zal worden overgedragen of een derde land van eerder verblijf] wel een beslissing bevat over het land - Land van Uitzetting - waar hij naar zal worden uitgezet. Er zijn geen verdragsrechtelijke belemmeringen om naar Land van Herkomst uit te zetten, indien die er wel waren kleeft er een gebrek aan het besluit waarbij de asielaanvraag van Z is afgewezen (ABRS 29 mei 2001 JV 2001/166), de rechter komt bij constatering daarvan aan een toetsing van de uitzetting naar Land van Herkomst niet meer toe. Door de afwijzing van de asielaanvraag van Z ontstaat een verplichtende (ABRS 29 mei 2001 JV 2001/166) bevoegdheid van rechtswege om tot uitzetting van Z over te gaan; naar het oordeel van de Afdeling kan uitzetting als een van rechtswege verbonden gevolg van de afwijzing van de asielaanvraag door de rechter slechts worden getoetst indien dat rechtsgevolg van belang zou kunnen zijn voor de beslissing op de asielaanvraag (ABRS 24 juli 2002 200202765/1 JV 2002/311 nt BKO; ABRS 29 januari 2004 200308322 JV 2003/134 nt BKO). Indien de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie die bevoegdheid tot de uitzetting beperkt tot uitzetting naar Land van Uitzetting [en er wordt gesteld dat uitzetting naar Land van Uitzetting in strijd is met artikel 3 EVRM] dan dient gelet op de tekst van artikel 29 lid 1 sub b Vw 2000 [waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen het land van herkomst en andere landen] die uitzetting door de rechter te worden getoetst. Als pasen en pinksteren op één dag vallen!

21 augustus 2005

zondag 27 juli 2008

ABRS, 2 juli 2008, 200803711/1 & ABRS, 11 juli 2008, 200800203/1: Geen herhaalde aanvraag, wel een dooie mus

Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] 19 december 2005 [ABRS, 19 december 2005, 200509677/1, JV 2006/49], 2 juli 2008 [ABRS, 2juli 2008, 200803711] en 11 juli 2008 [ABRS, 11 juli 2008, 200800203/1] kan worden uitgemaakt dat er sprake is van gewijzigd recht (landenbeleid) en dus van een 'eerste' afwijzing indien in een eerdere asielprocedure de gestelde nationaliteit van de asielzoekende vreemdeling onbestreden is gebleven.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2005 kan worden opgemaakt dat in zo'n geval het de Staatssecetaris van Justitie vrij staat om in het kader van de beoordeling van nieuwe aanvraag te bezien of hij de door de asielzoekende vreemdeling gestelde gestelde nationaliteit geloofwaardig acht.

In de zaak waarover de Afdeling op 2 juli 2008 oordeelde was door de asielzoekende vreemdelinge bij de nieuwe aanvraag een verklaring overgelegd van het directoraat-generaal burgerregister van haar land van herkomst waaruit bleek dat zij niet voorkomt in het geboorteregister in haar land van herkomst. Reden waarom aan de gestelde nationaliteit van de asielzoekende vreemdelinge alsnog geen geloof meer werd gehecht.

In de zaak waarover de Afdeling op 1 juli 2008 oordeelde was een taalanalyse uitgevoerd omdat kennelijk twijfel was ontstaan over de gestelde nationaliteit van de asielzoekende vreemdeling [onduidelijk is op basis waarvan, maar zie ABRS, 12 september 2007, 200703538/1, ro 2.2.4 & ABRS, 11 maart 2008, 200707187, ro 2.2.3] en kon de uitkomst van de taalanalyse die twijfel niet wegnemen. Omdat de asiezoekende vreemdeling niet had voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van uitstel van het indienen van een rapport contraexpertise [zie ook: ABRS, 11 juli 2008, 200801021/1] werd alsnog geen geloof meer gehecht aan de gestelde nationaliteit van de asielzoekende vreemdeling.

Een gewaarschuwd Zuster van Liefde telt voor twee.

zondag 29 juni 2008

De ongewenstverklaringsprocedure als juridisch afvoerputje.

De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State verwijst de ongewenstverklaarde vreemdeling die de toepassing van artikel 1F VlV [ABRS, 19 juli 2007, 200702240/1; ABRS, 5 november 2007, 200705293/1, LJN BB8147; ABRS 22 oktober 2007, 200704566/1, JV 2008/3, LJN BB7202] en/of een beroep op artikel 3 EVRM [ABRS, 13 december 2004, 200408722/1, JV 2005/60; ABRS, 27 april 2007, 200700419/1; ABRS, 9 mei 2007, 200701433/1, JV 2007/295] en/of een beroep op artikel 8 EVRM [ABRS, 9 mei 2007, 200701433/1, JV 2007/295] en/of een beroep op artikel 15c KwalRi [ABRS 21 mei 2008, 200707344/1, JV 2008/256, LJN BD2773] aan de orde stellen wil naar de ongewenstverklaringsprocedure.

Procedureel biedt de ongewenstverklaringsprocedure niet het beloofde rechtsherstel voor het verlies van de toelatingsprocedure wegens het ontbreken van procesbelang.

De ongewenstverklaringsprocedure kent weliswaar veel fasen [voornemensfase, bezwaarfase, beroepsfase, hoger beroepsfase] maar het bezwaar schorst de ongewenstverklaring niet, een verzoek om een voorlopige voorziening mag niet worden afgewacht, vrijheidsontnemende maatregelen worden toegepast en uitzetting dreigt voor een voorzieningenrechter zich over de zaak heeft kunnen buigen.

Ook inhoudelijk biedt de ongewenstverklaringsprocedure niet het beloofde rechtsherstel voor het verlies van de toelatingsprocedure wegens het ontbreken van procesbelang.

De toepasselijkheid van artikel 3 EVRM tast de rechtmatigheid van de ongewenstverklaring niet aan [ABRS, 7 augustus 2006, JV 2006/371] zodat de ongewenst verklaarde vreemdeling met een beroep op artikel 3 EVRM verwezen wordt naar een procedure die niet voldoet aan de eisen die artikel 3 jo artikel 13 EVRM daaraan stelt omdat een gebrekkige besluitvorming met betrekking tot artikel 3 EVRM niet kan leiden tot gegrond verklaring van een tegen de ongewenstverklaring gericht beroep en tot vernietiging van de ongewenstverklaringsbeschikking op bezwaar [ABRS, 11 december 2003, 200305004/1, JV 2004/52; ABRS, 15 juni 2006, 200602132/1, JV 2006/290].

Voor een beroep op artikel 3 EVRM lijkt alleen nog de naar mijn idee overigens onbewandelbare weg van artikel 72 lid 3 Vw open te staan [EHRM, B. t. Nederland, 15 september 2005, JV 2006/33; ABRS, 15 juni 2006 , 200602132/ & 200602125/1, JV 2006/290; ABRS, 6 maart 2008, 200706839/1, JV 2008/169, LJN BC7124]. De artikel 72 lid 2 Vw procedure heeft met de ongwenstverklaringsprocedure vergelijkbare problemen.

Aan een beroep op artikel 15c KwalRi wordt niet toegekomen in het geval artikel 1F VlV aan de ongewenstverklaring ten grondslag ligt. Indien het artikel 1F VlV besluit in stand blijft is de Kwalificatierichtlijn niet van toepassing en derhalve ook artikel 15c KwalRi niet. Indien het artikel 1F VlV besluit niet in stand blijft vervalt de grondslag van de ongewenstverklaring. In andere gevallen zal artikel 15c KwalRi de rechtmatigheid van de ongewenstverklaring niet aantasten gelet op de omstandigheid dat het meer bescherming biedende artikel 3 EVRM de rechtmatigheid van de ongewenstverklaring al niet aantast.

[(Update) Uit de Notitie betreffende de toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag van 6 juni 2008 van de Staatssecretaris van Justitie kan worden opgemaakt dat het beleid gewijzigd wordt in die zin dat pas tot ongewenstverklaring wordt overgegaan nadat de tegenwerping van artikel 1F VlV onherroepelijk is geworden]

vrijdag 27 juni 2008

ABRS, 16 juni 2008, 200803052/1: Toetsing van een ten tijde van de eerste asielaanvraag nog niet actueel asielmotief [dreigende besnijdenis]

Een asielzoekende vreemdelinge van wie in rechte wel de Somalische afkomst is komen vast te staan maar niet de gestelde Somalische nationaliteit dient een tweede asielaanvraag in waaraan ze ondermeer de dreigende besnijdenis van haar tijdens de aanvraagfase van de eerste asielprocedure geboren dochter ten grondslag legt.

Het beroep op de afwijzing van de tweede aanvraag wordt kortsluitend gegrond verklaard omdat de voorzieningenrechter uitgaat van de geloofwaardigheid van de Somalische herkomstnationalteit en in verband met de dreigende besnijdenis van de inmiddels bijna 5 jaar oude dochter van de asielzoekende vreemdelinge.

De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] verklaart het hoger beroep van de Staatssecretaris van Justitie op 16 juni 2008 kennelijk gegrond en vernietigt de uitspraak omdat de voorzieningenrechter ten onrechte van de geloofwaardigheid van de Somalische herkomstnationaliteit van de asielzoekende vreemdelinge is uitgegaan [ABRS, 16 juni 2008, 200803052/1, LJN BD5503].

Met een verwijzing naar een uitspraak van 6 maart 2008 [ABRS, 6 maart 2008, 200706839/1] onderzoekt de Afdeling of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en concludeert de Afdeling dat die er niet zijn nu [voor zover relevant] de asielzoekende vreemdelinge haar gestelde Somalische herkomstnationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt en haar dochter is geboren vóór de afwijzing van haar eerste asielaanvraag zodat zij de dreigende besnijdenis in die eerste asielprocedure aan de orde had kunnen [& moeten] stellen.

Ten tijde van de afwijzing van de eerste asielaanvraag van de asielzoekende vreemdelinge was haar dochter ongeveer 3 maanden oud. Op dat moment was de dreigende besnijdenis helemaal niet actueel omdat onder meer uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van november 2007 kan worden opgemaakt dat in Somalië meisjes besneden worden bij een leeftijd tussen 6 en 10 jaar, in steden tussen 5 en 9 jaar [pagina 62].

Ik vraag me af waarom de Afdeling de gestelde dreigende besnijdenis beoordeelt omdat deze gelet op de omstandigheid dat de asielzoekende vreemdeling haar Somalische herkomstnationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt helemaal niet relevant is voor de beoordeling van haar tweede asielaanvraag.

Ik vraag me verder af of van een asielzoekende vreemdelinge kan worden geëist dat zij een niet actueel asielmotief aan de orde stelt ter onderbouwing van een eerste asielaanvraag op straffe van het tegenwerpen van het ontbreken van nieuwe feiten en/of omstandigheden bij het indienen van een tweede asielaanvraag na het actueel worden van het asielmotief. Van een niet actueel asielmotief immers kan niet worden gesteld dat het relevant is voor de beoordeling van een asielaanvraag [zie bijvoorbeeld: ABRS, 14 april 2006, 200601113/1 (ro 2.1.3), MigratieWeb ve06000557].

Ik vraag me tenslotte af of de aanvraag van de asielzoekende vreemdelinge als een herhaalde aanvraag zou kunnen zijn aangemerkt indien van de geloofwaardigheid van de gestelde Somalische herkomstnationaliteit zou zijn uitgegaan. De dreigende besnijdenis immers kan worden aangemerkt als een nieuw feitencomplex dat een zelfstandig karakter heeft ten opzichte van de eerdere asielaanvraag. In zo'n geval lijkt van een herhaalde aanvraag geen sprake te zijn [ABRS, 31 oktober 2002 (zinledige verwijzing na eerdere afwijzende beschikking), LJN AF2853; ABRS, 31 mei 2005 (asielaanvraag na terugkeer land van herkomst: nieuw feitencomplex met zelfstandig karakter tov eerdere asielaanvraag), JV 2005/255, mn TS ; ABRS, 20 december 2006, 200607242/1 (asielaanvraag na terugkeer land van herkomst), LJN AZ5991, MigratieWeb ve07000067; ABRS, 27 april 2007, 200701212/1 (asielaanvraag na terugkeer land van herkomst), LJN BA4658, MigratieWeb ve07000908; ABRS 22 november 2007, 200705487/1 (bekering in de beroepsfase), JV 2008/39 mn TS, MigratieWeb ve08000002; ABRS, 26 mei 2008, 200800351/1 (bekering in beroepsfase), LJN BD3183].

Herhaalde Aanvragen: Schaven & Schuren

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 4 april 2003 in zaak no. 200206882/1; AB 2003, 315) vloeit voort dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een naar inhoud en toetsingskader materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing.
ABRS, 13 juli 2006, 200506456/1, JV JV 2006/397, ro 2.2.1

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 13 juli 2006 in zaak no. 200506456/1; JV 2006/397) vloeit voort dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing.
ABRS, 20 april 2007, 200700590/1, ro 2.2.1

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 20 april 2007 in zaak nr. 200700590/1; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit materieel een gelijkluidend besluit wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing.
ABRS, 6 maart 2008, 200706839/1, ro 2.1.2

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl).
ABRS, 28 mei 2008, 200801656/1, ro 2.1.2; ABRS, 28 mei 2008, 200802254/1, ro 2.1.1

donderdag 26 juni 2008

ABRS, 12 juni 2008, 200803561/1 & 200803756/1: ATW & Vrijheidsbeneming: De Afdeling is om!

Tot voor kort achtte de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] de Algemene Termijnenwet van toepassing op artikel 94 lid 2 Vw omdat de termijn van 14 dagen een termijn van beroep ter zake van vrijheidsbeneming zou zijn en niet de vrijheidsbeneming zelf zou betreffen [ABRS, 12 juni 2002, 200102075/1; ABRS 3 maart 2003, 200300272/1, JV 2003/171; 7 juni 2006, 200603435/1, JV 2006/285; ABRS, 26 maart 2007, 200701655/1, JV 2007/228, LJN BA2376]. Zo kon de termijn van 14 dagen voor het horen door de rechtbank van een van zijn vrijheid benomen vreemdeling met enkele dagen worden opgerekt.

Op 12 juni 2008 precies 6 jaar na de eerste uitspraak in de hierbovengenoemde zin is de Afdeling om gegaan [ABRS, 12 juni 2008, 200803561/1; ABRS, 12 juni 2008, 200803756/1].

De Afdeling herhaalt [ABRS, 11 februari 2005, 200409759/1, JV 2005/172 nt R.J.G.M. Widdershoven] dat artikel 94 lid 2 Vw een voorschrift is dat zich direct tot de rechtbank richt en een uitwerking is van hetgeen ter bescherming van de van zijn vrijheid benomen vreemdeling is bepaald in artikel 15 lid 2 Gw en artikel 5 lid 4 EVRM en dat de daarin bepaalde termijn strekt tot waarborging van een recht van zo fundamentele aard dat grond bestaat om ook zonder dat dit door partijen aan de orde is gesteld de naleving van deze termijn te beoordelen [de appellerende vreemdeling in de uitspraak met het kenmerk 200803756/1 had op schending van artikel 94 lid 2 Vw niet gegriefd].

De Afdeling voegt daar aan toe dat gegeven het belang dat met de naleving van artikel 94 lid 2 Vw is gemoeid en de aan de schending van die bepaling te verbinden gevolgen de daarin gestelde termijn wordt opgevat als een termijn die zozeer verband houdt met de duur van de vrijheidsbeneming dat deze kan worden aangemerkt als een termijn van vrijheidsbeneming waarvoor de Algemene Termijnenwet niet geldt [de appellerende vreemdeling in de uitspraak met het kenmerk 200803561/1 had op de toepasselijkheid van artikel 4c ATW niet gegriefd].

dinsdag 3 juni 2008

Rechterlijke Toetsing Hoofdlijnen Asielrelaas Enerzijds & Relevante Bijzonderheden Anderzijds

Bij de beoordeling van het asielrelaas gaat het meestal niet om de vraag, of en in hoeverre de verklaringen over de feiten die een asielzoekende vreemdeling aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd als vaststaand moeten worden aangenomen. De asielzoekende vreemdeling is immers veelal niet in staat en van hem kan ook redelijkerwijs niet worden gevergd zijn relaas overtuigend met bewijsmateriaal te staven.

Om de asielzoekende vreemdeling tegemoet te komen en toch een adequate beoordeling van de aanvraag te kunnen verrichten wordt het asielrelaas en de daarin gestelde feiten voor waar aangenomen indien de asielzoekende vreemdeling alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is.

Indien een van de in artikel 31 lid 2a Vw tot en met artikel 31 lid 2f Vw genoemde omstandigheden zich voordoet mogen in het asielrelaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen.Van van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

De rechter dient de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas terughoudend te toetsen.

Aldus standaardrechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State.

De terughoudende toetsing lijkt niet te gelden voor de beoordeling van de vraag wat hoofdlijnen van een asielrelaas zijn en wat de relevante bijzonderheden ervan [ABRS, 23 mei 2008, 200705074/1]. Dat zat er al aan te komen [ABRS, 9 januari 2006, 200501667/1, JV 2006/190; ABRS, 23 januari 2004, 200306979/1, JV 2004/104].

Laten wij daarmee ons voordeel doen.

woensdag 16 april 2008

Voortgangsberoep & Doorbreking Appelverbod

Uit artikel 84 Vw volgt dat geen hoger beroep openstaat tegen een uitspraak van de bewaringsrechter op een voortgangsberoep. Voor kennisneming van een hoger beroep kan desondanks grond bestaan indien sprake is van zodanige schending van eisen van goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen, dat van een eerlijk proces geen sprake is.

Voor doorbreking van het appelverbod bestaat geen grond in het geval van niet tijdige voortgangsrapportage [ABRS, 30 mei 2007, 200703238/1; ABRS, 28 juni 2007, 200704145/1; ABRS 6 augustus 2007, 200704826/1], in het geval van niet tijdige sluiting van het vooronderzoek [ABRS, 24 augustus 2001, 200103554/1, LJN AD4493], in het geval van het niet horen ter zitting van de in bewaring gestelde vreemdeling ondanks een soort van verzoek daartoe[ABRS, 14 februari 2008, 200800693/1], in het geval van het niet binnen een week na sluiting van het onderzoek doen van een uitspraak [ABRS, 8 juni 2007, 200703546/1] en in het geval van &zovoort.

Voor doorbreking van het appelverbod bestaat wel grond in het geval de in bewaring gestelde vreemdeling geen voortgangsrappportage wordt toegestuurd [ABRS, 14 september 2001, 200104104/1, LJN AD4910; ABRS, 24 juli 2007, 200704710/1, ABRS, 3 september 2007, 200705795/1], in het geval van het niet betrekken van een reactie op de voortgangsrapportage bij de beoordeling van het beroep [ABRS, 11 januari 2008, 200708756/1], in het geval de rechtbank treedt buiten de omvang van het geschil zonder partijen daarover te horen [ABRS, 1 februari 2005, 200409153/1, LJN, AT0655], in het geval de rechtbank treedt buiten het toetsingskader zonder dat daartegen appel open staat [ABRS, 11 november 2003, 200305454/1, JV 2004/19 (doorbreking appelverbod: doorpakken bij ongewenstverklaring); ABRS, 12 januari 2006, 200510314/1, Migratieweb ve06000187 (appelverbod: wijziging tenuitvoerlegging), ABRS, 27 juli 2006, 200505245/1, Migratieweb ve05001400 (doorbreking appelverbod: art 96 Vw ipv art 94 Vw toetsing)] en in het geval van een incomplete uitspraak [ABRS, 2 oktober 2001, 200103677/2, LJN AD4626].

Voor doorbreking van het appelverbod lijkt grond te bestaan in het geval van schending van artikel 5 lid 4 EVRM [ABRS, 29 januari 2004, 200307815/1, JV 2004/110 (geen schending: 33 dagen, geen bijzondere omstandigheden); ABRS, 24 juli 2006, 200604669/1, Migratieweb ve06001022 (geen schending), ABRS, 19 juli 2007, 200704510/1 (geen schending: 24 dagen, geen bijzondere omstandigheden); ABRS, 17 november 2005, 200508691/1, JV 2006/17 (wel schending maar geen appel van voortgangsberoep: 48 dagen, schorsingen als gevolg van ontoereikende en niet genoegzame informatieverstrekking].

woensdag 9 april 2008

Rechterlijke Toetsing van de Wijze van Uitzetting

Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State volgt dat de bewaringsrechtereen oordeel dient te geven over de rechtmatigheid van de bewaring (waaronder het zicht op uitzetting), naar de omstandigheden waaronder die bij het bestreden besluit is opgelegd (staandehouding &zovoort) en nadien is voortgezet (voortvarendheid, belangenafweging) [ABRS, 7 mei 2003, 200301594/1, JV 2003/268; ABRS 1 juni 2007, 200703267/1, JV 2007/333, LJN: BA6989].

Verschillende keren is gepoogd om de wijze van uitzetting door de bewaringsrechter te laten toetsen. Niet altijd met evenveel succes.

Indien de wijze van uitzetting het zicht op uitzetting of de voortvarendheid niet raakt stuit de poging af op de standaardoverweging dat het besluit tot bewaring geen beslissing bevat over de wijze van uitzetting [ABRS, 22 november 2001, 200104995/1; ABRS , 1 augustus 2007, 200704728/1].

Indien de wijze van uitzetting het zicht daarop raakt zal de bewaringsrechter die wijze van uitzetting moeten toetsen omdat een wijze van uitzetting zonder zicht daarop de bewaring onrechtmatig maakt [ABRS, 28 mei 2004, 200403186/1, JV 2004/278].

Indien de wijze van uitzetting de voortvarendheid raakt zal de bewaringsrechter die wijze van uitzetting ook moeten toetsen omdat een uitzettingshandeling die geen uitzettingshandeling is kan leiden tot de conclusie dat er onvoldoende voortvarend te werk is gegaan [ABRS, 22 augustus 2007, 200704992/1, LJN: BB2452, JV 2007/452].

zaterdag 5 april 2008

ABRS 12 april 2007 200609248/1: Feiten, Vermoedens & Zwaarwegendheid

Het feit dat de verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
Artikel 4 lid 4 KwalRi (Feiten en Omstandigheden)

Bij de beoordeling van de vraag of een asielzoekende vreemdeling in aanmerking komt voor toelating moeten in beginsel drie vragen in positieve zin worden beantwoord:
1. zijn de gestelde feiten geloofwaardig?
2. zijn aan de geloofwaardig geachte feiten ontleende vermoedens over negatieve belangstelling aannemelijk/plausibel?
3. zijn de geloofwaardig geachte feiten en de aannemelijke/plausibele vermoedens voldoende zwaarwegend voor toelating?

De rechter moet de antwoorden op de eerste twee vragen marginaal toetsen, het antwoord op de laatste vraag vol.

Uit de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna Afdeling] over 'feiten' en 'vermoedens' lijkt te kunnen worden afgeleid dat indien geloofwaardig geachte feiten blijk geven van een bepaalde mate van negatieve belangstelling die feiten vervolgens op hun zwaarwegendheid moeten worden getoetst [ABRS 13 februari 2007 200700564/1 LJN: AZ9706 (bedreiging door krijgsheer) ABRS 12 april 2007 200609248/1 LJN: BA4300 (bedreiging door FARC) ABRS 29 juni 2007 200700310/1 JV 2004/411 nt TS].

Indien er wel sprake is van uit geloofwaardig geachte feiten blijkende negatieve belangstelling maar niet van een negatieve belangstelling in voldoende mate zal het op de feiten gebaseerde vermoeden alsnog aannemelijk/plausibel moeten worden gemaakt.

Bij de beoordeling van de vraag wanneer er sprake is van 'een voldoende mate van' lijkt de actualiteit van de negatieve belangstelling [ABRS 25 oktober 2007 200704628/1 LJN: BB7199] en duidelijkheid over de negatief belangstellende [ABRS 22 januari 2008 200707217/1 LJN: BC3235] een rol te spelen.

In de zaak waarover de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State op 12 april 2007 [200609248/1 LJN: BA4300] oordeelde achtte de bewindspersoon primair de feiten [incidenten waaronder telefonische bedreigingen] geloofwaardig maar het daaraan ontleende vermoeden [samenhang incidenten; bedreigingen door de FARC] niet aannemelijk/plausibel. Subsidiair achtte de bewindspersoon het asielrelaas onvoldoende zwaarwegend [onduidelijkheid van wie bedreigingen afkomstig waren; ontbreken overheidsbescherming niet aannemelijk gemaakt].

De grieven van de appellerende vreemdelingen dat de aangevallen uitspraak geen blijk gaf van het betrekken van de aangevoerde beroepsgronden bij de beoordeling van de bestreden besluiten en dat de rechtbank ten onrechte niet toe was gekomen aan het subsidiaire standpunt van de bewindspersoon troffen doel.

Volgens de Afdeling hadden de geloofwaardige geachte feiten waaronder de bedreigingen op zwaarwegendheid moeten worden getoetst. Vervolgens toetst de Afdeling die feiten marginaal.

Daar begrijp ik niets van. Tenzij.

In beroep was door de appellerende vreemdelingen naar voren gebracht dat de bewindspersoon zich ten onrechte op het standpunt had gesteld dat zij de aan de feiten ontleende vrees niet aannemelijk hadden gemaakt. Die beroepsgrond lijkt meer betrekking te hebben op een oordeel over de aannemelijkheid/plausibiliteit van vermoedens aan de feiten ontleend dan op de zwaarwegendheid van het asielrelaas. Indien het soort beroepsgrond bepalend is voor de intensiteit van de toetsing van het oordeel waarop die beroepsgrond betrekking heeft is de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2007 begrijpelijk.

Wel heel erg sneu.