zondag 22 augustus 2010
Dublinonderzoek op AC Schiphol
Artikel 69 lid 2 Vw definieert de 8-dagentermijn, dagen waarop onderzoek is verricht in de Rust en voorbereidingstermijn tellen niet mee. Artikel 3.49 VV bepaalt dat er op AC Schiphol geen Rust en voorbereidingstermijn is.
De dagen waarop Dublin onderzoek is vericht voorafgaande aan de indiening van de asielaanvraag tellen op AC Schiphol dus wel mee.
Dublinonderzoek tijdens of na de R&VT
Indien een asielverzoek in de zin van de Opvangrichtlijn dezelfde betekenis heeft als een asielverzoek in de zin van de Procedurerichtlijn ligt het voor de hand dat dat ook geldt voor asielverzoeken in de zin van de Eurodacverordening en de Dublinverordening.
Artikel 4 lid 2 van de Dublinverordening bepaalt wanneer een asielverzoek geacht wordt te zijn ingediend. De Dublinverordening bepaalt niet hoe een asielverzoek moet worden ingediend. Dat werd overgelaten aan het nationale recht dat inmiddels wordt gereguleerd door de Procedurerichtlijn. [Hemme Battjes, European Asylum Law and International Law, 2006, ISBN 9004150870, blz 291]
Artikel 6 lid 1 van de Procedurerichtlijn bepaalt dat lidstaten kunnen voorschrijven dat asielverzoeken persoonlijk en/of op een aangewezen plaats moeten worden ingediend. Nederland heeft van de mogelijkheid gebruik gemaakt en artikel 6 lid 1 van de Procedurerichtlijn geïmplementeerd in artikel 36 van de Vreemdelingenwet, artikel 3.108 van het Vreemdelingenbesluit en artikel 3.42 van het Voorschrift Vreemdelingen [30976 nr 3, Memorie van Toelichting, Transponeringstabel].
Artikel 36 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat een asielaanvraag wordt ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijke vertegenwoordiger, artikel 3.108 van het Vreemdelingenbesluit dat een aanvraagformulier bij ministeriele regeling wordt vastgesteld [Model i] en dat de asielaanvraag in persoon wordt ingediend op een bij ministeriële regeling te bepalen plaats en artikel 3.42 van het Voorschrift Vreemelingen dat de asielaanvraag wordt ingediend in het Aanmeldcentrum te Den Bosch, Ter Apel of Zevenaar.
Uit het voorgaande volgt IMHO dat een asielverzoek geacht wordt te zijn ingediend nadat een asielzoekende vreemdeling in Aanmeldcentrum Den Bosch, Ter Apel of Zevenaar een formulier Model i heeft ingevuld en ondertekend en dat pas daarna kan worden aangevangen met Eurodac- en Dublinonderzoek.
Daarna hoeft echter niet meer te worden aangevangen met Eurodac- en Dublinonderzoek omdat de asielzoekende vreemdeling in de Rust- en voorbereidingstermijn rechtmatig verblijf genoot op grond van artikel 8m van de Vreemdelingenwet welk verblijf geacht wordt te vallen onder de definitie van verblijfstitel in de zin van artikel 2j van de Dublinverordening en door welk verblijf Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag [vergelijk ABRS, 12 juli 2010, 201000724/1/V3 (Art 64 Vw jo art 8j Vw = art 2j DVo)].
zaterdag 3 juli 2010
Indiening & behandeling van een asielaanvraag van een van zijn vrijheid ontnomen vreemdeling
Artikel 3.108 Vb 2000 bepaalt dat een asielaanvraag in persoon wordt ingediend op een bij ministeriele regeling bepaalde plaats en dat in afwijking daarvan de asielaanvraag van een in bewaring gestelde vreemdeling wordt ingediend op de plaats waar devreemdelingenbewaring ten uitvoer wordt gelegd.
Artikel 5.4 Vb 2000 bepaalt voorzover van belang dat vreemdelingenbewaring ten uitvoer kan worden gelegd in een ruimte of plaats als bedoeld in artikel 6 lid 2 Vw 2000.
Uit artikel 6 lid 3 Vw jo artikel 1 van het Reglement Regime Grenslogies volgt dat een ruimte of plaats als bedoeld in artikel 6 lid 2 Vw 2000 als zodanig dient te zijn aangewezen [vergelijk Rtb DH zp A'dam, 19 oktober 1995, Awb 95/5259, LJN ZA6084].
Voorzover ik na kan gaan is AC Schiphol niet als zodanig aangewezen als ruimte of plaats in de zin van artikel 6 lid 2 Vw 2000 zodat in AC Schiphol vreemelingenbewaring niet ten uitvoer kan worden gelegd.
In artikel 3.116 Vb 2000 zoals dat luidde vóór 1 juli 2010 was de voornemensprocedure neergelegd voor de in bewaring gestelde vreemdeling in het geval de bewindspersoon niet voornemens was de aanvraag af te wijzen binnen 48 procesuren.
Paragraaf C11/2.1 Vc 2000 zoals dat luidde vóór 1 juli 2010 bepaalde dat door de immigratie- en naturalisatiedienst kon worden besloten om een van zijn vrijheid ontnomen asielzoekende vreemdeling voor de indiening van de aanvraag over te plaatsen naar het AC Schiphol.
Kon worden besloten? Op grond van welk wettelijk voorschrift?
Het inzicht komt wat laat maar komt nog wel van pas.
Het nieuwe artikel 3.117 Vb bepaalt dat de AAP-termijnen niet van toepassing zijn op de aanvrag van een in bewaring gestelde vreemdeling tenzij de asielaanvraag wordt ingediend in een aanmeldcentrum. Een asielaanvraag kan alleen maar worden ingediend indien dat aanmeldcentrum is aangwezen als grenslogies. Er van uitgaande dat de aanmeldcentra als zodanig niet zijn aangwezen als grenslogies kunnen asielaanvragen van in bewaring gestele vreemdelingen niet worden behandeld in een aanmeldcentrum.
zondag 7 februari 2010
Nieuwe asielprocedure: spoedeisend belang & belang bij spoedige behandeling
De nieuwe asielprocedure, in essentie een opgepimpte AC procedure, houdt onder meer het volgende in:
De 'verbetermaatregel' van een vertrektermijn van 4 weken wordt ingevoerd omdat het onwenselijk wordt geacht dat asielzoekers wier asielaanvraag is afgewezen geen recht hebben op opvang in afwachting van de behandeling van het door hen ingediende verzoek om een voorlopige voorziening teneinde uitzetting te voorkomen [31994 nr 3 MvT paragraaf 2.1].
Op dit moment is het zo dat voorzieningenrechters van rechtbanken om humanitaire redenen verzoeken om een voorlopige voorziening in zaken waarin binnen 48 procesuren een asielaanvraag is afgewezen met voorrang behandelen. Die humanitaire redenen zijn gelegen in de omstandigheid dat asielzoekers wier aanvraag binnen 48 procesuren is afgewezen geen vertrektermijn hebben en derhalve ook geen recht op opvang.
Door koppeling van opvang aan een vertrektermijn van 4 weken zou volgens de Raad voor de rechtspraak [Wetgevingsadvies 2008/18, 15 mei 2008; zie ook Wetgevingsadvies 2009/09, 19 maart 2009 )] het belang bij een behandeling met voorrang van een verzoek om een voorlopige voorziening behouden blijven [31994 nr 3; 31994 nr 6; 31994 nr 25].
Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [bijvoorbeeld ABRS, 19 januari 2010, 201000133/2/V1] en tegenwoordig ook eerstelijnsrechters [bijvoorbeeld Vzr Rtb DH zp DB, 17 december 2009, Awb 09/40361, LJN BK8531; Vzr Rtb DH zp DB, 27 augustus 2009, Awb 09/24172, LJN BK3233; Vzr Rtb DH zp A'dam, 3november 2009, Awb 09/24943, LJN BK3140; Vzr Rtb DH zp A'dam,20 oktober 2009, Awb 09/19115, LJN BK2231] volgt dat de omstandigheid dat een besluit voor uitvoering vatbaar is geen spoedeisend belang oplevert alsbedoeld in artikel 8:81 Awb.
Indien een verzoek om een voorlopige voorziening voor afwijzing vatbaar is vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang, wat is dan nog het belang bij een spoedige behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend door een asielverzoeker die nog in de opvang zit en die niet wordt uitgezet in afwachting van de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Het spoedeisend belang bij de voorlopige voorziening en het belang bij een spoedige behandeling van die voorlopige voorziening ontstaat op zijn vroegst bij verlopen van de vertrektermijn en de beëindiging van opvang.
De Staatssecretaris van Justitie gaat er van uit dat een afgwezen asielverzoek binnen 4 weken door een rechter kan zijn beoordeeld. Het is de vraag of dat optimisme gerechtvaardigd is.