In welk geval moet de Minister van Buitenlandse Zaken worden verzocht om aan een individueel ambtsbericht ten grondslag liggende stukken te overleggen.
Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] van 13 november 2003 en 13 maart 2007 kan worden opgemaakt dat indien concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van een individueel ambtsbericht ontbreken de onderliggende stukken moeten worden opgevraagd [ABRS, 13 november 2003, 200303907/1, JV 2004/22; ABRS, 13 maart 2007, 200607845/1, LJN BA1217, ro 2.1.1].
Uit uitspraken van de Afdeling van 16 januari 2004 en 29 januari 2004 kan echter worden opgemaakt dat indien die concrete aanknopingspunten ontbreken de onderliggende stukken niet hoeven te worden opgevraagd [ABRS, 16 januari 2004, 200305368/1, JV 2004/83; ABRS, 29 januari 2004, 200306578/1, JV 2004/133].
Er is mij geen latere rechtspraak bekend waarin de knoop wordt doorgehakt. Misschien moeten we er eens op gaan grieven.
Posts tonen met het label Ambtsberichten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ambtsberichten. Alle posts tonen
maandag 21 september 2009
zondag 7 december 2008
ABRS 19 november 2008 200802818/1&3: Artikel 8:45 Awb
Sinds 1 januari 2008 heeft de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] maar liefst 6 verzoeken om een voorlopige voorziening (uitzettingsverbod) van asielzoekende vreemdelingen toegewezen. In 4 bodemzaken is het hoger beroep inmiddels gepeekt, in de andere 2 bodemzaken wordt daar nog op gewacht.
In een van voornoemde 4 bodemzaken is aan het peken een verzoek door de Afdeling om onderliggende stukken van een individueel ambtsbericht vooraf gegaan [ABRS, 19 november 2008, 200802818/1 (bodem), 200802818/3 (vovo)].
Het gaat in die zaak om asielzoekende vreemdelingen uit Colombia die (overheids)documenten hadden overgelegd die volgens een individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken vals bevonden waren. In beroep waren wederom (overheids)documenten overgelegd die de authenticiteit van de vals bevonden documenten bevestigden.
De zaak lijkt op die waarover de Afdeling op 1 oktober 2008 oordeelde [ABRS, 1 oktober 2008, 200801087/1; zie ook hier] maar verschilt daarvan in die zin dat de (overheids)documenten overgelegd ter staving van de authenticiteit van vals bevonden (overheids)documenten niet van een apostille of iets dergelijks waren voorzien, ook niet in hoger beroep. In zo'n geval is er kennelijk geen sprake van aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van een individueel ambtsbericht.
Uit uitspraken van de Afdeling van 13 november 2003 [ABRS, 13 november 2003, 200303907/1, JV 2004/22] en 13 maart 2007 [ABRS, 13 maart 2007, 200607845/1, LJN BA1217] kan worden opgemaakt dat indien concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van een individueel ambtsbericht ontbreken de rechterlijke toetsing van dat individuele ambtsbericht in beginsel beperkt is tot de vraag of het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, onder aanduiding van - voorzover mogelijk en verantwoord - de bronnen waaraan die informatie is ontleend [anders: ABRS, 16 januari 2004, 200305368/1, JV 2004/83; ABRS, 29 januari 2004, 200306578/1, JV 2004/133].
Zou het kunnen zijn dat het verzoek om een voorlopige voorziening werd toegewezen omdat de rechtbank nagelaten had het individuele ambtsbericht te toetsen op de door de Afdeling voorgeschreven wijze?
[Update 090318: Vergelijk ABRS, 26 februari 2009, 200900543/2/V1]
In een van voornoemde 4 bodemzaken is aan het peken een verzoek door de Afdeling om onderliggende stukken van een individueel ambtsbericht vooraf gegaan [ABRS, 19 november 2008, 200802818/1 (bodem), 200802818/3 (vovo)].
Het gaat in die zaak om asielzoekende vreemdelingen uit Colombia die (overheids)documenten hadden overgelegd die volgens een individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken vals bevonden waren. In beroep waren wederom (overheids)documenten overgelegd die de authenticiteit van de vals bevonden documenten bevestigden.
De zaak lijkt op die waarover de Afdeling op 1 oktober 2008 oordeelde [ABRS, 1 oktober 2008, 200801087/1; zie ook hier] maar verschilt daarvan in die zin dat de (overheids)documenten overgelegd ter staving van de authenticiteit van vals bevonden (overheids)documenten niet van een apostille of iets dergelijks waren voorzien, ook niet in hoger beroep. In zo'n geval is er kennelijk geen sprake van aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van een individueel ambtsbericht.
Uit uitspraken van de Afdeling van 13 november 2003 [ABRS, 13 november 2003, 200303907/1, JV 2004/22] en 13 maart 2007 [ABRS, 13 maart 2007, 200607845/1, LJN BA1217] kan worden opgemaakt dat indien concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van een individueel ambtsbericht ontbreken de rechterlijke toetsing van dat individuele ambtsbericht in beginsel beperkt is tot de vraag of het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, onder aanduiding van - voorzover mogelijk en verantwoord - de bronnen waaraan die informatie is ontleend [anders: ABRS, 16 januari 2004, 200305368/1, JV 2004/83; ABRS, 29 januari 2004, 200306578/1, JV 2004/133].
Zou het kunnen zijn dat het verzoek om een voorlopige voorziening werd toegewezen omdat de rechtbank nagelaten had het individuele ambtsbericht te toetsen op de door de Afdeling voorgeschreven wijze?
[Update 090318: Vergelijk ABRS, 26 februari 2009, 200900543/2/V1]
woensdag 26 november 2008
ABRS 12 november 2008 200803870/1: UNHCR Notitie over KhAD/WAD
In een uitspraak in een AC-zaak van een Afghaanse 1F'er die een nieuwe aanvraag indiende overwoog de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage nzp Arnhem [hierna: voorzieningenrechter] op 20 mei 2008 [Vz Rtb DH zp Arnhem, 20 mei 2008, Awb 08/13571] mede over de door de Afghaanse 1F'er ingebrachte notitie van de UNHCR 'Note on the Structure and Operation of the KhAD/WAD in Afghanistan 1978-1992' van mei 2008 in rechtsoverweging 1.2:
De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] 'hertaalde', om met mr Thomas Spijkerboer te spreken [zie noot mr TS bij ABRS, 13 mei 2005, JV 2005/255], deze overweging in een uitspraak van 12 november 2008 [ABRS, 12 november 2008, 200803870/1] als volgt:
De voorzieningenrechter hinkte met betrekking tot de notitie van de UNHCR op 2 onvaste benen en benaderde de notitie enerzijds als een [concreet] aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambstbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over veiligheidsdiensten in Afghanistan en anderzijds als een nieuw feit waarvan niet bij voorbaat is uitgesloten dat het af kan doen aan een eerder besluit.
De Afdeling maakt in de uitspraak van 12 november 2008 duidelijk dat van een concreet aanknopingspunt voor twijfel [nog?] geen sprake is.
Overigens is het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de notitie in overleg getreden met onder meer de UNHCR Kabul [31700 VI, nr. 6, pagina 30; 31700 VI, nr. 18, pagina 12 (via http://www.overheid.nl/op)]. Het is niet duidelijk of daaraan een verzoek van de Staatssecretaris van Justitie ten grondslag ligt maar het begint er op te lijken dat de notitie toch twijfel heeft doen oproepen.
Opmerkelijk is dat de Staatssecretaris van Justitie in de hitte van het overleg over de notitie van de UNHCR op 9 oktober 2008 verwijst naar 'de' uitspraak van de rechtbank van 14 juli 2008 [bedoeld wordt denk ik Rtb DH zp DB, 14 juli 2008, Awb 08/2653, LJN Bd8298] waarin de rechtbank oordeelt dat de notitie van de UNHCR geen concrete aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht [31700 VI, nr. 18, pagina 13]. Zou ze toen niet hebben geweten van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2008? & zou ze nu al weten van de peek van 12 november 2008?
Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker met deze gegevens feiten en omstandigheden heeft aangedragen die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Gelet op de inhoud van deze stukken kan, nu een en ander gerede twijfel doet rijzen omtrent de volledigheid en juistheid van het deelambtsbericht[van de Minister van Buitenlandse Zaken van februari 2000 over veiligheidsdiensten in Afganistan,ZvL], niet worden gesteld dat deze stukken niet kunnen afdoen aan het eerdere besluit en ds overwegingen waarop het berust. (...) Gelet voorts op deze notitie van de UNHCR alsmede het feit dat verweerder een notitie over (Afghaanse) 1F-zaken in voorbereiding heeft, waarbij, naar de voorzieningen rechter veronderstelt, deze notitie zeker zal worden meegenomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder deze zaak niet heeft kunnen afdoen in een AC-procedure.
De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] 'hertaalde', om met mr Thomas Spijkerboer te spreken [zie noot mr TS bij ABRS, 13 mei 2005, JV 2005/255], deze overweging in een uitspraak van 12 november 2008 [ABRS, 12 november 2008, 200803870/1] als volgt:
De Afdeling verstaat de aangevallen uitspraak aldus, dat de voorzieningenrechter aan de vernietiging van het besluit kennelijk ten grondslag heeft gelegd dat de "Note on the Structure and Operation of the [weer zo'n rare anonimisering van de Afdeling, ZvL] Afghanistan 1978-1992" van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR-Note) gedateerd 13 mei 2008, een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is, zoals bedoeld in de vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, {...}) en het besluit, gelet op de aard en strekking van de UNHCR-Note en de omstandigheid dat de staatssecretaris een notitie over (Afghaanse) IF-zaken in voorbereiding heeft waarbij de UNHCR-Note zal worden betrokken, derhalve niet in de zogenoemde AC-procedure kon worden genomen.& peekte vervolgens het hoger beroep van de Staatssecretaris van Justitie.
De voorzieningenrechter hinkte met betrekking tot de notitie van de UNHCR op 2 onvaste benen en benaderde de notitie enerzijds als een [concreet] aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambstbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over veiligheidsdiensten in Afghanistan en anderzijds als een nieuw feit waarvan niet bij voorbaat is uitgesloten dat het af kan doen aan een eerder besluit.
De Afdeling maakt in de uitspraak van 12 november 2008 duidelijk dat van een concreet aanknopingspunt voor twijfel [nog?] geen sprake is.
Overigens is het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de notitie in overleg getreden met onder meer de UNHCR Kabul [31700 VI, nr. 6, pagina 30; 31700 VI, nr. 18, pagina 12 (via http://www.overheid.nl/op)]. Het is niet duidelijk of daaraan een verzoek van de Staatssecretaris van Justitie ten grondslag ligt maar het begint er op te lijken dat de notitie toch twijfel heeft doen oproepen.
Opmerkelijk is dat de Staatssecretaris van Justitie in de hitte van het overleg over de notitie van de UNHCR op 9 oktober 2008 verwijst naar 'de' uitspraak van de rechtbank van 14 juli 2008 [bedoeld wordt denk ik Rtb DH zp DB, 14 juli 2008, Awb 08/2653, LJN Bd8298] waarin de rechtbank oordeelt dat de notitie van de UNHCR geen concrete aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht [31700 VI, nr. 18, pagina 13]. Zou ze toen niet hebben geweten van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2008? & zou ze nu al weten van de peek van 12 november 2008?
woensdag 15 oktober 2008
ABRS 1 oktober 2008 200801087/1: Concrete aanknopingpunten voor twijfel
Volgens een individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken zijn twee door de asielzoekende X overgelegde verklaringen van A, een Colombiaanse overheidsfunctionaris, waarin staat dat X gevaar loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst, vals. Na schorsing van het onderzoek ter zitting worden verklaringen van overheidsfunctionaris B overgelegd, van een vergelijkbare strekking als die van A, alsmede een document waarin wordt verklaard wie B is en welke functie door haar wordt vervuld. In geschil is of de verklaringen voorzien zijn van apostilles.
De meervoudige kamer van de rechtbank 's-Gravenhage nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch overweegt dat de verklaringen van B geen aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid van het individuele ambtsbericht omdat die verklaringen niets vermelden over de verklaringen van A en de verklaringen niet van apostilles zijn voorzien [Rtb DH nzp DB, 14 januari 2008, Awb 04/47550 en Awb 05/4323].
X stelt hoger beroep in waarbij hij een verklaring van B overlegt, van een apostille voorzien, waarin zij onder meer bevestigt dat de vals bevonden verklaringen door A zijn verstrekt. De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] overweegt dat de door X overgelegde verklaringen niet in overeenstemming zijn met de conclusies van het individuele ambtsbericht. Nu niet zonder aanvullend onderzoek kan worden vastgesteld dat de verklaringen vals zijn valt niet uit te sluiten dat zij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van het ambtsbericht bevatten. Onder die omstandigheden kan de Staatssecretaris van Justitie volgens de Afdeling niet zonder meer uitgaan van de juistheid van de juistheid van de conclusies van het individuele ambtsbericht. [ABRS, 1 oktober 2008, 200801087/1].
De in [hoger] beroep overgelegde verklaringen zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 83 Vw maar stukken die een eerder ingenomen standpunt onderbouwen en die bij de beoordeling van een [hoger] beroep kunnen worden betrokken [(Update: 090306: ABRS, 18 februari 2009, 200805938/1) ABRS, 18 december 2003,200305222/1, JV 2004/54 (ro 2.2.2); ABRS, 31 maart 2005, 20040541/1, Migratieweb ve5000620 (ro 2.1.4); ABRS, 24 mei 2005, 200410171/1, AB 2006/2 (ro 2.1.3); Raad van State, Grieven in het bestuurprocesrecht, Het grievenstelsel in het licht van 5 jaar Vreemdelingenwet 2000 en het algemeen bestuursrecht, april 2006 (onder meer pagina 33 ev)].
Ook indien stukken aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van een ambstbericht kunnen zijn kan er onder omstandigheden een onderzoeksplicht zijn voor de Staatssecretaris van Justitie. Dat lijkt een verruiming ten opzichte van eerdere rechtspraak over aanknopingspunten voor twijfel. De tijd zal het leren.
De meervoudige kamer van de rechtbank 's-Gravenhage nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch overweegt dat de verklaringen van B geen aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid van het individuele ambtsbericht omdat die verklaringen niets vermelden over de verklaringen van A en de verklaringen niet van apostilles zijn voorzien [Rtb DH nzp DB, 14 januari 2008, Awb 04/47550 en Awb 05/4323].
X stelt hoger beroep in waarbij hij een verklaring van B overlegt, van een apostille voorzien, waarin zij onder meer bevestigt dat de vals bevonden verklaringen door A zijn verstrekt. De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] overweegt dat de door X overgelegde verklaringen niet in overeenstemming zijn met de conclusies van het individuele ambtsbericht. Nu niet zonder aanvullend onderzoek kan worden vastgesteld dat de verklaringen vals zijn valt niet uit te sluiten dat zij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van het ambtsbericht bevatten. Onder die omstandigheden kan de Staatssecretaris van Justitie volgens de Afdeling niet zonder meer uitgaan van de juistheid van de juistheid van de conclusies van het individuele ambtsbericht. [ABRS, 1 oktober 2008, 200801087/1].
De in [hoger] beroep overgelegde verklaringen zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 83 Vw maar stukken die een eerder ingenomen standpunt onderbouwen en die bij de beoordeling van een [hoger] beroep kunnen worden betrokken [(Update: 090306: ABRS, 18 februari 2009, 200805938/1) ABRS, 18 december 2003,200305222/1, JV 2004/54 (ro 2.2.2); ABRS, 31 maart 2005, 20040541/1, Migratieweb ve5000620 (ro 2.1.4); ABRS, 24 mei 2005, 200410171/1, AB 2006/2 (ro 2.1.3); Raad van State, Grieven in het bestuurprocesrecht, Het grievenstelsel in het licht van 5 jaar Vreemdelingenwet 2000 en het algemeen bestuursrecht, april 2006 (onder meer pagina 33 ev)].
Ook indien stukken aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van een ambstbericht kunnen zijn kan er onder omstandigheden een onderzoeksplicht zijn voor de Staatssecretaris van Justitie. Dat lijkt een verruiming ten opzichte van eerdere rechtspraak over aanknopingspunten voor twijfel. De tijd zal het leren.
Abonneren op:
Posts (Atom)