Posts tonen met het label Terugkeerrichtlijn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Terugkeerrichtlijn. Alle posts tonen

zondag 10 september 2023

Gevolg van (binnen)grenscontrole na herinvoering grenstoezicht

 Op 21 september 2023 wijst het EU Hof van Justitie arrest in de zaak ADDE &zovoort t Frankrijk.

In Frankrijk is grenstoezicht aan de binnengrenzen tijdelijk heringevoerd  [Hoofdstuk II Schengengrenscode]. Uit de definitiebepaling van de Schengengrenscode volgt dat grenstoezicht bestaat uit grenscontrole en grensbewaking  [artikel 2 Schengengrenscode].  Wanneer grenstoezicht aan de binnengrenzen wordt heringevoerd dan zijn de desbetreffende [?] bepalingen van titel II van de Schengengrenscode [artikel 5 van de Schengengrenscode tot en met artikel 21 van de Schengrenscode] van overeenkomstige toepassing [waaronder de mogelijkheid om de toegang te weigeren op grond van artikel 14 van de Schengengrenscode].

In het kader van de herinvoering van grenstoezicht is in de Franse regelgeving opgenomen dat indien bij controle aan de binnengrens blijkt dat een derdelander niet voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst de toegang wordt geweigerd [zie Conclusie AG Rantos 30-03-2023 62022CC0143 pt 17-18]. 

Volgens een groot aantal 'activistische' organisaties waaronder ADDE, ANAFE, CIMADE en GISTI is voornoemde bepaling in strijd met de Terugkeerichtlijn. Zij hebben de Franse rechter verzocht om vernietiging van die bepaling. Die Franse rechter heeft vervolgens het EU Hof van Justitie prejudiciële vragen gesteld over - zeg maar - de gevolgen van tijdelijke herinvoering van grenstoezicht [01-03-2022 62022CN0143].

Op 30 maart 2023 heeft AG Rantos een conclusie genomen [Conclusie AG Rantos 30-03-2023 62022CC0143]. De prejudiciële vraag van de Franse verwijzende rechter wordt door AG Rantos als volgt 'hertaald':

Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of in geval van tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen, onder de voorwaarden van titel III, hoofdstuk II, van de Schengengrenscode, artikel 14 van die code of de bepalingen van richtlijn 2008/115 van toepassing zijn.

Volgens AG Rantos is de Terugkeerrichtlijn van toepassing en niet artikel 14 van de Schengengrenscode.  Dat zou volgens AG Rantos volgens uit de door het EU Hof van Justitie gevolgde redenering in de zaken die hebben geleid tot de arresten in de zaken Selina Affum [Sélina Affum t Frankrijk 07-06-2016 ECLI:EU:C:2016:408 62015CJ0047] en Abdelaziz Arib [Abdelaziz Arib t Frankrijk 19-03-2019 ECLI:EU:C:2019:220  62017CJ0444].

In de zaak Selina Affum is eigenlijk niet in geschil dat betrokken valt onder de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn. Ook in de zaak Abdelaziz Arib is eigenlijk niet in geschil dat betrokkene valt onder de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn. Wel wordt de vraag opgeworpen of betrokkenen aan de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn kunnen worden onttrokken [op grond van artikel 2, tweede lid, onder a, van de Terugkeerrichtlijn].

IMHO gaat het in de zaken Selina Affum en Abdelaziz Arib om een andere feitelijke situatie dan in de onerhavige zaak. Het is immers niet duidelijk en al helemaal niet zonder meer dat in een situatie waarin aan de binnengrens van een lidstaat wordt gecontroleerd of een derdelander voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst in die lidstaat [zie artikel 2, onder 11, van de Schengengrenscode] die derdelander in die controlerende lidstaat valt onder de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn. 

IMHO valt die derdelander niet onder de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn in de controlerende lidstaat omdat hij bij controle aan de binnengrens die controlerende lidstaat nog niet is binnengekomen en van een verblijf dat illegaal kan zijn in die controlerende lidstaat geen sprake is.

IMHO - ten slotte - is de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing en kan aan de binnengrens de toegang worden geweigerd. 

Ik leg er mijn hoofd niet voor onder de tram BTW.

Het arrest van 21 september 2023 staat [samen met vier andere arresten] voor migratierechtadvocaten op het menu  van een Luxemburgse Lunch op 29 september 2023. Opgeven kan via dit formulier. 

UPDATE [230922]: Het is maar goed dat ik mijn hoofd niet onder de tram heb gelegd. Zie

  • EU HvJ ADDE &zovoort t Frankrijk 21-09-2023 ECLI:EU:C:2023:689 62022CJ0143

zondag 13 maart 2016

BOA's en het toezicht op vreemdelingen

Zijn buitengewoon opsporingsambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen?

In het gemeenschappelijke artikel 2 van besluiten Buitengewoon Opsporingsambtenaar [enzovoort] worden als buitengewoon opsporingsambtenaar aangewezen de ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012.

Uit artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet volgt echter dat ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, c en d van de Politiewet 2012, die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen zijn belast.

Buitengewoon opsporingsambtenaren zijn derhalve niet belast met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen. Toch komt het soms voor dat buitengewoon opsporingsambtenaren wel worden ingezet bij de uitoefening van het vreemdelingentoezicht [zie bijvoorbeeld: Rtb DH zp DB, 7 augustus 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:10156 (terugkeerbesluit)].

Dat inzet van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de uitoefening van het vreemdelingentoezicht heeft gevolgen voor de besluiten en maatregelen die op die inzet zijn gebaseerd.

zaterdag 4 juli 2015

Het inreisverbod vanuit strafrechtelijk perspectief Wie het weet mag het zeggen


1. Inleiding
In dit stukje zal ik mij beperken tot het zware inreisverbod waarbij ik tevens zal ingaan op de ongewenstverklaring opgelegd aan een derdelander voordat de implementatietermijn van de Richtlijn 2008/115/EG [verder te noemen de Terugkeerrichtlijn], was verstreken en die thans onder de reikwijdte van de Terugkeerrichtlijn valt, verder te noemen de oude ongewenstverklaring. Ik stel daarbij vier arresten van de Hoge Raad centraal en zal deze arresten plaatsen in het licht van het arresten van het Hof van Justitie EU [ hierna te noemen het Hof] en de recente conclusie van AG Szpunar van 28 april 2015 in de zaak Celaj [AG EU HvJ, 24 april 2015, C-290/14].

Voor een algeheel overzicht over de wijze waarop de Nederlandse rechters artikel 197 Sr toepassen en wanneer wordt overgegaan tot strafvervolging en strafoplegging en in hoeverre deze toepassing verenigbaar is met de Terugkeerrichtlijn en de jurisprudentie van het Hof van Justitie verwijs ik naar de scriptie van Tara Veenendaal van 8 december 2014 .

Drie opmerkingen vooraf:
a. Nederland heeft geen gebruik gemaakt van de facultatieve bepaling van artikel 2, tweede lid aanhef en onder b Terugkeerrichtlijn. Dit betekent dat de Terugkeerrichtlijn ook van toepassing is op derdelanders die verplicht zijn tot terugkeer als strafrechtelijke sanctie of als gevolg van een strafrechtelijke sanctie overeenkomstig de nationale wetgeving, of jegens wie een uitleveringsprocedure loopt;
b. Ik ga niet in op de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State. Wel wil ik niet onvermeld laten dat uit die jurisprudentie volgt: dat een ongewenstverklaring naar doel en strekking grotendeels met een inreisverbod overeenkomt en dat die overeenkomsten van dien aard zijn, dat een ongewenstverklaring onder de in artikel 3, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn gegeven definitie van het begrip inreisverbod valt met dien verstande dat een ongewenstverklaring zich beperkt tot het Nederlandse grondgebied; dat een inreisverbod niet naast een ongewenstverklaring kan worden opgelegd; dat een ongewenstverklaring van onbepaalde duur sedert verstrijking van de implementatietermijn en voor inwerkingtreding van de implementatiewet niet meer kan worden uitgevaardigd; dat een inreisverbod niet meer kan worden opgelegd zodra de derdelander is uitgezet; dat de duur van een inreisverbod eerst aanvangt, indien de betrokken vreemdeling het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie alsmede dat van de landen die voor de toepassing van de Verordening met een lidstaat van de Europese Unie zijn gelijk te stellen, daadwerkelijk heeft verlaten.
c. Het OM is in beginsel verplicht de door de rechter opgelegde straffen en maatregelen te executeren [HR 27-2-2015, ECLI:NL:HR:2015:500].

2. Terugkeerrichtlijn, jurisprudentie Hof, conclusie AG Szpunar
De Terugkeerrichtlijn heeft tot doel om, op basis van gemeenschappelijke normen, een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid, teruggezonden kunnen worden . Het uiteindelijke doel is dat vreemdelingen die onder het bereik van de Terugkeerrichtlijn vallen en tegen wie een terugkeerbesluit in de zin van de Terugkeerrichtlijn is uitgevaardigd, de lidstaat waar ze illegaal verblijven verlaten, eventueel door middel van uitzetting.

a. Strafbaarstelling illegaal verblijf
In het El Dridi-arrest [EU HvJ, 28 april 2011, C-61/11 PPU] oordeelde het Hof dat de lidstaten geen regelingen mogen toepassen die de verwezenlijking van de door een Terugkeerrichtlijn nagestreefde doelstellingen in gevaar kunnen brengen en deze haar nuttig effect kunnen ontnemen. In het El Dridi-arrest oordeelde het Hof dat een gevangenisstraf voor illegaal verblijf van één tot vier jaar, zoals in Italië gold, in strijd was met de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn.

In het Achughbabian-arrest [EU HvJ, 6 december 2011, C-329/11] bevestigt het Hof zijn oordeel in het El Dridi-arrest dat de Terugkeerrichtlijn zich niet verzet tegen het opleggen van een gevangenisstraf volgens de nationale regels van het strafprocesrecht aan onderdanen van derde landen op wie de bij deze richtlijn ingestelde terugkeerprocedure is toegepast en die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven zonder dat er een geldige reden is om niet terug te keren. Het Hof oordeelt dat eerst de bestuursrechtelijke (dwang)middelen moeten worden gebruikt die door de Terugkeerrichtlijn zijn aangegeven. Pas wanneer die niet hebben geleid tot vertrek en de betrokkene geen geldige reden heeft om niet terug te keren, mag een gevangenisstraf worden opgelegd.

In het Sagor arrest [EU, HvJ, 6 december 2012,C-430/11] bevestigt het Hof de lijnen uiteengezet in het El Dridi arrest en het Achughbabian arrest en overweegt voorts nog dat de Terugkeerrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij het illegale verblijf van onderdanen van derde landen wordt bestraft met een geldboete die kan worden vervangen door uitwijzing, en zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die de mogelijkheid biedt om tijdens de terugkeerprocedure het illegale verblijf van onderdanen van derde landen te bestraffen met de oplegging van huisarrest, maar niet garandeert dat de uitvoering van die straf een einde neemt zodra het mogelijk is om de betrokkene fysiek uit die lidstaat te verwijderen.

b. Inreisverbod
In het arrest Filev en Osmani [EU HvJ, 10 september 2013, C-297/12] heeft het Hof onder verwijzing naar het arrest Kadzoev  [EU HvJ, 30 november 2009, C-357/09]  overwogen dat de Terugkeerrichtlijn van toepassing is op de gevolgen van besluiten houdende een inreisverbod die zijn vastgesteld op grond van nationale regels die van kracht waren vóór de datum waarop de Terugkeerrichtlijn in de betrokken lidstaat van toepassing is geworden voor zover de gevolgen zich na deze datum voordoen. Het Hof heeft in dit arrest over inreisverboden voor recht verklaard:
1). Artikel 11, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling, zoals § 11, lid 1, van het Gesetz über den Aufenthalt, die Erwerbstätigkeit und die Integration von Ausländern im Bundesgebiet (wet op het verblijf, de beroepswerkzaamheden en de integratie van vreemdelingen op het grondgebied van de Bondsrepubliek), die voor de toekenning van de beperking van de duur van een inreisverbod vereist dat de betrokken onderdaan van een derde land een aanvraag indient om een dergelijke beperking te verkrijgen.

2) Artikel 11, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een inbreuk op een verbod om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen en aldaar te verblijven, welk verbod is opgelegd meer dan vijf jaar vóór ofwel de datum waarop de betrokken onderdaan van een derde land opnieuw die lidstaat is binnengekomen, ofwel de datum waarop de nationale regeling tot omzetting van deze richtlijn in werking is getreden, tot een strafrechtelijke sanctie leidt, tenzij deze onderdaan een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

3) De Terugkeerrichtlijn moet aldus worden uitgelegd dat deze eraan in de weg staat dat een lidstaat bepaalt dat een uitzettings- of verwijderingsmaatregel die minstens vijf jaar voorafgaat aan het tijdvak tussen de datum waarop deze richtlijn had moeten zijn omgezet en de datum waarop deze omzetting daadwerkelijk is verricht, later opnieuw als basis kan dienen voor strafvervolgingen, wanneer voornoemde maatregel was gebaseerd op een strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 2, lid 2, sub b, van de richtlijn en die lidstaat heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid waarin deze bepaling voorziet. 
c. Strafbaarstelling overtreding inreisverbod
Op 22 mei 2014 heeft de Italiaanse rechter het Hof verzocht zich opnieuw te buigen over de verenigbaarheid van een nationale strafbepaling met de Terugkeerrichtlijn.

Het gaat in die zaak om een strafrechtelijke sanctie in de vorm van een gevangenisstraf die wordt opgelegd aan een derdelander op de enkele grond dat hij, na in het kader van een eerdere terugkeerprocedure vanuit Italië naar zijn land van herkomst is teruggekeerd opnieuw het grondgebied van Italië is binnen gekomen.

Het Hof heeft deze prejudiciële vraag nog niet beantwoord wel is er in deze zaak inmiddels de conclusie van AG Szpunar van 28 april 2015.

AG Szpunar wijst erop dat de Terugkeerrichtlijn geen onderscheid maakt naar gelang het aantal keren dat een derdelander het grondgebied van een lidstaat probeert binnen te komen. Lidstaten hebben de voortdurende verplichting om een terugkeerprocedure in te leiden door een terugkeerbesluit uit te vaardigen en daarna met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel deze procedure haar beloop te laten.

Dit volgt ook uit punt 45 van het Achughbabian arrest waar het Hof voor recht heeft verklaard dat ook de vaststelling van een terugkeerbesluit niet mag worden voorafgegaan door een strafrechtelijke sanctie. Opsluiting van een onderdaan van een derde land om andere redenen dan in de richtlijn zijn opgenomen komt aldus AG Szpunar in feite neer op een voorlopige opschorting van de Terugkeerrichtlijn.

AG Szpunar komt op grond hiervan tot het oordeel dat de Terugkeerrichtlijn betrekking heeft op de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen. De binnenkomst op het grondgebied van de Europese Unie valt eerst en vooral onder de wetgeving inzake het Schengenacquis en in het bijzonder de Schengengrenscode.

Hoewel het binnenkomst- en terugkeerbeleid van de Unie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, mag daarom niet uit het oog worden verloren dat beide door verschillende wetgevingsinstrumenten worden beheerst. Het hoofddoel van de Terugkeerrichtlijn is niet voorkoming maar beëindiging van illegaal verblijf. Gelet op de accessoire aard van een inreisverbod mogen maatregelen die de niet-naleving ervan strafbaar stellen dit hoofddoel niet ondermijnen.

Anders gezegd, inbewaringstelling of detinering ter handhaving van een inreisverbod mag een toekomstige terugkeerprocedure niet in gevaar brengen. Hoe dan ook detinering leidt uiteindelijk tot vertraging van een toekomstige terugkeer. De enkele stelling dat de Terugkeerrichtlijn zich er niet tegen verzet dat illegaal verblijf in het recht van een lidstaat wordt aangemerkt als strafbaar feit en dat daarop strafrechtelijke sancties worden gesteld om het plegen van een dergelijke inbreuk op de nationale verblijfsvoorschriften tegen te gaan en te bestraffen, moet in dit licht worden bezien.

Bijgevolg moet inbewaringstelling of detinering zich beperken tot opsluiting wegens strafbare feiten die losstaan van de illegaliteit van een verblijf, tot de bewaring in administratieve situaties bedoeld in hoofdstuk IV van de richtlijn en tot detentie om te bepalen of het verblijf van een derdelander al dan niet legaal is.

Met betrekking tot bewaring of detinering verband houdend met een als illegaal aangemerkt verblijf zijn de bepalingen van hoofdstuk IV van Terugkeerrichtlijn uitputtend van aard. Om die reden hebben deze bepalingen, in het bijzonder de artikelen 15 en 16 van de richtlijn, tot gevolg dat de richtlijn in de weg staat aan andere situaties van inbewaringstelling of detinering.

Vanwege het voorafgaande merkt AG Szpunar op dat het tweede streepje van het dictum van het Achughbabian arrest waarin het Hof voor recht verklaart dat de Terugkeerrichtlijn zich niet verzet tegen een regeling waarbij illegaal verblijf wordt tegengegaan met strafrechtelijke sancties voor zover deze toestaat dat een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een onderdaan van een derde land op wie de bij die richtlijn ingestelde terugkeerprocedure is toegepast en die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal op dat grondgebied verblijft restrictief moet worden uitgelegd.

Hieronder vallen enkel die situaties waarin een terugkeerprocedure zonder resultaat is doorlopen en de betrokken persoon, zonder geldige reden om niet terug te keren, onverminderd illegaal verblijft op het grondgebied van de betrokken lidstaat.

AG Szpunar wijst er tot slot op dat het volgens de vaste rechtspraak van het Hof aan de verwijzende rechter staat om in het kader van zijn bevoegdheid de bepalingen van het Unierecht toe te passen, zorg te dragen voor de volle werking ervan en elke bepaling van het nationale recht die strijdig is met de Terugkeerrichtlijn buiten toepassing te laten.

Bijgevolg aldus AG Szpunar dient de verwijzende rechter -als deze bepaling voorziet in gevangenisstraf voor Celaj op de enkele grond dat hij, na te zijn teruggekeerd naar zijn land van herkomst, opnieuw het Italiaanse grondgebied is binnengekomen- deze bepaling buiten toepassing te laten.

3. Twee arresten van de Hoge Raad van 4 november 2014

a. HR, 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3093
De Hoge Raad heeft in dit arrest van 4 november 2014 [HR, 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3093] over één cassatiemiddel en over de door AG Spronken opgeworpen rechtsvraag een oordeel gegeven.

Het door de raadsman ingediende cassatiemiddel inhoudende dat de opgelegde vrijheidsstraf in strijd is met het doel en de strekking van de Terugkeerrichtlijn met name omdat de Nederlandse autoriteiten zich niet meer hebben ingespannen om de verwijdering van de derdelander te bewerkstelligen is ex artikel 81, eerste lid RO afgedaan.

In zoverre heeft de Hoge Raad de conclusie van AG Spronken gevolgd. AG Spronken merkt in haar conclusie samengevat op dat het cassatiemiddel niet kan slagen nu het gerechtshof terecht heeft overwogen dat op de derdelander de bij de Terugkeerrichtlijn ingestelde terugkeerprocedure is toegepast en de derdelander, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal op dat grondgebied verblijft en derhalve van de staat niet kon worden gevergd opnieuw de stappen van de Terugkeerrichtlijn te doorlopen alvorens onderhavige strafvervolging tegen verdachte in te stellen.

Dat de Hoge Raad AG Spronken in zoverre volgt is niet vreemd nu dit onderdeel van de conclusie in lijn is met hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in de arresten van 21 mei 2013 [hier & hier].

In deze arresten heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar de arresten El Dridi, Achughbabian en Sagor overwogen dat de Terugkeerrichtlijn zich niet ertegen verzet dat op grond van artikel 197 (oud) Sr een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een tot ongewenst vreemdeling verklaarde onderdaan van een derde land op wie de bij de Terugkeerrichtlijn voorziene terugkeerprocedure is toegepast en die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal in Nederland verblijft.

Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan een dergelijke onderdaan van een derde land is evenwel strijdig met de Terugkeerrichtlijn indien de stappen van de in de Terugkeerrichtlijn vastgelegde terugkeerprocedure nog niet zijn doorlopen, nu die strafoplegging de verwezenlijking van de met deze richtlijn nagestreefde doelstelling, te weten de invoering van een doeltreffend beleid van verwijdering en terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, in gevaar kan brengen.

Dat betekent dat de rechter die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt wegens handelen in strijd met artikel 197 (oud) Sr, zich ervan dient te vergewissen dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen en daarvan in de motivering van zijn beslissing dient blijk te geven.

Ik wijs er nog op dat de Hoge Raad in en arrest van 12 mei 2015 [HR, 12 mei 2015,ECLI:NL:HR:2015:1143] heeft overwogen dat dezelfde vergewisplicht geldt als het gaat om een derdelander aan wie een inreisverbod is opgelegd.

De Hoge Raad heeft voorts in het arrest van 4 november 2014 ambtshalve overwogen dat naar aanleiding van arrest Filev en Osmani kan worden vastgesteld dat het – door de Hoge Raad in zijn arresten van 21 mei 2013 nog in het midden gelaten – antwoord op de vraag of de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de uiterste implementatiedatum meebrengt dat een voordien uitgevaardigde ongewenstverklaring thans op enigerlei wijze gebonden moet worden geacht aan een bepaalde duur als bedoeld in art. 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, bevestigend luidt.

De Hoge Raad overweegt evenwel vervolgens dat noch uit het arrest Filev en Osmani noch uit de Terugkeerrichtlijn zelf volgt dat het niet langer als juist zou kunnen worden aangemerkt het in voormeld arrest van de Hoge Raad vervatte oordeel dat die in artikel 11, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn bedoelde maximale duur in zo een geval berekend wordt met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

In dat verband geldt immers dat een vóór de datum van inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de implementatiedatum uitgevaardigde ongewenstverklaring slechts met een inreisverbod moet worden gelijk gesteld – in die zin dat zij gebonden moet worden geacht aan de in artikel 11, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn bedoelde maximale duur van vijf jaar- indien en voor zover de vreemdeling daadwerkelijk is teruggekeerd.

De overwegingen van de Hoge Raad dienen geplaatst te worden in het teken van de door de AG Spronken ambtshalve opgeworpen rechtsvraag te weten:
Als de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State gevolgd dient te worden in haar standpunt dat een ongewenstverklaring moet worden aangemerkt als een inreisverbod, op welke wijze dient de in art.11 lid 2 Terugkeerrichtlijn vermelde termijn van vijf jaren te worden berekend: vanaf het moment dat het inreisverbod of een daarmee gelijk te stellen besluit is uitgevaardigd of opgelegd, of met ingang van de datum waarop de betrokken onderdaan van een derde land op grond van het uitgevaardigde of opgelegde inreisverbod de lidstaat daadwerkelijk heeft verlaten?

AG Spronken is onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [GHARL, 24 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9962] en het arrest Filev en Osmani van oordeel dat die termijn begint te lopen vanaf het moment van uitvaardiging of oplegging van het besluit.

De Hoge Raad zoals blijkt uit de aangehaalde overwegingen heeft geoordeeld dat de vijf jaren termijn pas begint te lopen nadat de derdelander aan zijn terugkeerverplichtingen heeft voldaan dat wil zeggen indien en voor zover de derdelander Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

b. HR, 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3091
In dit arrest van 4 november 2014 [HR, 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3091] heeft de Hoge Raad overwogen dat, indien is vast gesteld dat aan de opgelegde terugkeerverplichting is voldaan doordat de derdelander daadwerkelijk is teruggekeerd en de derdelander nadien is binnengekomen, dan de rechter zich niet ervan behoeft te vergewissen dat – alvorens hij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt wegens handelen in strijd met artikel 197 (oud) Sr – voorafgaand aan die eerdere terugkeer alle stappen van de in die richtlijn vastgelegde terugkeerprocedure zijn doorlopen.

Evenmin vloeit uit de Terugkeerrichtlijn voort dat de omstandigheid dat de verdachte, nadat aan de opgelegde terugkeerverplichting is voldaan, opnieuw en in strijd met zijn ongewenstverklaring in Nederland verblijft, meebrengt dat de rechter slechts dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens handelen in strijd met artikel 197 (oud) Sr mag opleggen indien hij zich ervan heeft vergewist dat de stappen van de in de terugkeerrichtlijn vastgelegde terugkeerprocedure (opnieuw) zijn doorlopen.

4. Arrest Hoge Raad vermeld in onderdeel 3a in het licht van arresten van Hof
Alvorens in te gaan op de beantwoording van de vraag of de wijze van afdoening door de Hoge Raad van het door het advocaat ingediende cassatiemiddel en de beantwoording van de Hoge Raad van door AG Spronken opgeworpen rechtsvraag in overeenstemming is met de aangehaalde arresten van het Hof eerst een aantal opmerkingen vooraf.

Ik ga niet in op de kwestie dat de beantwoording van de vraag of in de casus van de derdelander sprake is van een situatie waarin een terugkeerprocedure zonder resultaat is doorlopen verre van eenvoudig is. Ik ga ook niet in op de kwestie dat de Nederlandse rechter nalaat tevens de vraag te beantwoorden of er sprake is van een derdelander die zonder geldige reden besluit om niet terug te keren. Ik verwijs hiervoor naar de bij in de inleiding aangehaalde scriptie van Tara Veenendaal.

Wel wens ik kort op te merken dat de vergewisplicht van de strafrechter waartoe jurisprudentie van de Hoge Raad in navolging van het Hof noopt verre van eenvoudig is. Toevoeging van het bewaringsdossier aan het strafdossier is niet voldoende. Het strafdossier moet ook een gedetailleerd en actueel rapport bevatten van de terugkeermogelijkheden van de derdelander naar zijn eigen land.

Verder denk ik dat de toetsing die de strafrechter moet verrichten qua intensiteit dient te voldoen aan de eisen die het Hof in het Mahdi arrest [EU HvJ, 5 juni 2014, C-146/14]  heeft gesteld aan toetsing door de bewaringsrechter van de rechtmatigheid van het opleggen en voortduring vreemdelingenbewaring rechtmatig is. De inhoud van het strafdossier dient zodanig te zijn dat de strafrechter in staat is intensief te toetsen. Dit teneinde te voorkomen dat aan de Terugkeerrichtlijn het nuttige effect wordt ontnomen waardoor de verwezenlijking van de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen in gevaar zou worden gebracht.

Ik merk voorts op dat, zoals AG Szpunar er terecht op wijst, het volgens de vaste rechtspraak van het Hof aan de verwijzende rechter staat om in het kader van zijn bevoegdheid de bepalingen van het Unierecht toe te passen, zorg te dragen voor de volle werking ervan en elke bepaling van het nationale recht die strijdig is met de Terugkeerrichtlijn buiten toepassing te laten.

In de aangehaalde arresten heeft het Hof alvorens de vragen die zijn voorgelegd voor prejudiciële beslissing te beantwoorden steeds overwogen dat hoewel artikel 79, lid 2 sub c VWEU niet de strafrechtelijke bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van illegale immigratie en illegaal verblijf uitsluit de lidstaten hun wetgeving zodanig moeten inrichten dat de eerbiediging van het Unierecht niet in gevaar komt.

Die lidstaten mogen geen strafregeling toepassen die de verwezenlijking van de met deze richtlijn nagestreefde doelstellingen in gevaar kan brengen en die het nuttig effect aan de Richtlijn kan ontnemen. Dit is het uitgangspunt.

Als ik de conclusie van AG Szpunar goed begrijp dan worstelt hij met de beantwoording van de vraag hoe dit uitgangspunt van het Hof te verenigen met het tweede streepje van het dictum van het arrest Achughbabian arrest. Wellicht dat hierover door de nationale rechter nog een vraag aan het Hof kan worden voorgelegd in de trant van:
Brengt het gegeven dat lidstaten geen strafregeling mogen toepassen die de verwezenlijking van de met de Terugkeerrichtlijn nagestreefde doelstellingen in gevaar kunnen brengen en die het nuttig effect aan de Terugkeerrichtlijn kan ontnemen met zich mee dat de aan een derdelander opgelegde vrijheidsontnemende maatregel als een gevangenisstraf - waarvan eerder is vastgesteld dat de terugkeerprocedure zonder resultaat is doorlopen en de derdelander zonder geldige reden om niet terug te keren onverminderd illegaal op het grondgebied van de lidstaat verblijft- onmiddellijk opgeheven dient te worden als hangende de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf blijkt dat het illegale verblijf van die derdelander beëindigd kan worden?

Dient dan gelet op El Dridi, Achughbabian en het Sagor arrest onmiddellijk de gevangenisstraf te worden opgeheven omdat voortduring van de gevangenisstraf de verwezenlijking van de doelstellingen van de Terugkeerrichtlijn in gevaar brengt en het daarmee het nuttig effect aan de Terugkeerrichtlijn ontneemt?

Indien die vraag met ja beantwoord dient te worden heeft dat tot gevolg dat nu in Nederland het OM in beginsel verplicht is de door de rechter opgelegde straffen en maatregelen te executeren de Nederlandse strafrechter enkel kan overgaan tot schuldigverklaring zonder oplegging van straf? 
Verder wens ik er op te wijzen dat bij interpretatie van arresten van het Hof nauwlettend in het oog moet worden gehouden welke vragen ter beantwoording zijn voorgelegd aan het Hof en dat die beantwoording in het licht moet worden bezien van de desbetreffende nationale regelgeving. Ook dient bij interpretatie van arresten van het Hof erop bedacht te zijn dat een Richtlijn vaak lidstaten vrijheid geeft in de wijze van implementatie. Zo laat artikel 11, tweede lid Terugkeerrichtlijn als het gaat om de duur van het inreisverbod lidstaten veel vrijheid.

Dit brengt mij bij de oude ongewenstverklaringen. Een derdelander kon in Nederland om heel uiteenlopende redenen ongewenst worden verklaard. Redenen waarvoor thans volgens nationale regelgeving slechts een licht inreisverbod wordt opgelegd, redenen waarvoor thans volgens nationale regelgeving een inreisverbod van maximaal drie jaar dan wel maximaal 5 jaar wordt opgelegd dan wel meer dan vijf jaren wordt opgelegd.

In het arrest Filev en Osmani ging het om derdelanders die eerder waren verwijderd en jaren na hun verwijdering terugkeerden. In het kort komt de Duitse regelgeving op het volgende neer: (1) het is verboden voor een derdelander die is verwijderd terug te keren naar Duitsland ook al is voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfstitel, (2) de duur van het inreis- en verblijfsverbod kan worden beperkt indien daarom wordt verzocht, (3) de duur moet per geval volgens omstandigheden worden bepaald en mag alleen meer dan vijf jaren bedragen indien de vreemdeling wegens een strafveroordeling is uitgezet of indien hij een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of openbare veiligheid. Bij de vaststelling van de duur wordt in aanmerking genomen of de vreemdeling het grondgebied binnen de vastgestelde termijn en vrijwillig heeft verlaten. De termijn begint te lopen op het moment waarop de vreemdeling het grondgebied van verlaat.

Als men de Duitse regelgeving beziet dan valt op dat Duitsland de duur van het inreisverbod minder gedetailleerd geïmplementeerd heeft.

De Nederlandse rechter dient derhalve allereerst na te gaan op grond waarvan de desbetreffende Nederlander destijds ongewenst is verklaard. Het kan namelijk zijn dat het gaat om overtredingen van regelgeving waarvoor op grond van huidige geïmplementeerde regelgeving thans slechts een inreisverbod van maximaal twee jaar wordt opgelegd. De gevolgen van een ongewenstverklaring kunnen dan niet langer dan twee jaren gehandhaafd blijven. Verder moet de rechter zich buigen over de kwestie of er omstandigheden zijn die meebrengen dat er minder dan de maximale duur wordt opgelegd. Een hele klus lijkt mij voor de strafrechter.

Verder heeft Duitsland anders dan Nederland gebruik heeft gemaakt van de facultatieve bepaling van artikel 2, lid 2 sub b Terugkeerrichtlijn.

De Nederlandse strafrechter hoeft zich derhalve niet te buigen over de vraag of de destijds opgelegde ongewenstverklaring te maken heeft met een strafrechtelijke veroordeling en zo ja welke feiten ten grondslag liggen aan de strafrechtelijke veroordeling.

De vragen die de Duitse rechter ter beantwoording heeft voorgelegd staan in het teken van de voorgevallen feiten te weten dat het gaat om derdelanders die eerder waren verwijderd en jaren na hun verwijdering terug keerden. Dit wil nog niet zeggen dat hetgeen het Hof in dit arrest heeft overwogen en voor recht heeft verklaard niet relevant kan zijn voor de ongewenst verklaarde derdelander die nimmer is teruggekeerd.

Ik moet wel bekennen dat ik hetgeen het Hof in de zaak Filev en Osman in onderdeel 2 voor recht heeft verklaard niet geheel duidelijk vind. Het lijkt erop dat, gelet op punt 38 en 41 in samenhang met de bewoordingen in dit onderdeel die volgen na het tweede ofwel, het Hof in dit arrest voor recht heeft verklaard dat artikel 11, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn eraan in de weg staat dat de gevolgen van een ongewenstverklaring langer dan in beginsel vijf jaren na oplegging van de ongewenstverklaring worden gehandhaafd irrelevant of de ongewenst verklaarde derdelander daadwerkelijk Nederland heeft verlaten.

Het had op de weg van de Hoge Raad gelegen om, zoals de AG Spronken terecht in de conclusie opmerkt dat voor het geval de Hoge Raad twijfelt aan de juistheid van de door haar gegeven uitleg van het arrest van het Hof in de zaak Filev en Osmani, deze kwestie middels een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof.

Tenslotte nog het volgende over dit arrest. Uit het arrest van de Hoge Raad valt op te maken dat oude ongewenstverklaringen aangemerkt dienen te worden als een inreisverbod met dien verstande dat de werking beperkt is tot Nederland.

Nederland heeft zoals bekend is uiteindelijk afgezien van het strafbaar stellen van illegaal verblijf. Nederland stelt niet handelen in strijd met de verplichtingen voortvloeiende uit het terugkeerbesluit strafbaar. Artikel 197 WvSr stelt alleen strafbaar een vreemdeling die in Nederland verblijft terwijl hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard of tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid Vw.

Als de Hoge Raad al gevolgd moet worden in zijn oordeel dat de termijn waarvoor het inreisverbod geldt pas begint te lopen op het moment waarop de derdelander daadwerkelijk het grondgebied van Nederland heeft verlaten dan kan toch pas gelet op artikel 197 WvSr aan de derdelander een strafrechtelijke sanctie worden opgelegd als de derdelander daadwerkelijk Nederland is uitgereisd en binnen de termijn van de voor hem geldende duur van het inreisverbod weer binnen komt.

Een derdelander die ongewenst is verklaard dan wel jegens wie een inreisverbod is opgelegd en nimmer Nederland ( bij de oude ongewenstverklaringen) dan wel het gebied van de Schengengrenscode ( bij de huidige inreisverboden) heeft verlaten, voldoet weliswaar niet aan zijn verplichtingen voortvloeiende uit het terugkeerbesluit door in weerwil van het terugkeerbesluit onverminderd illegaal op het grondgebied van Nederland te verblijven, maar dit gedrag is niet strafbaar gesteld in artikel 197 Sr.

Is dan niet de conclusie dat de arresten El Dridi, Achughbabian en Sagor geen betekenis hebben voor derdelanders die ongewenst zijn verklaard dan wel aan wie een inreisverbod is opgelegd en die Nederland nimmer hebben verlaten. Deze gedragingen vallen immers niet onder de reikwijdte van artikel 197 Sr nu volgens de Hoge Raad de termijn nog niet is gaan lopen. Vrijspraak had dan ook dienen te volgen irrelevant of het nu gaat om een derdelander waarbij de stappen van de in de Terugkeerrichtlijn vastgelegde terugkeerprocedure al dan niet zijn doorlopen.

Kortom ik ben van oordeel dat het arrest van de Hoge Raad innerlijk tegenstrijdig is. Men kan zich niet enerzijds op het standpunt stellen dat de termijn van de ongewenstverklaring dan wel inreisverbod pas begint te lopen nadat de derdelander Nederland/ het Schengengebied heeft verlaten en anderzijds op het standpunt stellen dat het strafbaar is om in weerwil van de ongewenstverklaring/inreisverbod in Nederland te blijven.

5. Arrest Hoge Raad vermeld in onderdeel 3b in het licht van arresten van Hof
AG Szpunar zal zich gelet op de in onderdeel 2. aangehaalde conclusie op het standpunt stellen dat dit arrest van de Hoge Raad het hoofddoel van de Terugkeerrichtlijn ondermijnt en derhalve het nuttig effect aan de Terugkeerrichtlijn ontneemt. Hoe het Hof hierover gaat oordelen is nog niet duidelijk.

In Filev en Osmani ging het weliswaar om derdelanders die in weerwil van het verbod het Duits grondgebied binnen te komen en aldaar te verblijven toch Duitsland binnen kwamen, maar de Duitse rechter heeft toen niet aan het Hof de vraag voorgelegd of dan tot het opleggen van een gevangenisstraf kan worden overgegaan zonder dat de rechter zich ervan behoeft te vergewissen dat voorafgaand aan die eerdere terugkeer alle stappen van de in die richtlijn vastgelegde terugkeerprocedure zijn doorlopen dan wel dat de stappen van de in de terugkeerrichtlijn vastgelegde terugkeerprocedure (opnieuw) zijn doorlopen.

Met AG Szpunar ben ik van mening dat alle instrumenten die de Terugkeerrichtlijn aan de autoriteiten geven gericht zijn op terugkeer, op beëindiging van illegaal verblijf. Niet voor niets heet de richtlijn Terugkeerrichtlijn en niet (tevens) Inreisverbodrichtlijn. Handhaving inreisverbod dient via de instrumenten die de Schengengrenscode biedt te geschieden.

6. Conclusie
Over de Terugkeerrichtlijn zijn veel vragen ter beantwoording voorgelegd aan het Hof zowel door de bestuursrechter als strafrechter. Desalniettemin zijn er nog veel vragen die zullen moeten worden beantwoord. Over uiteenlopende kwesties wordt verschillend gedacht. Wie het weet mag het zeggen.

Teneinde meer duidelijkheid te krijgen over de wijze waarop de Terugkeerrichtlijn dient te worden uitgelegd ligt het op de weg van de strafrechter om vragen ter beantwoording voor te leggen aan het Hof. Tenslotte is rechtszekerheid voor justitiabelen een groot goed.

zondag 18 mei 2014

ABRS, 12 mei 2014, 201400324/1/V3: Onder reikwijdte van prejudiciële vragen vallend terugkeerbesluit

Een terugkeerbesluit is een voorwaarde voor een op de Terugkeerrichtlijn gebaseerde bewaring [ABRS, 22 maart 2013, 201302307/1/V3].

In een uitspraak van 12 mei 2014 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna:Afdeling] overwogen dat een terugkeerbesluit waarin de vertrektermijn op nihil is gesteld omdat de betrokken derdelander een gevaar is voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid kan vallen onder de reikwijdte van de prejudiciële vragen die de Afdeling op 23 oktober 2013 aan het EU Hof van Justitie heeft gesteld over artikel 7, vierde lid van de Terugkeerichtlijn [ABRS, 12 mei 2014, 201400324/1/V3; ABRS, 23 oktober, 201112799/1/V3 &201202062/1/V3; EU HvJ, Zh & O t NL, C-554/13].

Volgens de Afdeling zijn sommige feiten en omstandigheden naar hun aard evident niet van belang voor de beoordeling of een derdelander een gevaar vormt voor de openbare orde terwijl er voorts feiten en omstandigheden zijn waaruit buiten tot prejudiciële verwijzing nopende twijfel blijkt dat een derdelander al dan niet een gevaar vormt voor de openbare orde. 

Indien er sprake is van feiten en omstandigheden die niet evident niet van belang zijn of van feiten en omstandigheden waaruit tot prejudiciële verwijzing nopende twijfel blijkt dat de vreemdeling al dan niet een gevaar vormt voor de openbare orde valt het terugkeerbesluit onder de reikwijdte van de  prejudiciële vragen en kan op dat terugkeerbesluit geen bewaring worden gebaseerd.

woensdag 9 oktober 2013

EU HvJ, G&R t Nederland, 10 september 2013, 383/13

De Rechten van den Mensch en van den Burger, 1795,
Lambertus Antonius Claessens, Cornelis Sebille Roos (uitgever),
Pieter Johannes Uylenbroek, 1795 (fragment)

Op 10 september 2013 heeft het EU Hof van Justitie [hierna: Hof]  in de de zaak G&R t Nederland [EU HvJ, G&R t NL, 10/9/13, C-383/13].  In het arrest heeft het Hof prejudiciële vragen beantwoord van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State over de gevolgen van schending van [op het unierecht gebaseerde] rechten van de verdediging voor een besluit tot verlenging van vreemdelingenbewaring.

Uit het arrest volgt dat:

  • een onregelmatigheid in de uitoefening van de  rechten van de verdediging geen schending van die rechten oplevert 
    • in op artikel 52, eerste lid van het Handvest van de Grondrechten gebaseerde gevallen 
    • indien verdedigingsrechten geen unierechtelijke grondslag hebben
  • een onregelmatigheid in de uitoefening van [op het unierecht gebaseerde] rechten van de verdediging slechts leidt tot vernietiging van het besluit tot verlenging van de bewaring wanneer de procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben
Uit rechtspraak van het Hof volgt dat niet moet worden aangetoond dat het besluit tot verlenging van de vreemdelingenbewaring zonder onregelmatigheid anders zou hebben geluid maar wel dat zulks niet helemaal is uitgesloten omdat een derdelander zich zonder de procedurele onregelmatigheid beter had kunnen verdedigen [EG HvJ, 2/10/3, Thyssen Stahl AG t Cie, C‑194/99 P (ro 31); EG HvJ, Foshan Shunde Yongjian t Raad, 1/10/9, C‑141/08 P (ro 94)].

Op 4 oktober 2013 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] uitspraak gedaan in de zaken G&R [ABRS, 4/10/13, 201304861/1/V3 & 201305033/1/V3] .

De Afdeling overweegt in rechtsoverweging 4.2:
De vreemdelingen hebben tijdens de vertrekgesprekken noch tijdens de zittingen bij de rechtbank feiten en omstandigheden naar voren gebracht die grondslag bieden voor het oordeel dat de staatssecretaris de bestreden verlengingsbesluiten niet had mogen nemen. Aldus bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de schending van het verdedigingsbeginsel de vreemdelingen de mogelijkheid heeft ontnomen om zich zodanig te verweren dat de besluitvorming een andere afloop had kunnen hebben.

Daarmee legt de Afdeling de lat denk ik hoger dan het Hof hem legt.

donderdag 30 mei 2013

EU HvJ, 30 mei 2013, Arslan t Tsjechië, C-534/11

Inleiding (1-2)
Toepasselijke bepalingen (3 t/m 21)
#Unierecht [2008/115 (3 t/m8), 2005/85 (9 t/m 14), 2003/09 (15-16)]
#Tsjechisch recht (17 t/m 21)
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen (18 t/m 31)
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing (32 t/m 39)
Beantwoording van de prejudiciële vragen (40 t/m 63)   
#Eerste vraag (40 t/m 49)
#Tweede vraag (50 t/m 63)
Kosten (64)
Dictum

Op 30 mei 2013 heeft het EU Hof van Justitie arrest gewezen in de zaak Mehmet Arslan t Tsjechië [EU HvJ, 30 mei 2013, Mehmet Arslan t Tsjechië, C635/11].

Mehmet Arslan is een draaideur illegaal. In 2009 wordt hij vanuit Griekenland verwijderd naar zijn land van herkomst. In 2010 wordt hij gesignaleerd als derdelander op wie een inreisverbod met de duur van 2 jaar van toepassing is. In 2011 wordt Mehmet Arslan weer op het grondgebied van de Europese Unie aangetroffen. Komende vanuit Oostenrijk wordt hij aangehouden door de Tsjechische politie en voor een periode van 60 dagen in bewaring gesteld met het oog op zijn verwijdering.

Na zijn inbewaringstelling dient Mehmet Arslan een asielverzoek in.  

De bewaring van Mehmet Arslan wordt verlengd met 120 dagen. Hij stelt beroep in tegen het besluit tot verlenging van zijn bewaring en voert aan dat gelet op de behandelingsduur van zijn asielverzoek - hij benadrukt van alle mogelijke (rechts)middelen gebruik te zullen maken - zicht op verwijdering ontbreekt.

1e prejudiciële vraag
De verwijzende rechter wenst van het EU Hof van Justitie te vernemen of artikel 2, eerste lid van Richtlijn 2008/115 jo punt 9 van de considerans ervan aldus moet worden uitgelegd dat de richtlijn niet van toepassing is op asielzoekende derdelanders.

Het EU Hof van Justitie beantwoordt de eerste prejudiciële vraag bevestigend. Uit de beantwoording kan worden opgemaakt dat Richtlijn ook niet van toepassing is op een asielzoekende derdelander wiens asielberoep schorsende werking heeft. 

2e prejudiciele vraag  
De verwijzende rechter wenst voorts van het EU Hof van Justitie te vernemen of een derdelander die na inbewaringstelling een asielverzoek heeft ingediend in bewaring kan worden gehouden met het oog op zijn terugkeer of verwijdering.

Het EU Hof van Justitie overweegt dat de gronden voor bewaring gebaseerd op richtlijnen 2003/9 en 2005/85 niet zijn geharmoniseerd en dat het daarom aan de lidstaten is om vast te stellen op grond waarvan een asielzoekende derdelander in bewaring kan worden gesteld of gehouden echter wel met een volledige inachtneming van verplichtingen op grond van het internationale recht en het unierecht.

Voortzetting van bewaring na de indiening van een asielverzoek kan volgens het EU Hof van Justitie worden gerechtvaardigd indien de betrokken derdelander 
# in bewaring is gesteld op grond van een onderduikrisico en
# het asielverzoek lijkt te zijn ingediend met als enig doel de uitvoering van een terugkeerbesluit te te stellen 

Voortzetting van de bewaring is niet in strijd met artikel 18 van Richtlijn 2005/85 omdat die niet een gevolg is van het indienen van een asielverzoek maar van omstandigheden die verband houden met het persoonlijk gedrag van de asielzoekende derdelander vóór en tijdens de indiening van het asielverzoek.

Voortzetting van de bewaring is evenmin in strijd met artikel 7, derde lid van Richtlijn 2003/9 omdat die objectief noodzakelijk lijkt om te voorkomen dat de betrokken derdelander zich definitief aan zijn terugkeer onttrekt.

Het EU Hof van Justitie overweegt dat artikel 23, vierde lid onder j van Richtlijn 2005/85 [geïmplementeerd in bepalingen mbt 48-uurs/8-dagenprocedure, 30976 nr 3] de lidstaten een middel biedt om de doeltreffendheid van de terugkeerprocedure te waarborgen door te vermijden dat deze langer wordt geschorst dan noodzakelijk is voor een zorgvuldige behandeling van een asielverzoek.

Bij de beoordeling van de vraag of een asielzoekende derdelander in bewaring kan worden gehouden zullen volgens het EU Hof van Justitie alle relevante omstandigheden moeten worden betrokken.

Losse floddervragen nav het arrest 
# Kan een asielzoekende derdelander ten aanzien van wie nog niet een terugkeerbesluit is uitgevaardigd in bewaring worden genomen?
# Is de gesloten '6-wekenprocedure' in overeenstemming met Richtlijn 2008/115?
# Moet na ongegrond verklaring van asielberoep met schorsende opnieuw een terugkeerbesluit worden uitgevaardigd?
# Moet een asielzoekende derdelander die het recht heeft om in de lidstaat te blijven worden beschouwd als iemand die legaal op het grondgebied van de lidstaat verblijft?
# Kan de op artikel 63, derde lid van de Vreemdelingenwet gebaseerde medewerkingsverplichting worden gebaseerd op richtlijnen 2003/9 en 2005/85?

Update 31 mei 2013
# Is 'automatische' grensdetentie toelaatbaar?
# Kan een asielzoekende derdelander in bewaring worden gesteld en gehouden met het oog op zijn verwijdering indien van een schorsing van de terugkeerprocedure geen sprake is?
#
#

zaterdag 20 april 2013

ABRS, 17 april 2013, 201209288/1/V3

In een om meer redenen interessante uitspraak van 17 april 2013 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] overwogen dat artikel 6 van het EU Handvest van de Grondrechten [ook erg handig: charter4mobile] vergt dat de bewaringsrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig ingestelde beroepen tegen een separaat terugkeerbesluit en een maatregel van bewaring gelijktijdig behandelt ook indien daarom niet uitdrukkelijk is verzocht [ABRS, 17 april 2013, 201209288/1/V3, ro 8.4.5].

De betrokken derdelander had beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Voorts had de betrokken derdelander beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit en de rechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende dat beroep. De beroepen zijn niet gelijktijdig behandeld.

In hoger beroep betoogde de derdelander dat artikel 15(2) van de Terugkeerrichtlijn noopt tot een volledige toetsing van de rechtmatigheid van de bewaring zodat ook de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit dient te worden getoetst omdat het terugkeerbesluit voorwaarde is voor de maatregel van bewaring.

Artikel 15(2) van de Terugkeerrichtlijn bepaalt een derdelander wiens bewaring onrechtmatig is onmiddellijk moet worden vrijgelaten. Indien de rechter bepaalt dat een terugkeerbesluit onrechtmatig is kan de derdelander niet onmiddellijk in vrijheid worden gesteld omdat de rechter die het terugkeerbesluit beoordeelt niet bevoegd is te vorderen dat de maatregel van bewaring onmiddellijk wordt opgeheven.

In een al wat oudere zaak waarin hetzelfde probleem aan de orde werd gesteld maar niet een beroep was gedaan op de uit artikel 15(2) van de Terugkeerrichtlijn voortvloeiende verplichting om een derdelander wiens bewaring onrechtmatig is onmiddellijk in vrijheid te stellen overwoog de Afdeling dat van een onthouding van een effectief rechtsmiddel geen sprake was omdat tegen een separaat terugkeerbesluit een rechtsmiddel open staat [toen nog bezwaar] en hangende die procedure zo nodig om een voorlopige voorziening kan worden verzocht [ABRS, 12 september 2011, 201100592/1/V3].

Indien een verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar of beroep tegen het terugkeerbesluit gelijktijdig met het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt behandeld kan de bewaringsrechter de derdelander onmiddellijk in vrijheid doen stellen indien die rechter als voorzieningenrechter van oordeel is dat het terugkeerbesluit niet aan de maatregel van de bewaring ten grondslag kan worden gelegd.

Indien die rechter echter het verzoek afwijst en als bewaringsrechter het beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond verklaart dan scheiden zich de procedurele wegen en kan in hoger beroep het terugkeerbesluit niet gelijktijdig worden beoordeeld met de maatregel van bewaring. Daarom wijdt denk ik de Afdeling denk ik geen woord aan het verzoek om een voorlopige voorziening dat de derdelander hangende het beroep tegen het terugkeerbesluit had ingediend.

Met dank aan mr van B en mr O.

woensdag 2 januari 2013

Voortschrijdend inzicht

het inzicht schrijdt wel voort maar heel erg langzaam
Ruim twee jaar na het verstrijken van de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn ben ik tot het inzicht gekomen dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is op een 'illegale' derdelander die strafrechtelijk is gedetineerd.

Die strafrechtelijk gedetineerde derdelander kan niet worden beschouwd al iemand die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft. Die derdelander wordt immers op grond van strafvorderlijke bepalingen tot verblijf in de lidstaat 'gedwongen'.

Indien de Terugkeerrichtlijn wel van toepassing zou zijn op een strafrechtelijk gedetineerde 'illegale' derdelander dan wordt of een unierechtelijke verplichting of een nationale bevoegdheid ondermijnd. Het uitoefenen van de nationale bevoegdheid om een derdelander strafrechtelijk te detineren immers ondermijnt de uit de Terugkeerrichtlijn voortvloeiende verplichting om een jegens die derdelander uitgevaardigd terugkeerbesluit uit te voeren terwijl de naleving van de verplichting om dat terugkeerbesluit uit te voeren de nationale bevoegdheid om die derdelander strafrechtelijk te detineren ondermijnt.

De Terugkeerrichtlijn zelf biedt geen oplossing voor het hiervoor geschetste dilemma. Strafrechtelijke detentie immers is niet een in artikel 9 van de Terugkeerrichtlijn genoemde omstandigheid op grond waarvan de verwijdering van een illegale derdelander kan worden uitgesteld.

Een en ander betekent dat de Terugkeerrichtlijn niet in de weg staat aan het onderbreken van  vreemdelingenbewaring met het oog op de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke detentie. Voorafgaande aan het opnieuw in bewaring stellen zal wel een terugkeerbesluit moeten worden genomen. Denk ik. 

Rest wel de vraag of de 6/18-maanden opnieuw gaat lopen.

Een goed 2013 allemaal!

UPDATE 16 februari 2013:
ABRS, 6 februari 2013, 201212023/1/V3, ro 2.5 (#helaaspindakaas)

zaterdag 29 december 2012

EU HvJ, Md Sagor t Italië, 6 december 2012, C-430/11

Inleiding: par 1 t/m 2
Toepasselijke bepalingen: par 3 t/m 19
Hoofdgeding en prejudiciële vragen: par 20 t/m 26
Beantwoording van de prejudiciële vragen: par 29 t/m 49
Eerste en tweede vraag: par 27 t/m 47
- Ontvankelijkheid: par 28 t/m 30
- Betreffende de geldboete die kan worden omgezet in uitwijzing: par 31 t/m 42
- Betreffende de geldboete die kan worden vervangen door huisarrest: par 43 t/m 47 
Derde vraag: par 47 t/m 48
Kosten: par 50

Het EU Hof van Justitie [hierna: het Hof] heeft op 6 december 2012 - precies één jaar na het arrest in de zaak van Achughbabian t Frankrijk -  arrest gewezen in de zaak van Md Sagor - burger van Bangladesh - die in Italië strafrechtelijk wordt vervolgd wegens zijn illegale verblijf aldaar [EU HvJ, Md Sagor t Italië, 6 december 2012, C-430-11; EU HvJ, Achughbabian t Frankrijk, 6 december 2011, C-329/11].

Illegaal verblijf in Italië is een strafbaar feit en kan worden bestraft met een boete. Hangende de strafprocedure kan een illegale derdelander worden verwijderd. Met de verwijdering wordt de strafzaak beëindigd.

Indien een derdelander vanwege zijn illegale verblijf wordt veroordeeld tot een boete kan die boete worden vervangen door [verwijdering en] een inreisverbod als die derdelander op dat moment kan worden verwijderd of door een huisarrest indien die derdelander de boete niet  betaalt.

De Italiaanse rechter wil van het Hof onder meer weten of de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen een regeling op grond waarvan het illegale verblijf van een derdelander wordt bestraft met een geldboete die kan worden vervangen door verwijdering of huisarrest.

Boete die kan worden vervangen door huisarrest
Het Hof onderzoekt net als in de zaak Achughbabian t Frankrijk [EU HvJ, Achughbabian  t Frankrijk, 6 december 2011, C-329/11] eerst of  huisarrest een [dwang]maatregel is in de zin van artikel 8(1) van de Terugkeerrichtlijn en vervolgens of huisarrest een terugkeerprocedure kan ondermijnen.

Het is volgens het Hof evident dat huisarrest tijdens een terugkeerprocedure niet kan bijdragen aan de verwijdering van een illegale derdelander. Huisarrest is derhalve geen [dwang]maatregel in de zin van artikel 8(1) van de Terugkeerrichtlijn.

Huisarrest kan volgens het Hof een terugkeerprocedure ondermijnen met name indien huisarrest niet kan worden beëindigd zodra de betrokken derdelander voor verwijdering vatbaar is.

Boete die kan worden vervangen door verwijdering [uitwijzing]
Een terugkeerprocedure wordt volgens het Hof niet ondermijnd door een strafrechtelijke vervolging wegens illegaal verblijf zoals dat in Italië mogelijk is.

In de eerste plaats omdat er een samenloop is van de terugkeerprocedure en de strafprocedure en de strafprocedure na verwijdering eindigt. In de tweede plaats omdat een boete niet aan de tenuitvoerlegging van een terugkeerbesluit in de weg staat.

Voor wat betreft de mogelijkheid om een boete te vervangen door een verwijdering en een inreisverbod wijst het Hof op de omstandigheid dat die mogelijkheid is beperkt tot het geval waarin een derdelander kan worden verwijderd. De Terugkeerrichtlijn verbiedt bovendien niet het vervangen van een boete door een verwijdering en een inreisverbod en verzet zich daar ook niet tegen.

Het Hof overweegt dat gelet op de flexibele definitie van het begrip 'terugkeerbesluit' zo'n terugkeerbesluit de vorm aan kan nemen van een strafrechtelijke rechterlijke beslissing en dat verwijdering plaats kan vinden in het kader van een strafzaak.

In reactie op een opmerking van de Commissie dat in een strafrechtelijke rechterlijke beslissing die geldt als terugkeerbesluit onmogelijk een vertrektermijn kan worden toegekend overweegt het Hof dat zal moeten worden onderzocht of in een concreet geval van het toekennen van een vertrektermijn kan worden afgezien. Of woorden van een vergelijkbare strekking.

Het lijkt of het Hof er enerzijds vanuit gaat dat er sprake kan zijn van een strafprocedure die samenloopt met een terugkeerprocedure en die  beëindigt met de verwijdering van de betrokken derdelander en anderzijds dat er sprake kan zijn van een strafprocedure die niet samenloopt met een terugkeerprocedure maar een terugkeerprocedure is.

Mij is het niet duidelijk. Wie het wel duidelijk is mag het zeggen.

Strafbaarstelling illegaal verblijf hier te lande
Op 21 december 2012 heeft de Ministerraad er op voorstel van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie mee ingestemd om bij de Tweede Kamer een voorstel in te dienen om illegaal verblijf van vreemdelingen in Nederland strafbaar te stellen met als sanctie een boete en de mogelijkheid van vervangende hechtenis [Persbericht, 21 december 2012]. Het wetsvoorstel zou een bepaling bevatten waarin wordt gegarandeerd dat vervangende hechtenis wordt opgeheven indien de betrokken derdelander kan worden verwijderd.

maandag 19 november 2012

ABRS, 4 oktober 2012, 201204418/1/V3 & 201107358/1/V3

Op 4 oktober 2012 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State in 2 zaken uitspraak gedaan over artikel 6(2) van de Terugkeerrichtlijn [ABRS, 4 oktober 2012, 201204418/1/V3 & 201107358/1/V3].

Uit artikel 6(2) van de Terugkeerrichtlijn volgt dat jegens een illegale derdelander met een verblijfsrecht in een andere lidstaat geen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd tenzij die derdelander een bevel om zich onmiddellijk zelfstandig naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven niet naleeft. Artikel 6(2) van de Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 62a, eerste lid jo derde lid van de Vreemdelingenwet.

Uit de uitspraken kan worden opgemaakt dat:
  • indien niet buiten twijfel is dat de derdelander een verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat de rechtmatigheid van het uitgevaardigde terugkeerbesluit zal moeten worden beoordeeld in de daartoe voorziene procedure [ABRS, 29 juni 2011, 201102952/1/V3]
  • indien wel buiten twijfel is dat de derdelander een verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat [ABRS, 24 april 2012, 201103734/1/V3] en een uitgevaardigd terugkeerbesluit 
    • nog geen formele rechtskracht heeft gekregen de bewaringsrechter kan beoordelen of de derdelander ten onrechte niet is bevolen om zich onmiddellijk zelfstandig naar het grondgebied van de lidstaat te begeven alwaar hij een verblijfsrecht heeft [ABRS, 25 juli 2012, 201205206/1/V3].
    • al wel formele rechtskracht heeft de bewaringsrechter het terugkeerbesluit: 
      • niet kan beoordelen indien het is uitgevaardigd ná het verstrijken van de implementatietermijn [ABRS, 4 oktober 2012, 201107358/1/V3]
      • wel kan beoordelen indien het is uitgevaardigd vóór het verstrijken van de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn [ABRS, 4 oktober 2012, 201204418/1/V3]

zondag 1 april 2012

Inreisverbod: meeromvattende beschikking, 'kale' kennisgeving & beroep of bezwaar

Kan bij de beoordeling van de vraag welk rechtsmiddel moet worden aangewend tegen een inreisverbod dat is gebaseerd op een oud terugkeerbesluit en dat deel uitmaakt van een nieuwe meeromvattende asielbeschikking een beroep worden gedaan op artikel 62a van de Vreemdelingenwet?

Rotterdam, Groningen en Roermond menen van wel [Rtb DH zp Rotterdam, 7 februari 2012, LJN BV6257; Rtb DH zp Groningen, 6 maart 2012, LJN BV8411 en Rtb DH zp Roermond, 27 maart 2012, LJN BW0213].

Dat is opmerkelijk omdat artikel 62a van de Vreemdelingenwet  betrekking heeft op een 'kale' schriftelijke kennisgeving die geldt als terugkeer besluit en een inreisverbod kan omvatten. Een nieuwe meeromvattende asielbeschikking waarin een inreisverbod is opgenomen dat is gebaseerd op een oud terugkeerbesluit is geen 'kale' schriftelijke kennisgeving.

Al even opmerkelijk is dat Rotterdam, Groningen en Roermond verschillende gevolgen verbinden aan het beroep op artikel 62a van de Vreemdelingenwet.

Rotterdam
Rotterdam overweegt dat gelet op het bepaalde in artikel 75, aanhef onder c van de Vreemdelingenwet rechtstreeks beroep openstaat tegen een inreisverbod.

Artikel  75, aanhef onder c van de Vreemdelingenwet bepaalt dat in afwijking van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan geen bezwaar worden gemaakt tegen een 'kale' schriftelijke kennisgeving dat geldt als terugkeerbesluit en dat een inreisverbod kan inhouden.

Een nieuwe meeromvattende asielbeschikking is geen 'kale' schriftelijke kennisgeving en kan ook niet als 'kale' schriftelijke kennisgeving worden aangemerkt omdat de wet voor een 'kale' schriftelijke kennisgeving geen grondslag biedt indien eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd aan de terugkeerverplichting waarvan niet is voldaan. Een 'kale' schriftelijke kennisgeving waarvoor de wettelijke grondslag ontbreekt geldt derhalve ook niet als een terugkeerbesluit dat een inreisverbod kan inhouden en waartegen op grond van artikel 75, aanhef onder c van de Vreemdelingenwet beroep open staat.

Groningen
Groningen overweegt dat de nieuwe meeromvattende asielbeschikking niet geldt als terugkeerbesluit omdat reeds eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd aan de terugkeerverplichting waarvan niet is voldaan hetgeen betekent dat het inreisverbod dat deel uitmaakt van die nieuwe meeromvattende beschikking geen 'kale' schriftelijke kennisgeving is en dat daarom artikel 75, aanhef onder c van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is. Een en ander brengt volgens de rechtbank met zich mee dat het beroep gericht tegen het inreisverbod niet ontvankelijk is en dat het beroep op grond van artikel 6:15 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht als bezwaar moet worden behandeld.

Het oordeel dat de nieuwe meeromvattende asielbeschikking niet geldt als een terugkeer besluit lijkt met gelet op het bepaalde in artikel 45 lid 1, aanhef van de Vreemdelingenwet juist maar niet relevant omdat het inreisverbod niet is gebaseerd op die nieuwe meeromvattende asielbeschikking.

Het oordeel van de rechtbank dat een inreisverbod dat deel uitmaakt van een niet als terugkeerbesluit geldende meeromvattende asielbeschikking daarom geen 'kale' schriftelijke kennisgeving is kan ik niet volgen. Al was het maar omdat een inreisverbod per definitie geen 'kale' schriftelijke kennisgeving is maar daar slechts deel van uit kan uitmaken.

Indien en voorzover al bezwaar open staat tegen een inreisverbod dat is gebaseerd op een oud terugkeerbesluit en dat deel uitmaakt van een nieuwe meeromvattende asielbeschikking lijkt mij dat de rechtbank zich onbevoegd had moeten verklaren.

Roermond
Roermond overweegt dat gelet op het bepaalde in artikel 62a van de Vreemdelingenwet de nieuwe meeromvattende asielbeschikking niet kan worden aangemerkt als terugkeerbesluit omdat eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd aan de terugkeerverplichting waarvan niet is voldaan. Het reisverbod dat deel uitmaakt van de nieuwe meeromvattende asielbeschikking moet daarom worden aangemerkt als een 'zelfstandige beschikking' in de zin van artikel 66a lid 1, aanhef onder b van de Vreemdelingenwet. Omdat het inreisverbod geen deel uitmaakt van een terugkeerbesluit staat daartegen volgens de rechtbank bezwaar open. Volgens de rechtbank is het beroep gericht tegen het inreisverbod niet ontvankelijk is en moet het op grond van artikel 6:15 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht als bezwaar worden behandeld.

Het oordeel dat de nieuwe meeromvattende asielbeschikking niet kan worden aangemerkt als terugkeerbesluit omdat eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd aan de terugkeerverplichting waarvan niet is voldaan lijkt mij juist. Echter niet 'gelet op het bepaalde' in artikel 62a van de Vreemdelingenwet maar gelet op het bepaalde in artikel 45 lid 1, aanhef van de Vreemdelingenwet.

De rechtbank merkt een inreisverbod dat geen deel uitmaakt van 'een' terugkeerbesluit aan als een 'zelfstandige beschikking' waartegen daarom bezwaar openstaat. IMHO is een inreisverbod dat geen deel uitmaakt van 'het' terugkeerbesluit waarop het is gebaseerd een zelfstandige beschikking waarmee bezwaar ['kaal' inreisverbod; inreisverbod maakt deel uit van een nieuwe meeromvattende reguliere beschikking]  of beroep [inreisverbod maakt deel uit van een nieuwe meeromvattende asielbeschikking] openstaat.

Indien en voorzover bezwaar open staat tegen een inreisverbod dat is gebaseerd op een oud terugkeerbesluit en dat deel uitmaakt van een nieuwe meeromvattende asielbeschikking lijkt mij dat de rechtbank zich onbevoegd had moeten verklaren.

zaterdag 31 maart 2012

Inreisverbod: 'zelfstandige beschikking'; rechtsmiddel

Op grond van artikel 66a lid 1 onder b van de Vreemdelingenwet wordt een inreisverbod uitgevaardigd jegens de derdelander die Nederland niet binnen de vertrektermijn heeft verlaten door middel van een zelfstandige beschikking (...).

Wat is eigenlijk een zelfstandige beschikking?

Den Haag & Den Bosch
Is een zelfstandige beschikking een beschikking die geen deel uit maakt van een [meeromvattende] beschikking? [Rtb DH zp DH, 22 februari 2012, LJN BV9027; Rtb DH zp DB, 21 maart 2012, LJN BV9703]

Welk rechtsmiddel staat open tegen zo'n zelfstandige beschikking?

Beroep? [Rtb DH zp DH, 22 februari 2012, LJN BV9027 (niet onbevoegd)]

Bezwaar? [Rtb DH zp DB, 21 maart 2012, LJN BV9703 (onbevoegd, doorverwijzing)]

Roermond
Is een zelfstandige beschikking een beschikking die deel uitmaakt van een [meeromvattende] beschikking die niet geldt als terugkeerbesluit? [Rtb DH zp Roermond, 27 maart 2012, LJN BW0213]

Welk rechtsmiddel staat open tegen zo'n zelfstandige beschikking?

Beroep? [indien beschikking deel uitmaakt van een meeromvattende asielbeschikking die niet geldt als terugkeerbesluit, anders: Rtb DH zp Roermond, 27 maart 2012, LJN BW0213]

Bezwaar? [Rtb DH zp Roermond, 27 maart 2012, LJN BW0213 (niet ontvankelijk, doorverwijzing); indien de beschikking geen deel uitmaakt van een  andere beschikking; indien de beschikking deel uit maakt van een meeromvattende reguliere beschikking die niet geldt als terugkeerbesluit]

Assen, Rotterdam, Zwolle
Is een zelfstandige beschikking een beschikking die zelfstandig is ten opzichte van het terugkeerbesluit waarop die beschikking is gebaseerd? [impliciet: Rtb DH zp Assen, 16 februari 2012, LJN BV6424; Rtb DH zp Zwolle, 20 februari 2012, LJN BV6865; Rtb DH zp Rotterdam, 23 februari 2012, LJN BV7653]

Welk rechtsmiddel staat open tegen zo'n zelfstandige beschikking?

Beroep? [indien de beschikking deel uitmaakt van een meeromvattende asielbeschikking]

Bezwaar? [indien de beschikking geen deel uitmaakt van een  andere beschikking; indien de beschikking deel uit maakt van een meeromvattende reguliere beschikking]

Wie het weet mag het zeggen.

vrijdag 30 maart 2012

Inreisverbod: Rtb DH zp DB, 9 maart 2012, LJN BV8585

Een opmerkelijke uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch van 9 maart 2012 [Rtb DH zp DB, 9 maart 2012, LJN  BV8585].

Een herhaalde aanvraag wordt ná de implementatie van de Terugkeerrichtlijn afgewezen omdat aan de aanvraag geen nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd en er wordt een inreisverbod opgelegd dat is gebaseerd op een vóór de implementatie van de Terugkeerrichtlijn tot stand gekomen terugkeerbesluit aan de terugkeerverplichting waarvan niet is voldaan. Er wordt beroep ingesteld.

In de loop van de procedure stelt de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel [hierna: de Minister] dat het inreisverbod niet is gebaseerd op de oude meeromvattende beschikking maar op de nieuwe meeromvattende beschikking waarin de vertrektermijn op nihil is gesteld omdat de asielaanvraag kennelijk ongegrond zou zijn [zie artikel 62 lid 2, aanhef en onder b Vw 2000].

Voor zover ik na kan gaan heeft de Minister dat standpunt niet eerder ingenomen. Het ook niet helemaal duidelijk of de Minister het oude standpunt dat een inreisverbod kan worden gebaseerd op een oud terugkeerbesluit heeft verlaten [zie Rtb DH zp DB, 21 maart 2012, LJN BV9703].

De rechtbank begrijpt dat de Minister zich geroepen voelde om de betrokken derdelander door middel van een nieuw terugkeerbesluit wederom een vertrektermijn te gunnen nu die derdelander door het doen van een asielaanvraag opnieuw rechtmatig verblijf had gekregen.

Indien uit die overweging moet worden afgeleid dat de tenuitvoerlegging van een terugkeerbesluit beëindigt op het moment dat een derdelander het recht krijgt om in de lidstaat te blijven en dat na beëindiging van dat recht opnieuw een terugkeerbesluit moet worden uitgevaardigd lijkt me dat een juist oordeel.

Volgens de rechtbank staat tegen de nieuwe meeromvattende beschikking beroep open omdat deze meeromvattende beschikking geldt als een terugkeerbesluit gepaard gaat met een inreisverbod. Dat oordeel lijkt mij niet juist.

Tegen een meeromvattende beschikking staat wel beroep open maar niet omdat die meeromvattende beschikking geldt als een terugkeerbesluit dat gepaard gaat met een inreisverbod. Dat tegen een meeromvattende beschikking beroep open staat volgt uit artikel 80 van de Vreemdelingenwet.

Uit artikel 45 lid 1 van de Vreemdelingenwet volgt echter dat een meeromvattende beschikking niet geldt als een terugkeerbesluit indien eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd aan de terugkeerverplichting waarvan niet is voldaan. Uit artikel 45 lid 8 van de Vreemdelingenwet volgt weliswaar dat een meeromvattende beschikking een inreisverbod kan omvatten maar dat moet gelet op het bepaalde in artikel 11(1) van de Terugkeerrichtlijn dan wel een meeromvattende beschikking zijn die geldt als terugkeerbesluit hetgeen in casu niet het geval is. Een nieuw 'kaal' terugkeerbesluit dat gepaard gaat met een inreisverbod kan overigens niet worden uitgevaardigd omdat uit artikel 62 lid 1 onder a van de Vreemdelingenwet volgt dat een kennisgeving niet geldt als een terugkeerbesluit indien eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd aan de terugkeerverplichting waarvan niet is voldaan.

Volgens de rechtbank kan de vertrektermijn op nihil worden gesteld omdat de asielaanvraag van de betrokken derdelander gelet op het bepaalde in artikel 23(4)(h) jo artikel 28(2) van de Procedurerichtlijn als kennelijk ongegrond kan worden beschouwd.

Uit artikel 23(4)(h) jo artikel 28(2) van de Procedurerichtlijn volgt dat hernieuwd asielverzoek van een asielzoeker ingediend zonder ter zake doende nieuwe elementen met betrekking tot zijn bijzondere omstandigheden of de situatie in zijn land van herkomst [artikel 23(4)(h) PR] als kennelijk ongegrond kunnen beschouwen indien indien dit zo in de nationale wetgeving is omschreven [artikel 28(2) PR].

Artikel 23(4) van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd in bepalingen met betrekking tot de 48-uursprocedure en artikel 28(2) van de Procedurerichtlijn is niet geïmplementeerd [30976 nr 3, Transponeringstabel]. Die bepalingen kunnen derhalve niet ten grondslag worden gelegd aan de nihilstelling van de vertrektermijn.

De uitspraak wordt overigens opmerkelijk bevonden vanwege het baseren van een inreisverbod op een nieuw 'terugkeerbesluit'.

donderdag 29 maart 2012

Inreisverbod: HASA

Hasa
Een herhaalde asielaanvraag wordt na implementatie van de Terugkeerrichtlijn afgewezen [hierna: nieuwe meeromvattende beschikking en er wordt een inreisverbod opgelegd omdat betrokken derdelander niet heeft voldaan aan een terugkeerverplichting opgelegd [hierna: oude meeromvattende beschikking] voor de implementatie van de Terugkeerrichtlijn.

Oude meerovattende beschikking
Het is de vraag of het beginsel van rechtszekerheid zich niet verzet tegen het opleggen van een inreisverbod wegens het niet nakomen van een terugkeerverplichting neergelegd in een voor de implementatie van de Terugkeer tot stand gekomen terugkeerbesluit.

Artikel 11 TR: inreisverbod
Artikel 11 van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat een terugkeerbesluit gepaard gaat of gepaard kan gaan met een inreisverbod en dat de duur van een inreisverbod volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval moet wordtn bepaald.

Groningen: benadering vanuit nieuwe meeromvattende beschikking [Nieuwe MoB is geen terugkeerbesluit]
Artikel 45 lid 8 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat een meeromvattende beschikking in de zin van artikel 45 lid 1 van de Vreemdelingenwet een inreisverbod kan omvatten. Een meeromvattende beschikking in de zin van artikel 45 lid 1 van de Vreemdelingenwet geldt als terugkeerbesluit tenzij eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd aan de terugkeerverplichting waarvan niet is voldaan.

In dit voorbeeld heeft de asielzoekende derdelander niet voldaan aan zijn terugkeerverplichting. De nieuwe meeromvattende beschikking geldt daarom niet  als een terugkeerbesluit. Omdat de nieuwe meeromvattende beschikking niet geldt als een terugkeerbesluit kan die nieuwe meeromvattende beschikking niet een inreisverbod omvatten. Omdat het inreisverbod geen deel uitmaakt van een terugkeerbesluit staat tegen dat inreisverbod geen beroep open maar bezwaar.

Groningen verklaart het beroep deels niet ontvankelijk (?)  en stuurt het beroepschrift voor zover dat betrekking heeft op het inreisverbod door ter behandeling als bezwaarschrift [Rtb DH zp Groningen, 6 maart 2003, LJN BV 8411].

Groningen gaat er enerzijds vanuit dat het inreisverbod is gebaseerd op de oude meeromvattende beschikking maar toetst anderzijds of het inreisverbod kan worden gebaseerd op de nieuwe meeromvattende beschikking.

Den Bosch & Den Haag: Benadering vanuit inreisverbod [als zelfstandige beschikking]
Artikel 66a lid 1, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet bepaalt dat indien een derdelander Nederland niet binnen de vertrektermijn heeft verlaten een inreisverbod door middel van een zelfstandige beschikking wordt opgelegd.   In dit voorbeeld heeft de asielzoekende derdelander niet voldaan aan zijn terugkeerverplichting. Een inreisverbod moet  derhalve als zelfstandige beschikking worden opgelegd en niet als onderdeel van een meeromvattende beschikking.

Den Bosch verklaart zich deels onbevoegd en stuurt het beroepschrift voor zover dat betrekking heeft op het inreisverbod door ter behandeling als bezwaarschrift [Rtb DH zp DB, 21 maart 2012, LJN BV9703].

Den Haag verklaart een beroep tegen een meeromvattende beschikking waarvan een inreisverbod onderdeel uitmaakt deels gegrond [Rtb DH, 22 feburari 2012, LJN BV9027]. Den Haag gaat er kennelijk van uit dat tegen een inreisverbod als zelfstandige beschikking beroep open staat. Het is de vraag of dat zo is. Omdat het inreisverbod geen deel uitmaakt van een terugkeerbesluit staat tegen dat inreisverbod geen beroep open maar bezwaar.

Duur inreisverbod
Bij de beoordeling van de duur van een inreisverbod gaan Utrecht [Rtb DH zp Utrecht, 6 februari 2012, LJN BV3602; Rtb DH zp Utrecht, 5 maart 2012, LJN BV7962], Assen [Rtb DH zp Assen, 16 februari 2012, LJN], Zwolle [Rtb DH zp Zwolle, 20 februari 2012, LJN BV6865]  en Rotterdam [Rtb DH zp Rotterdam, 23 februari 2012, LJN BV7653; Rtb DH zp Rotterdam, 14 maart 2012, LJN BV9800 ] uit van een soort van stelplicht en Haarlem [Rtb DH zp Haarlem, 24 januari 2012, LJNBV774?; Rtb DH zp Haarlem, 19 maart 2012, LJN BV9575] en Middelburg  [Rtb DH zp Middelburg, 12 januari 2012, LJN BV2041] van een soort van onderzoeksplicht.

Inreisverbod, onrechtmatig verblijf en procesbelang
Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State volgt dat een derdelander aan wie een inreisverbod is opgelegd en die als gevolg daarvan on rechtmatig verblijf heeft geen belang heeft bij procederen over toelating. Dat weerhoudt Den Bosch, Groningen en Den Haag er niet van om asielzoekende derdelanders te ontvangen in hun asielberoep.

Roermond lijkt met de 'procesbelang' rechtspraak wel rekening te houden [Rtb DH zp Roermond, 27 maart 2012, LJN BW0213].