Posts tonen met het label Nova. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nova. Alle posts tonen

zaterdag 7 december 2013

Herhaalde aanvraag: op voorhand uitgesloten dat (...)

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die aan een opvolgende asielaanvraag ten grondslag moeten worden gelegd moeten volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] worden begrepen feiten of omstandigheden die

  • na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede 
  • bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd 
tenzij op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen [zie bijvoorbeeld ABRS, 3 december 2013, 201209867/1/V2].

Soms laat de Afdeling de vraag of hetgeen is aangevoerd of overgelegd eerder kunnen en derhalve behoren te worden aangevoerd of overgelegd 'daar' en beoordeelt de Afdeling of op voorhand is uitgesloten dat hetgeen is aangevoerd of overgelegd  kan afdoen aan het eerdere besluit [ABRS, 3 december 2013, 201209867/1/V2 (met overgelegde identiteitskaart van moeder komt ongeloofwaardig geachte identiteit en nationaliteit niet vast te staan); ABRS, 27 maart 2013 201203172/1/V4 (hetgeen is overgelegd heeft geen betrekking op vervalst bevonden documenten die de kern van het asielrelaas raken); ABRS, 24 augustus 2012, 201109048/1/V2 (verklaring van bekendheid waarin niet inzichtelijk wordt gemaakt hoe betrokkenen de derdelander kennen en waar zij hun conclusie op baseren dat hij uit X afkomstig is)].

Soms laat de Afdeling de vraag of hetgeen is aangevoerd of overgelegd eerder kunnen en derhalve behoren te worden aangevoerd of overgelegd niet 'daar', is de Afdeling van oordeel dat hetgeen is aangevoerd of overgelegd eerder had kunnen en derhalve behoren te worden aangevoerd of overgelegd maar beoordeelt de Afdeling toch een soort van ten overvloede of op voorhand is uitgesloten dat hetgeen is aangevoerd of overgelegd  kan afdoen aan het eerdere besluit [ABRS, 5 december 2013, 201303209/1/V4 (verklaring van bekendheid waarin niet inzichtelijk wordt gemaakt op welke gronden tot de conclusie wordt gekomen dat de derdelander behoort tot de X bevolkingsgroep)].

De rechtspraak maakt duidelijk aan welke eisen hetgeen bij een herhaalde asielaanvraag wordt aangevoerd of overgelegd moet voldoen.

zondag 21 december 2008

Artikel 15c DRi & herhaalde aanvragen

Indien na een eerdere asielaanvraag een nieuwe asielaanvraag wordt ingediend moeten de volgende vragen worden beantwoord [ABRS, 28 mei 2008, 200801656/1 ; ABRS, 28 mei 2008, 200802254/1]:
  1. Is het besluit op de nieuwe asielaanvraag een besluit van gelijke strekking als het eerdere afwijzende besluit? Zo nee:
  2. Liggen aan de nieuwe aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag? Zo nee:
  3. Is er sprake van een relevante wijziging van het recht?

Worden alle vragen met nee worden beantwoord is er voor een rechterlijke toetsing van het besluit op de nieuwe aanvraag geen plaats.

De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] beantwoordt de vraag of het besluit op de nieuwe asielaanvraag van een asielzoekende vreemdeling, die voor het eerst [na verstrijken van de implementatietermijn van de Definitierichtlijn] een beroep doet op artikel 15c DRi , van gelijke strekking is als het afwijzende besluit op een eerdere asielaanvraag ontkennend, impliciet [ABRS, 19 september 2008, 200706934/1; ABRS, 4 juni 2008, 200800966/1; ABRS, 16 mei 2008, 200702830/1; ABRS, 3 april 2008, 200701108/1 ] of expliciet [ABRS, 3 december 2008, 200801387/1; ABRS, 27 november 2008, 200802472/1; ABRS, 26 november 2008, 200801128/1; ABRS, 19 november 2008, 200700254/1; ABRS, 22 oktober 2008, 200706102/1; ABRS, 17 oktober 2008, 200701232/1 & 200701298/1 & 200704691/1 & 200705072/1 & 200801290; ABRS, 15 september 2008, 200802482/1; ABRS, 3 september 2008, 200706912/1].

Indien artikel 15c DRi een nieuwe grond is voor toelating die niet eerder bestond is het de vraag of een besluit op een nieuwe asielaanvraag waarin een beroep op artikel 15c DRi wordt gedaan een besluit is van gelijke strekking als het eerdere afwijzende besluit. Is een beroep op artikel 15c DRi dan niet gebaseerd op een nieuw feitencomplex dat een zelfstandig karakter heeft ten opzichte van de eerdere asielaanvraag? In dat geval is van een herhaalde aanvraag die met toepassing van artikel 4:6 Awb kan worden afgedaan geen sprake [ABRS, 31 oktober 2002 (zinledige verwijzing na eerdere afwijzende beschikking), LJN AF2853; ABRS, 31 mei 2005 (asielaanvraag na terugkeer land van herkomst: nieuw feitencomplex met zelfstandig karakter tov eerdere asielaanvraag), JV 2005/255, mn TS ; ABRS, 20 december 2006, 200607242/1 (asielaanvraag na terugkeer land van herkomst), LJN AZ5991, MigratieWeb ve07000067; ABRS, 27 april 2007, 200701212/1 (asielaanvraag na terugkeer land van herkomst), LJN BA4658, MigratieWeb ve07000908; ABRS 22 november 2007, 200705487/1 (bekering in de beroepsfase), JV 2008/39 mn TS, MigratieWeb ve08000002; ABRS, 26 mei 2008, 200800351/1 (bekering in beroepsfase), LJN BD3183].

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden, voor zover van belang voor deze blogpost, feiten of omstandigheden begrepen die niet vóór het eerdere afwijzende besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31 lid 1 Vw, behoorden te worden aangevoerd [onder meer: ABRS, 6 maart 2008, 200706839/1]. Artikel 31 lid 1 Vw bepaalt dat een asielzoekende vreemdeling omstandigheden aannemelijk moet maken die een rechtsgrond voor verlening vormen.

Indien artikel 15c DRi ten tijde van de eerdere asielaanvraag nog geen rechtsgrond voor verlening vormde dan behoorden feiten en omstandigheden ter onderbouwing van een beroep op artikel 15c DRI toentertijd niet te worden aangevoerd. Feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd aan het beroep op artikel 15c DRi bij de nieuwe aanvraag moeten daarom worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Overigens valt een asielzoekende vreemdeling onder de reikwijdte van artikel 15c DRi indien zich in het land van herkomst ten tijde van het afwijzende besluit een binnenlands gewapend conflict voordoet [ABRS, 20 juli 2007, 200608939/1; ABRS, 3 april 2008, 200701108/1, LJN BC8681]. Indien het bestaan van binnenlands gewapend conflict, dat wil zeggen aanhoudende en samenhangende militaire operaties, ten tijde van het afwijzende besluit van belang is voor de beoordeling van de vraag of een asielzoekende vreemdeling valt onder de reikwijdte van artikel 15c DRi dan lijkt per definitie sprake te zijn van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Gelet op het bovenstaande zou aan de vraag of artikel 15c DRi voor een asielzoekende vreemdeling gewijzigd recht is niet meer moeten worden toegekomen. Het belang dat die asielzoekende vreemdeling daarbij heeft is dat hij niet een gewapend conflict hoeft aan te tonen maar 'slechts' aannemelijk te maken.

[Update 090305: Zie ABRS, 11 februari 2009, 200808185/1 (nogal kip/ei imho)]

woensdag 26 november 2008

ABRS 12 november 2008 200803870/1: UNHCR Notitie over KhAD/WAD

In een uitspraak in een AC-zaak van een Afghaanse 1F'er die een nieuwe aanvraag indiende overwoog de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage nzp Arnhem [hierna: voorzieningenrechter] op 20 mei 2008 [Vz Rtb DH zp Arnhem, 20 mei 2008, Awb 08/13571] mede over de door de Afghaanse 1F'er ingebrachte notitie van de UNHCR 'Note on the Structure and Operation of the KhAD/WAD in Afghanistan 1978-1992' van mei 2008 in rechtsoverweging 1.2:

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker met deze gegevens feiten en omstandigheden heeft aangedragen die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Gelet op de inhoud van deze stukken kan, nu een en ander gerede twijfel doet rijzen omtrent de volledigheid en juistheid van het deelambtsbericht[van de Minister van Buitenlandse Zaken van februari 2000 over veiligheidsdiensten in Afganistan,ZvL], niet worden gesteld dat deze stukken niet kunnen afdoen aan het eerdere besluit en ds overwegingen waarop het berust. (...) Gelet voorts op deze notitie van de UNHCR alsmede het feit dat verweerder een notitie over (Afghaanse) 1F-zaken in voorbereiding heeft, waarbij, naar de voorzieningen rechter veronderstelt, deze notitie zeker zal worden meegenomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder deze zaak niet heeft kunnen afdoen in een AC-procedure.

De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] 'hertaalde', om met mr Thomas Spijkerboer te spreken [zie noot mr TS bij ABRS, 13 mei 2005, JV 2005/255], deze overweging in een uitspraak van 12 november 2008 [ABRS, 12 november 2008, 200803870/1] als volgt:
De Afdeling verstaat de aangevallen uitspraak aldus, dat de voorzieningenrechter aan de vernietiging van het besluit kennelijk ten grondslag heeft gelegd dat de "Note on the Structure and Operation of the [weer zo'n rare anonimisering van de Afdeling, ZvL] Afghanistan 1978-1992" van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR-Note) gedateerd 13 mei 2008, een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is, zoals bedoeld in de vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, {...}) en het besluit, gelet op de aard en strekking van de UNHCR-Note en de omstandigheid dat de staatssecretaris een notitie over (Afghaanse) IF-zaken in voorbereiding heeft waarbij de UNHCR-Note zal worden betrokken, derhalve niet in de zogenoemde AC-procedure kon worden genomen.
& peekte vervolgens het hoger beroep van de Staatssecretaris van Justitie.

De voorzieningenrechter hinkte met betrekking tot de notitie van de UNHCR op 2 onvaste benen en benaderde de notitie enerzijds als een [concreet] aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambstbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over veiligheidsdiensten in Afghanistan en anderzijds als een nieuw feit waarvan niet bij voorbaat is uitgesloten dat het af kan doen aan een eerder besluit.

De Afdeling maakt in de uitspraak van 12 november 2008 duidelijk dat van een concreet aanknopingspunt voor twijfel [nog?] geen sprake is.

Overigens is het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de notitie in overleg getreden met onder meer de UNHCR Kabul [31700 VI, nr. 6, pagina 30; 31700 VI, nr. 18, pagina 12 (via http://www.overheid.nl/op)]. Het is niet duidelijk of daaraan een verzoek van de Staatssecretaris van Justitie ten grondslag ligt maar het begint er op te lijken dat de notitie toch twijfel heeft doen oproepen.

Opmerkelijk is dat de Staatssecretaris van Justitie in de hitte van het overleg over de notitie van de UNHCR op 9 oktober 2008 verwijst naar 'de' uitspraak van de rechtbank van 14 juli 2008 [bedoeld wordt denk ik Rtb DH zp DB, 14 juli 2008, Awb 08/2653, LJN Bd8298] waarin de rechtbank oordeelt dat de notitie van de UNHCR geen concrete aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht [31700 VI, nr. 18, pagina 13]. Zou ze toen niet hebben geweten van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2008? & zou ze nu al weten van de peek van 12 november 2008?

woensdag 15 oktober 2008

ABRS 1 oktober 2008 200801087/1: Concrete aanknopingpunten voor twijfel

Volgens een individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken zijn twee door de asielzoekende X overgelegde verklaringen van A, een Colombiaanse overheidsfunctionaris, waarin staat dat X gevaar loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst, vals. Na schorsing van het onderzoek ter zitting worden verklaringen van overheidsfunctionaris B overgelegd, van een vergelijkbare strekking als die van A, alsmede een document waarin wordt verklaard wie B is en welke functie door haar wordt vervuld. In geschil is of de verklaringen voorzien zijn van apostilles.

De meervoudige kamer van de rechtbank 's-Gravenhage nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch overweegt dat de verklaringen van B geen aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid van het individuele ambtsbericht omdat die verklaringen niets vermelden over de verklaringen van A en de verklaringen niet van apostilles zijn voorzien [Rtb DH nzp DB, 14 januari 2008, Awb 04/47550 en Awb 05/4323].

X stelt hoger beroep in waarbij hij een verklaring van B overlegt, van een apostille voorzien, waarin zij onder meer bevestigt dat de vals bevonden verklaringen door A zijn verstrekt. De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] overweegt dat de door X overgelegde verklaringen niet in overeenstemming zijn met de conclusies van het individuele ambtsbericht. Nu niet zonder aanvullend onderzoek kan worden vastgesteld dat de verklaringen vals zijn valt niet uit te sluiten dat zij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van het ambtsbericht bevatten. Onder die omstandigheden kan de Staatssecretaris van Justitie volgens de Afdeling niet zonder meer uitgaan van de juistheid van de juistheid van de conclusies van het individuele ambtsbericht. [ABRS, 1 oktober 2008, 200801087/1].

De in [hoger] beroep overgelegde verklaringen zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 83 Vw maar stukken die een eerder ingenomen standpunt onderbouwen en die bij de beoordeling van een [hoger] beroep kunnen worden betrokken [(Update: 090306: ABRS, 18 februari 2009, 200805938/1) ABRS, 18 december 2003,200305222/1, JV 2004/54 (ro 2.2.2); ABRS, 31 maart 2005, 20040541/1, Migratieweb ve5000620 (ro 2.1.4); ABRS, 24 mei 2005, 200410171/1, AB 2006/2 (ro 2.1.3); Raad van State, Grieven in het bestuurprocesrecht, Het grievenstelsel in het licht van 5 jaar Vreemdelingenwet 2000 en het algemeen bestuursrecht, april 2006 (onder meer pagina 33 ev)].

Ook indien stukken aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van een ambstbericht kunnen zijn kan er onder omstandigheden een onderzoeksplicht zijn voor de Staatssecretaris van Justitie. Dat lijkt een verruiming ten opzichte van eerdere rechtspraak over aanknopingspunten voor twijfel. De tijd zal het leren.

dinsdag 1 juli 2008

ABRS, 28 maart 2008, 200708114: Verzoek om heroverweging van een eerder besluit tot afwijzing of intrekking van een verblijfsvergunning

De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijde van een vreemdeling van Irakese nationaliteit wordt ingetrokken omdat hij niet uit Irak afkomstig zou zijn. Anderhalf jaar later wordt de Irakese vreemdeling door de autoriteiten van zijn land van herkomst in het bezit gesteld van een paspoort en verzoekt hij de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie [herhaalde malen] om heroverweging van het besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

Het verzoek om heroverweging wordt opgevat als een herhaalde aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd [??? ABRS, 10 mei 2007, 200609255/1, LJN BA5551]. De aanvraag wordt afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb omdat de authenticiteit van het paspoort niet aannemelijk zou zijn gemaakt. De Irakese vreemdeling stelt beroep in dat gegrond wordt verklaard omdat gelet op het nationaliteitsrecht van de authenticiteit van het paspoort behoort te worden uitgegaan.

In de opengevallen aanvraagfase herhaalt de Irakese vreemdeling dat het hem niet gaat om een herhaalde aanvraag maar om een verzoek om heroverweging van het besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Aan de Irakese vreemdeling wordt een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingang van datum waarop aan de formaliteiten van de herhaalde aanvraag is voldaan.

In beroep stelt de Irakese vreemdeling dat geen recht is gedaan aan zijn verzoek om heroverweging van het besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en klaagt hij over de ingangsdatum van de hem verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het beroep wordt gegrond verklaard onder meer omdat de Irakese vreemdeling eerder in de gelegenheid had moeten worden gesteld om aan formaliteiten van de aanvraag te voldoen. De Staatssecretaris van Justitie stelt hoger beroep in.

Op 28 maart 2008 constateert de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna Afdeling] dat niet in geschil is dat er een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend en dat de omstandigheid dat de Irakese vreemdeling zich op het standpunt is blijven stellen dat het besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd had moeten worden heroverwogen dat niet anders maakt. De Afdeling verklaart het hoger beroep van de Staatssecretaris van Justitie met een verwijzing naar artikel 44 lid 2 Vw [ingangsdatum] en artikel 3.38 VV ev [aanvraagformaliteit(en)] kennelijk gegrond [ABRS, 28 maart 2008, 200708114, JV 2008/199].

Had de Irakese vreemdeling kunnen krijgen wat hij wilde hebben door zijn aanvraag anders in te kleden?

Neen (vrees ik)!

Een verzoek om heroverweging van een eerder besluit tot afwijzing of intrekking van een verblijfsvergunning is een verzoek om toelating welke toelating slechts kan plaats vinden krachtens het bepaalde in de vreemdelingenwet [ABRS, 30 juli 2003, 200302357/1, JV 2003/401]. Een verzoek om heroveweging wordt derhalve aangemerkt als een aanvraag [ABRS, 10 maart 2005, 200407175/1, JV 2005/180; ABRS, 6 september 2005, 200503486/1, JV 2005/403 nt B. Olivier] om een verblijfsvergunning welke aanvraag moet voldoen aan de eisen die de vreemdelingenwet daar aan stelt.

De Irakese vreemdeling had een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

Artikel 34 Vw bepaalt dat een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd kan worden verleend indien de betrokken vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag daartoe 5 achtereenvolgende in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Irakese vreemdeling had voorafgaande aan zijn verzoek tot heroverweging geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hem stond derhalve alleen de mogelijkheid open om een aanvraag in te dienen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd waarvan de ingangsdatum wordt bepaald door datum aanvraag.

Dat is leuk voor al die niet meer ongewenst verklaarde 1F'ers van wie het asielberoep niet ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en die daarom een nieuwe aanvraag in moeten dienen of [?] een verzoek tot heroverweging.

vrijdag 27 juni 2008

ABRS, 16 juni 2008, 200803052/1: Toetsing van een ten tijde van de eerste asielaanvraag nog niet actueel asielmotief [dreigende besnijdenis]

Een asielzoekende vreemdelinge van wie in rechte wel de Somalische afkomst is komen vast te staan maar niet de gestelde Somalische nationaliteit dient een tweede asielaanvraag in waaraan ze ondermeer de dreigende besnijdenis van haar tijdens de aanvraagfase van de eerste asielprocedure geboren dochter ten grondslag legt.

Het beroep op de afwijzing van de tweede aanvraag wordt kortsluitend gegrond verklaard omdat de voorzieningenrechter uitgaat van de geloofwaardigheid van de Somalische herkomstnationalteit en in verband met de dreigende besnijdenis van de inmiddels bijna 5 jaar oude dochter van de asielzoekende vreemdelinge.

De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] verklaart het hoger beroep van de Staatssecretaris van Justitie op 16 juni 2008 kennelijk gegrond en vernietigt de uitspraak omdat de voorzieningenrechter ten onrechte van de geloofwaardigheid van de Somalische herkomstnationaliteit van de asielzoekende vreemdelinge is uitgegaan [ABRS, 16 juni 2008, 200803052/1, LJN BD5503].

Met een verwijzing naar een uitspraak van 6 maart 2008 [ABRS, 6 maart 2008, 200706839/1] onderzoekt de Afdeling of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en concludeert de Afdeling dat die er niet zijn nu [voor zover relevant] de asielzoekende vreemdelinge haar gestelde Somalische herkomstnationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt en haar dochter is geboren vóór de afwijzing van haar eerste asielaanvraag zodat zij de dreigende besnijdenis in die eerste asielprocedure aan de orde had kunnen [& moeten] stellen.

Ten tijde van de afwijzing van de eerste asielaanvraag van de asielzoekende vreemdelinge was haar dochter ongeveer 3 maanden oud. Op dat moment was de dreigende besnijdenis helemaal niet actueel omdat onder meer uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van november 2007 kan worden opgemaakt dat in Somalië meisjes besneden worden bij een leeftijd tussen 6 en 10 jaar, in steden tussen 5 en 9 jaar [pagina 62].

Ik vraag me af waarom de Afdeling de gestelde dreigende besnijdenis beoordeelt omdat deze gelet op de omstandigheid dat de asielzoekende vreemdeling haar Somalische herkomstnationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt helemaal niet relevant is voor de beoordeling van haar tweede asielaanvraag.

Ik vraag me verder af of van een asielzoekende vreemdelinge kan worden geëist dat zij een niet actueel asielmotief aan de orde stelt ter onderbouwing van een eerste asielaanvraag op straffe van het tegenwerpen van het ontbreken van nieuwe feiten en/of omstandigheden bij het indienen van een tweede asielaanvraag na het actueel worden van het asielmotief. Van een niet actueel asielmotief immers kan niet worden gesteld dat het relevant is voor de beoordeling van een asielaanvraag [zie bijvoorbeeld: ABRS, 14 april 2006, 200601113/1 (ro 2.1.3), MigratieWeb ve06000557].

Ik vraag me tenslotte af of de aanvraag van de asielzoekende vreemdelinge als een herhaalde aanvraag zou kunnen zijn aangemerkt indien van de geloofwaardigheid van de gestelde Somalische herkomstnationaliteit zou zijn uitgegaan. De dreigende besnijdenis immers kan worden aangemerkt als een nieuw feitencomplex dat een zelfstandig karakter heeft ten opzichte van de eerdere asielaanvraag. In zo'n geval lijkt van een herhaalde aanvraag geen sprake te zijn [ABRS, 31 oktober 2002 (zinledige verwijzing na eerdere afwijzende beschikking), LJN AF2853; ABRS, 31 mei 2005 (asielaanvraag na terugkeer land van herkomst: nieuw feitencomplex met zelfstandig karakter tov eerdere asielaanvraag), JV 2005/255, mn TS ; ABRS, 20 december 2006, 200607242/1 (asielaanvraag na terugkeer land van herkomst), LJN AZ5991, MigratieWeb ve07000067; ABRS, 27 april 2007, 200701212/1 (asielaanvraag na terugkeer land van herkomst), LJN BA4658, MigratieWeb ve07000908; ABRS 22 november 2007, 200705487/1 (bekering in de beroepsfase), JV 2008/39 mn TS, MigratieWeb ve08000002; ABRS, 26 mei 2008, 200800351/1 (bekering in beroepsfase), LJN BD3183].

Herhaalde Aanvragen: Schaven & Schuren

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 4 april 2003 in zaak no. 200206882/1; AB 2003, 315) vloeit voort dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een naar inhoud en toetsingskader materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing.
ABRS, 13 juli 2006, 200506456/1, JV JV 2006/397, ro 2.2.1

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 13 juli 2006 in zaak no. 200506456/1; JV 2006/397) vloeit voort dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing.
ABRS, 20 april 2007, 200700590/1, ro 2.2.1

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 20 april 2007 in zaak nr. 200700590/1; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit materieel een gelijkluidend besluit wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing.
ABRS, 6 maart 2008, 200706839/1, ro 2.1.2

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl).
ABRS, 28 mei 2008, 200801656/1, ro 2.1.2; ABRS, 28 mei 2008, 200802254/1, ro 2.1.1

zaterdag 8 maart 2008

ABRS 20 juli 2007 [200608939/1]: Binnenlands Gewapend Conflict [art 15c KwalRi]

Voor zover ik na kan gaan oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna Afdeling] op 20 juli 2007 [200608939/1] voor het eerst op een beroep op artikel 15c Kwalificatierichtlijn [hierna KwalRi, 2004/83/EG] na het verstrijken van de implementatietermijn daarvan.

Het gaat in die zaak om een herhaalde asielaanvraag van een vreemdeling afkomstig uit Kosovo. Om artikel 15c KwalRi aan te merken als een relevante wijziging van het recht dient naar het oordeel van de Afdeling allereerst te worden beoordeeld of er sprake is van 'willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict'.

Omdat het begrip 'binnenlands gewapend conflict' in de Kwalificatierichtlijn niet is gedefinieerd zoekt de Afdeling met een verwijzing naar de preambule ervan aansluiting bij internationaal humanitair recht daarbij een keuze makend voor het gemeenschappelijk artikel 3 van de Conventies van Geneve en artikel 1 lid 1 & 2 van het Tweede Aanvullend Protocol bij die Conventies van Genève.

De Afdeling concludeert dat er sprake is van een binnenlands gewapend conflict indien een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel in staat is op het grondgebied van een land of een gedeelte daarvan militaire operaties uit te voeren jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land; deze operaties dienen dan aanhoudend en samenhangend van aard te zijn, wil sprake zijn van een gewapend conflict, ongeregeldheden en spanningen, zoals rellen, leiden niet tot de conclusie dat sprake is van een zodanig conflict.

Die keuze van de Afdeling is opmerkelijk.

Het Statuut van Rome is van veel recenter datum, heeft betrekking op hetzelfde onderwerp, bij de totstandkoming ervan is de EG actief betrokken geweest terwijl de EG zich sterk maakt voor de tenuitvoerlegging ervan. Een keuze voor het Statuut van Rome had meer voor de hand gelegen.

Artikel 8(2)(d) & (f) Statuut van Rome verwijst wel naar het gemeenschappelijke 3 van de Conventies van Geneve en ook naar artikel 1b van het Tweede Aanvullend Protocol maar niet naar artikel 1a daarvan.

Uit de Travaux Preparatoir bij het Statuut van Rome [zie website Internationaal Strafhof > Legal Tools > ICC Preparatory Works] kan worden opgemaakt dat daarvoor bewust is gekozen.

Op de Diplomatieke Conferentie in Rome van 15 juni 1997 tot 17 juli 1997 sprak onder meer professor Gerhard Hafner, lid van de Oostenrijkse delegatie, zich namens de EG en de EG-lidstaten uit tegen de beperking van artikel lid 1a Tweede Aanvullend Protocol bij de Conventies van Geneve [A/CONF.183/C.1/SR.33].

Volgens het Statuut van Rome is geen sprake een 'armed conflicts not of an international character' in het geval van 'situations of internal disturbances and tensions, such as riots, isolated and sporadic acts of violence or other acts of a similar nature' [artikel 8(2)(d) & (f)] maar wel in het geval van 'armed conflicts that take place in the territory of a State when there is protracted armed conflict between governmental authorities and organized armed groups or between such groups' [artikel 8(2)(f)].

Met het Statuut van Rome in de hand is een binnenlands gewapend conflict minder moeilijk aan te tonen dan met artikel 1a van het Tweede Aanvullend Protocol bij de Conventies van Geneve.

Is niet ook de uitleg van het begrip 'binnenlands gewapend conflict' voor prejudiciele vragen vatbaar?

Zie ook:
Anthony Cullen, The Definition of Non-International Armed Conflict in the Rome Statute of the International Criminal Court: An Analysis of the Threshold of Application Contained in Article 8(2)(f), Journal of Conflict and Security Law (2008), Vol.0 No.0, 1-27 [doi:10.1093/jcsl/krn001]

maandag 3 maart 2008

ABRS 31 oktober 2003 [JV 2004/11]

Ruim 3 jaar geleden verstoorde een noot van mr Frits Koers bij een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van Stata van 31 oktober 2003 [JV 2004/11] mijn nachtrust.

De uitspraak gaat over een asielzoekende vreemdelinge die bij de asielaanvraag genoemde documenten in de beroepsfase alsnog had overgelegd. Haar was het ontbreken van onder meer die documenten toegerekend. Volgens de rechtbank hadden de documenten nader moeten worden onderzocht.

In grief 1 klaagt de Minister dat de rechtbank de toepasselijkheid van artikel 31 lid 2f Vw heeft miskend en in grief 2 dat de rechtbank had behoren te onderzoeken of de documenten nova waren in de zin van artikel 83 Vw.

De Afdeling overweegt in reactie op de 2e grief dat toepassing van artikel 83 Vw niet aan de orde is omdat de Minister al voor het nemen van een beschikking op de hoogte was van het bestaan van de documenten en van hetgeen de asielzoekende vreemdelinge daarmee wilde onderbouwen.

In de noot vraagt mr Frits Koers zich af waarom de Afdeling eerst ingaat op de 2e grief en vervolgens op de 1e grief. Die vraag die hij niet beantwoordt hield mij wakker.

Zou het niet zo kunnen zijn dat de Afdeling de 2e grief het eerst behandelt omdat daarin een verdergaand standpunt besloten ligt dan in de 1e grief. Het standpunt namelijk dat bij de Minister bekende feiten en omstandigheden die zijn opgekomen voor het bestreden besluit maar die niet eerder hadden kunnen worden ingebracht niet op hun relevantie voor het bestreden besluit hoeven te worden getoetst omdat, gelet op het bepaalde in artikel 31 lid 1 Vw 2000 enzovoort, de relevantie van die genoemde feiten en omstandigheden voor het bestreden besluit wordt verondersteld.

Voor op de identiteit en nationaliteit betrekking hebbende bescheiden die niet toerekenbaar ontbreken bij de aanvraag geldt dat misschien niet (die roepen geen twijfel op over de geloofwaardigheid van het asielrelaas) maar voor op het asielrelaas betrekking hebbende bescheiden die niet toerekenbaar ontbreken bij de aanvraag geldt dat wel omdat de aanwezigheid daarvan het asielrelaas nog geloofwaardiger maken.

zondag 2 maart 2008

[Niet Meer Zo] Nieuwe Kneuterdijkse Toverformule Voor Artikel 4:6 Awb

Op 4 april 2003 overwoog de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [200206882/1, JV 2003/219] dat (...) de rechter, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in geval van een besluit op een herhaalde aanvraag, direct moet treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

Die toverformule is de Afdeling tot medio 2006 blijven hanteren.

Op [of omstreeks] 13 juli 2006 [ABRS, 13 juli 2006, 200506456/1, JV 2006/397] introduceerde de Afdeling met een verwijzing naar voornoemde uitspraak van 4 april 2003 een nieuwe toverformule. De Afdeling overwoog dat (...) indien na een eerdere afwijzende beslissing een naar inhoud en toetsingskader materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

De nieuwe toverformule lijkt een gevolg te zijn van ontwikkelingen in de rechtspraak ná 4 april 2003 over 'nieuwe' aanvragen na een afwijzende beschikking in de zin van artikel 4:6 Awb die dat niet bleken te zijn. Zie bijvoorbeeld ABRS, 31 oktober 2002, LJN AF2853 [zinledige verwijzing na eerdere afwijzende beschikking] en ABRS, 31 mei 2005, JV 2005/255, mn TS [asielaanvraag na terugkeer waaraan een nieuw feitencomplex ten grondslag lag dat een zelfstandig karakter had ten opzichte van de eerdere asielaanvraag].

Wanneer is sprake van een naar inhoud en toetsingskader materieel vergelijkbare beslissing?

Wel in het geval van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd na afwijzing [ABRS, 31 augustus 2006, 200603935/1, MigratieWeb ve06001301; ABRS, 14 maart 2007, 200608993/1, MigratieWeb ve07000756, LJN BA3410; ABRS, 6 juni 2007, 200701849/1, MigratieWeb ve07001113] of intrekking [ABRS, 10 mei 2007, 200609255/1, LJN BA5551] van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en in het geval van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd na terugkeer waaraan een nieuw feitencomplex ten grondslag ligt dat een zelfstandig karakter heeft ten opzichte van de eerdere asielaanvraag [ABRS, 20 december 2006, 200607242/1, LJN AZ5991, MigratieWeb ve07000067; ABRS, 27 april 2007, 200701212/1, LJN BA4658, MigratieWeb ve07000908].

Niet in het geval van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd na een ambtshalve afwijzing van een materieel vergelijkbare verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd [ABRS, 16 mei 2007, 200701545/1, LJN BA5474].

Ook artikel 83 Vw lijkt thans te worden getoetst in het licht van de nieuwe artikel 4:6 Awb toverformule. Zie ABRS, 16 juli 2007, 200701304/1, MigratieWeb ve07001436 [rechtsoverweging 2.2.2] en ABRS, 22 november 2007, 200705487/1, JV 2008/39 mn TS, MigratieWeb ve08000002 [bekering in beroepsfase].

Eerder [op 3 augustus 2005 om precies te zijn] vroeg ik mij [in een sneu stukje gepubliceerd ergens op het wereldwijde web] naar aanleiding van de eerder genoemde uitspraak van 13 mei 2005 [JV 2005/255] af of ook in gevallen van 'refugee sur place' [in de enge zin] waarin aan de eerder genoemde voorwaarden van de Afdeling wordt voldaan sprake is van een asielaanvraag waarop artikel 4:6 Awb niet van toepassing is. Gelet op de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling van 22 november 2007 [200705487/1, JV 2008/39 mn TS] over artikel 83 Vw lijkt dat het geval te zijn.

Indien het nieuwe feitencomplex opkomt in de beroepsfase van een lopende procedure stuit het indienen van een nieuwe asielaanvraag op het bepaalde in artikel 30c Vw. Met het indienen van een nieuwe asielaanvraag lijkt te moeten worden op het onherroepelijk worden van de eerdere afwijzende beschikking.

Volgens mij heeft TS het niet bij het rechte eind in zijn noten bij ABRS, 31 mei 2005, JV 2005/255 en ABRS, 22 november 2007, 200705487/1, JV 2008/39.