Posts tonen met het label 'n Gewaarschuwd Zuster. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 'n Gewaarschuwd Zuster. Alle posts tonen

woensdag 9 juni 2010

Ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen

Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen   (29934) in werking getreden.  Een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan is gebreke is en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Het is niet duidelijk of bij het ontbreken van een schriftelijke ingebrekestelling dat verzuim kan worden hersteld met toepassing van artikel 6:6 Awb [zie bijvoorbeeld ABRS, 27 mei 2010, 201002387/1/V2].

Een formulier ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen is te vinden op de website van de immigratie en natruralisatiedienst.

De 'automatische' dwangsomregeling van paragraaf  4.1.32 van de Algemene Wet Bestuursrecht overigens is alleen van toepassing op aanvragen ingediend na 1 oktober 2009 en tot 1 oktober 2012 niet van toepassing op beschikkingen genomen [onder meer] op grond van de Vreemdelingenwet.

woensdag 23 september 2009

Rechtsmiddelenaanwending na uitzetting

Een rechtsmiddel aangewend door een daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat is niet ontvankelijk indien dat rechtsmiddel is aangewend na uitzetting van de betrokken vreemdeling en met die vreemdeling na diens uitzetting geen contact meer is onderhouden. Dat kan worden opgemaakt uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtpraak Raad van State [hierna: Afdeling] van 31 maart 2009 en 7 september 2009 [ABRS, 31 maart 2009, 200808378/1/V2, JV 2009/285 nt F.A.W. Banier; ABRS, 7 september 2009, 200906140/1/V1].

In de uitspraak van 7 september 2009 neemt de Afdeling in aanmerking dat niet is gesteld dat het onmogelijk was zodanige voorzieningen te treffen dat na de uitzetting nog contact zou kunnen zijn onderhouden. Gelet op de vandaag de dag bestaande mogelijkheden om wereldwijd contact te onderhouden lijkt zo'n situatie nauwelijks denkbaar behalve misschien in het geval van een vreemdeling wiens vrijheid na zijn uitzetting is ontnomen waarbij hem contact met de buitenwereld wordt onthouden.

Een machtiging bij voorbaat voldoet niet omdat volgens de Afdeling uit artikel 70 lid 1 Vw 2000 volgt dat de volmacht afzonderlijk per instantie moet worden verleend en niet in het algemeen voor alle nog aan te wenden rechtsmiddelen kan worden verleend. Volgens Floris Bannier in zijn noot bij de uitspraak van 31 maart 2009 valt een specifieke machtiging bij voorbaat voor een bepaald aan te wenden rechtsmiddel onder het bereik van artikel 70 lid 1 Vw 2000. Hij vraagt zich echter tegelijktijd af of een dergelijke machtiging door de Kneuterdijkse beugel kan. Dat vraag ik mij eerlijk gezegd ook af.

Kortom: zorg voor een mogelijkheid tot het onderhouden van contact na uitzetting!

vrijdag 28 augustus 2009

ABRS, 10 agustus 2009, 200905146/1/V3: Onvolledige uitspraak

Bij het hoger-beroepschrift is een afschrift van de uitspraak, waarop hetgeschil betrekking heeft, overgelegd, waarvan de dragende overwegingenwaartegen de grieven zijn gericht door arcering deels niet leesbaar zijn. Gesteld nog gebleken is dat het niet mogelijk was een volledig leesbaar afschrift van deuitspraak te overleggen.
[ABRS, 27 februari 2009, 200709093/1, MigratieWeb ve08000440; hoger beroep niet ontvankelijk, sinds deze uitspraak is bij ons het gebruik van markeerstiften streng verboden].

Indien in hoger beroep de bestreden uitspraak [deels] niet wordt overgelegd of onleesbaar is verklaart de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] het hoger beroep met een verwijzing naar artikel 6.5 lid 2 Awb jo artikel 6.24 Awb jo artikel 85 lid 3 Vw 2000 niet ontvankelijk.

Wat nu indien een appellerende vreemdeling een aangevallen uitspraak in strijd met artikel 8:79 Awb niet volledig [CRvB, 20 mei 2003, 01/557 WAO + 01/752 WAO, LJN : AF9327; via ISBN 9789013054224, paragraaf 4.8.3] van de rechtbank heeft ontvangen? Bijvoorbeeld omdat een of meer maar niet alle bladzijden ontbreken of omdat een of meer maar niet alle bladzijden op een andere zaak betrekking hebben.

Tot voor kort leek dat te leiden tot [ambtshalve?] vernietiging van de [onvolledige] uitspraak [ABRS, 26 maart 2003, 200301130/1 (Migratieweb)].

In een uitspraak van 10 augustus 2009 overweegt de Afdeling echter dat geen rechtvaardiging voor het niet overleggen van een volledige uitspraak is gelegen in het door vreemdeling gestelde feit dat de rechtbank geen volledig exemplaar van de aangevallen uitspraak heeft verzonden aangezien de vreemdeling eerst na afloop van de termijn voor het indienen van een hoger-beroepschrift de rechtbank heeft verzocht hem alsnog een volledig exemplaar toe te zenden [ABRS, 10 augustus 2009, 200905146/1/V3].

Het is niet duidelijk of de appellerende vreemdeling gegriefd heeft over schending van artikel 8:79 Awb. Ik vraag me af of dat verschil zou hebben uitgemaakt.

dinsdag 16 december 2008

Artikel 15c DRi: omvang bescherming & (on)geloofwaardigheid asielrelaas

Op 3 december 2008 [ABRS, 3 december 2008, 200805013/1 ] heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna Afdeling] een (nieuwe) poging van de Staatssecretaris van Justitie om de Afdeling ervan te overtuigen dat artikel 15c DRi geen ruimere bescherming biedt dat de b-grond van artikel 29 lid 1 Vw gepeekt.

Dat de Afdeling aan het standpunt van de Staatssecretaris van Justitie over artikel 15c DRi vooralsnog voorbijgaat kan ook worden opgemaakt uit zaken van appellerende vreemdelingen (teveel om hier op te noemen) waarin een beroep op 15c DRi wordt gepasseerd omdat het binnenlands gewapend conflict niet is onderbouwd, aannemelijk gemaakt (1e aanvraag) of aangetoond (herhaalde aanvraag) en/of uit zaken van appellerende vreemdelingen waaruit kan worden opgemaakt dat voor een geslaagd beroep op artikel 15c DRi de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet relevant is [ABRS, 3 december 2003, 200803237/1; ABRS, 26 november 2008, 200801128/1].

Zolang een beroep op artikel 15c DRi in de ruime zin nog openstaat zal imho wel harder moeten worden gewerkt aan de onderbouwing van het binnenlands gewapend conflict.

maandag 6 oktober 2008

Binnenlands gewapend conflict [art 15c DRi]: aantonen of aannemelijk maken

Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] volgt dat een asielzoekende vreemdeling die een beroep doet op artikel 15c DRi een binnenlands gewapend conflict [woedende ten tijde van de beslissing op de aanvraag] aannemelijk moet maken indien hij een eerste asielaanvraag indient [ABRS, 29 februari 2008, 200800064/1; ABRS, 20 augustus 2008, 200708962/1; ABRS, 5 september 2008, 200804650/1; ABRS, 5 september 2008, 200803666/1] en dat hij zo'n conflict moet aantonen indien hij een herhaalde novaloze asielaanvraag indient [ABRS, 29 februari 2008, 200703963/1; ABRS, 3 april 2008, 200701108; ABRS, 16 mei 2008, 200702830/1; ABRS 4 juni 2008, 200800966/1; ABRS, 3 september 2008, 200706912/1; ABRS, 15 september 2008, 200802482/1; ABRS, 19 september 2008, 200706934/1].

Uit de rechtspraak van de Afdeling kan voorts worden opgemaakt dat het aannemelijk maken en aantonen van een binnenlands gewapend conflict voor verbetering vatbaar is. Onderbouwing ontbreekt, is gedateerd of heeft betrekking op mensenrechtenschendingen in plaats van op [aanhoudende en samenhangende (zie noot Maarten den Heijer bij ABRS, 20 juli 2007, 200608939/1, JV 2007/442)] militaire operaties.

Een gewaarschuwd Zuster van Liefde telt voor twee.

woensdag 24 september 2008

Zicht op uitzetting naar China

Op 5 september 2008 deed de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak onder meer in twee 'Chinese' bewaringszaken. In de ene zaak [ABRS, 5 september 2008, 200806027/1] verklaarde de Afdeling het hoger beroep van de Staatssecretaris van Justitie ongegrond, in de andere zaak [ABRS, 5 september 2008, 200805982/1] verklaarde de Afdeling het hoger beroep van de Staatssecretaris van Justitie gegrond en vervolgens het bewaringsberoep gegrond.

In beide zaken stonden de diplomatieke en politieke inspanningen van de Staatssecretaris van Justitie om vreemdelingen van Chinese nationaliteit uit te zetten naar hun land van herkomst [min of meer] centraal.

In de zaak waarin de Afdeling het hoger beroep van de Staatssecretaris van Justitie ongegrond verklaarde had de Staatssecretaris van Justitie ter zitting van de rechtbank Den Haag nzp Maastricht van 28 juli 2008 gewezen op een bewindspersonenoverleg van 9 mei 2008, op een interdepartementaal overleg van 17 juli 2008, op een voornemen van de vaste Kamercommissie van 28 mei 2008 om in gesprek te gaan met de ambassadeur van China en op informele overleggen 'in Den Haag'.

Ter zitting bleek voorts dat de stagnatie van de afgifte van de LP's na 9 mei 2008 niet meer ter sprake was gebracht van de Chinese autoriteiten, dat het interdepartementaal overleg niet tot resultaten had geleid, dat niet bekend was wanneer de vaste Kamercommissie haar voornemen zou verwezenlijken en dat evenmin bekend was wie bij de informele overleggen betrokken waren geweest en wat daar was besproken.

Op basis van die informatie en met een verwijzing naar een eerdere uitspraak van 29 mei 2008 [Rtb DH nzp Maastricht, 29 mei 2008, Awb 08/15146, LJN BD3046] waarin de Staatssecetaris van Justitie 2 maanden was gegund om de stagnatie in de afgifte van LP's door de Chinese autoriteiten te doorbreken concludeerde de rechtbank dat zicht op uitzetting ontbrak. Die conclusie kon door de Kneuterdijkse beugel.

In de zaak waarin de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaarde concludeerde de rechtbank Den Haag nzp Den Bosch op basis van informatie van de Staatssecretaris van Jusitie over diplomatieke en politieke inspanningen die niet wezenlijk verschilde van informatie die had geleid tot een uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2008 [ABRS, 6 augustus 2008, 200805059/1] dat zicht op uitzetting ontbrak. Die conclusie kon niet door de Kneuterdijkse beugel.

Ter zitting van de Afdeling van 21 augustus 2008 wees de Staatssecretaris van Justitie op een bewindspersonenoverleg van 9 mei 2008, op een gesprek op 27 mei 2008 met de Chinese vice-Minister van Justitie tijdens diens bezoek aan Nederland, op een interdepartementaal overleg van 17 juli 2008, op een voornemen van de vaste Kamercommissie van 28 mei 2008 om in gesprek te gaan met de ambassadeur van China, op een gesprek op 10 augustus 2008 tussen de minister-president en de premier van China, op een gesprek op 22 augustus 2008 tussen de DT&V en de ambassadeur van China en op een bezoek in oktober 2008 van de minister-president aan China.

Ter zitting bleek de Staatssecretaris van Justitie voorts over de inhoud van voornoemde gesprekken en de termijn waarbinnen een verandering in de houding van de Chinese autoriteiten mocht worden verwacht geen helderheid te kunnen verschaffen.

Op basis van die informatie concludeerde de Afdeling dat zicht op uitzetting ontbrak.

Op 9 september 2008 [ABRS, 9 september 2008, 200806142/1] en 11 september 2008 [ABRS 11 september 2008, 200806475/1] verklaarde de Afdeling hoger beroepen van Chinese vreemdelingen in bewaringszaken met een verwijzing onder meer naar de eerder genoemde uitspraak van 6 augustus 2008 ongegrond. In die zaken lijken geen of onvoldoende gronden en grieven naar voren te zijn gebracht betrekking hebbende op de diplomatieke en politieke inspanningen van de Staatssecretaris van Justitie om vreemdelingen van Chinese nationaliteit uit te zetten naar hun land van herkomst.

Zie ook de antwoorden van de Staatssecretaris van Justitie ban 15 september 2008 op kamervragen van 9 september 2008 over vreemdelingenbewaring van Chinese vreemdelingen [Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, 15 september 2008].

zondag 27 juli 2008

ABRS, 2 juli 2008, 200803711/1 & ABRS, 11 juli 2008, 200800203/1: Geen herhaalde aanvraag, wel een dooie mus

Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] 19 december 2005 [ABRS, 19 december 2005, 200509677/1, JV 2006/49], 2 juli 2008 [ABRS, 2juli 2008, 200803711] en 11 juli 2008 [ABRS, 11 juli 2008, 200800203/1] kan worden uitgemaakt dat er sprake is van gewijzigd recht (landenbeleid) en dus van een 'eerste' afwijzing indien in een eerdere asielprocedure de gestelde nationaliteit van de asielzoekende vreemdeling onbestreden is gebleven.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2005 kan worden opgemaakt dat in zo'n geval het de Staatssecetaris van Justitie vrij staat om in het kader van de beoordeling van nieuwe aanvraag te bezien of hij de door de asielzoekende vreemdeling gestelde gestelde nationaliteit geloofwaardig acht.

In de zaak waarover de Afdeling op 2 juli 2008 oordeelde was door de asielzoekende vreemdelinge bij de nieuwe aanvraag een verklaring overgelegd van het directoraat-generaal burgerregister van haar land van herkomst waaruit bleek dat zij niet voorkomt in het geboorteregister in haar land van herkomst. Reden waarom aan de gestelde nationaliteit van de asielzoekende vreemdelinge alsnog geen geloof meer werd gehecht.

In de zaak waarover de Afdeling op 1 juli 2008 oordeelde was een taalanalyse uitgevoerd omdat kennelijk twijfel was ontstaan over de gestelde nationaliteit van de asielzoekende vreemdeling [onduidelijk is op basis waarvan, maar zie ABRS, 12 september 2007, 200703538/1, ro 2.2.4 & ABRS, 11 maart 2008, 200707187, ro 2.2.3] en kon de uitkomst van de taalanalyse die twijfel niet wegnemen. Omdat de asiezoekende vreemdeling niet had voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van uitstel van het indienen van een rapport contraexpertise [zie ook: ABRS, 11 juli 2008, 200801021/1] werd alsnog geen geloof meer gehecht aan de gestelde nationaliteit van de asielzoekende vreemdeling.

Een gewaarschuwd Zuster van Liefde telt voor twee.

maandag 23 juni 2008

ABRS, 9 juni 2008, 200708173 & 200706131: GeMAPPt & [On]gehoord in het AC

Uit een tweetal uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna Afdeling] gedaan op 9 juni 2008 [ABRS, 9 juni 2008, 200708173, LJN BD4766; ABRS, 9 juni 2008 200706131, LJN BD4407] wordt [eindelijk] duidelijk dat in de AC procedure de arts of de verpleegkundige van de GG&GD een geheel andere vraag beantwoordt dan het Meldpunt Asielzoekers met Psychische Problemen [hierna MAPP].

De GG&GD onderzoekt of psychische problemen aan het horen van een asielzoekende vreemdeling in de weg staan. Het MAPP onderzoekt in hoeverre een asielzoekende vreemdeling vanwege zijn psychische toestand in staat moet worden geacht tijdens het horen coherente en consistente verklaringen af te leggen. De Staatssecretaris van Justitie betrekt de MAPP rapportage bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas van een asielzoekende vreemdeling.

Voorheen leek de GG&GD de onderzoeksvraag van het MAPP [soms] wel te betrekken bij de vraag of een asielzoekende vreemdeling kon worden gehoord [LJNR 2007-201, mr G.W.J. Oosterholt, Meldpunt asielzoekers met psychische problemen maakt school, blz 861; bijvoorbeeld Rtb DH nzp Amsterdam, 16 augustus 2007, Awb 07/30202 & Awb 07/30206, ro 11 (gepeekt: ABRS, 11 september 2007, 200706051/1)].

In de periode van juni 2006 tot 1 mei 2007 heeft het MAPP in 118 gevallen onderzoek verricht en is de asielzoekende vreemdeling in 93 daarvan doorgestuurd naar de 'normale' procedure [NAV 2007/4, mr R. Bruin & mr M. Reneman, ‘Psychische problemen in kaart. Het MAPP en het vermogen om coherent en consistent te verklaren’, blz 254 ev]. Het is de vraag of asielzoekende vreemdelingen die zijn geMAPPt doorgestuurd blijven worden nu de MAPP rapportage aan de mogelijkheid om een asielzoekende vreemdeling te horen niet afdoet en de MAPP rapportage wordt betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het resultaat van het horen.

De tijd zal het leren.

Uit het tweetal uitspraken wordt ook duidelijk dat MAPP rapportage via de zijdeur wordt afgevoerd indien de rapportage niet verklaart waarom een asielzoekende vreemdeling onvoldoende informatie verstrekt over over huis, tuin &keukenkwesties (200706131) en/of indien de op de aan de kwaliteit van de verklaringen afbreuk doende omstandigheid niet aanwezig wordt geacht (200708173).

Een gewaarschuwd Zuster van Liefde telt voor twee.

woensdag 27 februari 2008

GeDublind Op Een Artikel 2.2 Vb Afschrift Van Een Paspoort Met Visum

Kan een artikel 2.2 Vb afschrift van een reisdocument met een visum daarin ten grondslag worden gelegd aan een Dublinclaim op grond van artikel 9 lid 2 DV?

Doel van de in artikel 4 Vw jo artikel 2.2 Vb neergelegde afschriftverplichting voor vervoerders is gelegen in bestrijding van illegale immigratie en betere grenscontroles. Dat volgt uit de plaatsing van voornoemde bepalingen in de respectievelijke regelingen (‘Toegang’). Dat volgt ook uit de preambule van Richtlijn 2004/82/EG van 29 april 2004 (gebaseerd op artikel 62 lid 2 EG Verdrag en artikel 63 lid 3 EG Verdrag) die vergelijkbare verplichtingen voor vervoerders als de afschriftverplichting in het leven roept.

Doel van de afschriftverplichting is niet het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van een asielaanvraag (gebaseerd op artikel 63 lid 1a EG Verdrag). Indien een artikel 2.2 Vb afschrift van een reisdocument aan een Dublinclaim ten grondslag wordt gelegd dan wordt het afschrift ten onrechte gebruikt voor een doel waarvoor het niet in het leven is geroepen.

Artikel 9 lid 2 DV bepaalt dat wanneer een asielzoekende vreemdeling houder is van een geldig visum de lidstaat die dit visum heeft afgegeven verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Artikel 18 lid 2 DV bepaalt dat voor de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat bewijsmiddelen en indirecte bewijzen worden gebruikt. Artikel 18 lid 3 DV bepaalt dat bewijsmiddelen formele bewijzen zijn en indirecte bewijzen weerlegbare aanwijzingen. Artikel 18 lid 3 DV bepaalt voorts dat lijsten worden opgesteld waarin bewijsmiddelen en indirecte bewijzen worden vermeld. Die lijsten zijn opgesteld en te vinden in Bijlage III DUV.

Een afschrift van een reisdocument wordt niet vermeld als bewijsmiddel voor een visum in Bijlage III DUV. Een afschrift van een reisdocument wordt evenmin vermeld als een indirect bewijs van een visum in Bijlage III DUV. Onder meer gedetailleerde en verifieerbare verklaringen van een asielzoekende vreemdelingen gelden overigens wel als indirect bewijs voor een visum. Een gewaarschuwd asielzoekende vreemdeling (& ook zijn Zuster van Liefde) telt voor twee.

Een artikel 2.2 Vb afschrift van een reisdocument lijkt niet ten grondslag te kunnen worden gelegd aan een Dublinclaim op grond van artikel 9 lid 2 DV.