Posts tonen met het label Voorlopige voorziening. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Voorlopige voorziening. Alle posts tonen

donderdag 3 juni 2010

Bezwaar ex artikel 72 lid 3 Vw tegen Dublinoverdracht, Overdrachtstermijn

Is een feitelijke Dublin-overdracht aan te merken als een beslissing in de zin van artikel 19 van de Dublinverordening [hierna: DVo] om een asielverzoek niet te behandelen en de betrokken asielzoekende derdelander over te dragen aan de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat of als een beslissing in de zin van artikel 20 DVo betreffende de terugname van een asielzoekende derdelander door de verantwoordelijke lidstaat? Schort een op artikel 72 lid 3 van de Vreemdelingenwet [hierna: Vw] gebaseerd bezwaar tegen een feitelijke Dublin-overdracht of een daarop volgend [hoger] beroep de termijn voor de overdracht op indien daaraan bij wijze van voorlopige voorziening opschortende werking is verleend of indien in verband daarmee een andere voorziening is getroffen?

De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] lijkt te menen van wel. In twee op artikel 72 lid 3 van de Vreemdelingenwet gebaseerde Dublin-zaken heeft de Afdeling het verzoek van de Minister van Justitie om bij wijze van een voorlopige voorziening te bepalen dat aan de bestreden uitspraak geen gevolg hoeft te worden gegeven in afwachting van het daartegen ingestelde hoger beroep toegewezen [ABRS, 17 mei 2010, 201004246/2/V3; ABRS, 17 mei 2010, 201004263/2/V3]. De Afdeling overweegt:
Op voorhand valt niet uit te sluiten dat de uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vreemdeling aan Griekenland overgedragen mag worden.
IMHO is een op artikel 30 lid 1a Vw gebaseerde afwijzing van een asielaanvraag een beslissing in de zin van artikel 19 DVo of in de zin van artikel 20 DVo en is een op grond van artikel 72 lid 3 Vw met een beschikking gelijk gestelde feitelijke overdracht dat niet [vergelijk ABRS, 4 juni 2009, 200808283/1 /V3, ro 2.2 onderaan].

Een bij wijze van voorlopige voorziening getroffen verbod tot overdracht in de bezwaar- of [hoger]beroepsfase schort wel de overdracht op maar een bij wijze van voorlopige voorziening toegewezen verzoek om te bepalen dat het aangewende bezwaar of [hoger] beroep opschortende werking heeft IMHO niet de termijn voor overdracht.

Met het verstrijken van de termijn voor overdracht tijdens op artikel 72 lid 3 Vw gebaseerde procedure tegen de feitelijke Dublin-overdracht waarin bij wijze van voorlopige voorziening een verbod tot overdracht is getroffen wordt Nederland verantwoordelijk voor de behandeling van een asielverzoek.

Met dank aan mr O.

dinsdag 16 februari 2010

ABRS, 4 feb 2010, 201000405/2/V3 & 201000164/2/V1 & 201000166/2/V1

Tussen de uitspraken van de vreemdelingenkamer van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna Afdeling] gepubliceerd op 15 februari 2010 zitten er aantal waarbij het verzoek om een voorlopige voorziening ingesteld door de Staatssecretaris van Justitie is AFGEWEZEN vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. Het gaat om zaken waarin een verblijfsvergunning is ingetrokken. De Afdeling overweegt:

Het besluit van (...), waarbij de verblijfsvergunning (...) is ingetrokken, is geen op een aanvraag van de vreemdeling genomen besluit. De enkele vernietiging van dat besluit door de rechtbank brengt niet met zich dat op de staatssecretaris de verplichting rust om een nieuw besluit te nemen. Dat de uitspraak van de rechtbank niettemin strekt tot het nemen van een nieuw besluit, levert geen spoedeisend belang op, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, nu de rechtbank daartoe geen termijn heeft gesteld en bij gebreke van het voldoen aan deze opdracht geen dwangsom kan worden verbeurd.
[ABRS, 4 februari 2010, 201000405/2/V3; ABRS, 4 februari 2010, 201000164/2/V1; ABRS, 4 februari 2010, 201000166/2/V1]

De Afdeling lijkt een soort van om te zijn want heeft het vorig jaar in op het eerste gezicht vergelijkbare intrekkingszaken voorlopige voorzieningen van de Staatssecretaris van Justitie toegewezen [ABRS, 11 maart 2009, 200901415/2/V1; ABRS,1 april 2009, 200901971/2/V3; ABRS, 17 december 2009, 200909294/2/V2; ABRS, 17 december 2009, 200909295/2/V2].

OT: Vandaag bestaat dit blog 2 jaar.

zondag 7 februari 2010

Nieuwe asielprocedure: spoedeisend belang & belang bij spoedige behandeling

In een brief van 24 juni 2008 aan de voorzitter van de Tweede kamer heeft de Staatssecretaris van Justitie maatregelen aangekondigd om te komen tot een effectievere asielprocedure en een effectiever terugkeerbeleid [Terugkeerbeleid (?), 29 344 nr 67]. Een wetsvoorstel tot aanpassing van de vreemdelingenwet- & regelgeving aan voornoemde maatregelen is ingediend op 29 juni 2009 [31994 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het aanpassen van de asielprocedure]. Het is de bedoeling dat de nieuwe procedure op 1 juli 2010 inwerking treedt.

De nieuwe asielprocedure, in essentie een opgepimpte AC procedure, houdt onder meer het volgende in:
  • er komt en rust- en voorbereidingstermijn van 6 dagen [behalve voor de asielzoekers op AC Schiphol]
  • de procedure wordt verlengd van 48 procesuren (= 4 dagen + 8 uren) tot 8 dagen
  • indien binnen 8 dagen geen beslissing kan worden genomen wordt vindt in beginsel besluitvorming in de verlengde asielprocedure plaats
  • de vertrektermijn van asielzoekers wier aanvraag is afgewezen binnen 8 dagen wordt verlengd [van 0,nada] naar 4 weken gedurende welke periode opvang zal worden verleend.

  • De 'verbetermaatregel' van een vertrektermijn van 4 weken wordt ingevoerd omdat het onwenselijk wordt geacht dat asielzoekers wier asielaanvraag is afgewezen geen recht hebben op opvang in afwachting van de behandeling van het door hen ingediende verzoek om een voorlopige voorziening teneinde uitzetting te voorkomen [31994 nr 3 MvT paragraaf 2.1].

    Op dit moment is het zo dat voorzieningenrechters van rechtbanken om humanitaire redenen verzoeken om een voorlopige voorziening in zaken waarin binnen 48 procesuren een asielaanvraag is afgewezen met voorrang behandelen. Die humanitaire redenen zijn gelegen in de omstandigheid dat asielzoekers wier aanvraag binnen 48 procesuren is afgewezen geen vertrektermijn hebben en derhalve ook geen recht op opvang.

    Door koppeling van opvang aan een vertrektermijn van 4 weken zou volgens de Raad voor de rechtspraak [Wetgevingsadvies 2008/18, 15 mei 2008; zie ook Wetgevingsadvies 2009/09, 19 maart 2009 )] het belang bij een behandeling met voorrang van een verzoek om een voorlopige voorziening behouden blijven [31994 nr 3; 31994 nr 6; 31994 nr 25].

    Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [bijvoorbeeld ABRS, 19 januari 2010, 201000133/2/V1] en tegenwoordig ook eerstelijnsrechters [bijvoorbeeld Vzr Rtb DH zp DB, 17 december 2009, Awb 09/40361, LJN BK8531; Vzr Rtb DH zp DB, 27 augustus 2009, Awb 09/24172, LJN BK3233; Vzr Rtb DH zp A'dam, 3november 2009, Awb 09/24943, LJN BK3140; Vzr Rtb DH zp A'dam,20 oktober 2009, Awb 09/19115, LJN BK2231] volgt dat de omstandigheid dat een besluit voor uitvoering vatbaar is geen spoedeisend belang oplevert alsbedoeld in artikel 8:81 Awb.

    Indien een verzoek om een voorlopige voorziening voor afwijzing vatbaar is vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang, wat is dan nog het belang bij een spoedige behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend door een asielverzoeker die nog in de opvang zit en die niet wordt uitgezet in afwachting van de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Het spoedeisend belang bij de voorlopige voorziening en het belang bij een spoedige behandeling van die voorlopige voorziening ontstaat op zijn vroegst bij verlopen van de vertrektermijn en de beëindiging van opvang.

    De Staatssecretaris van Justitie gaat er van uit dat een afgwezen asielverzoek binnen 4 weken door een rechter kan zijn beoordeeld. Het is de vraag of dat optimisme gerechtvaardigd is.

    zondag 5 juli 2009

    Vz ABRS, 5 juni 2009, 200903471/2/V3

    Op 16 april 2009 verklaart de rechtbank 's-Gravenhage nzp Utrecht het beroep van een ongewenstverklaarde vreemdeling gegrond [Rtb DH Utrecht, 16 aprl 2009, Awb 08/28966, LJN BI2385]. De rechtbank overweegt dat de ongewenstverklaarde vreemdeling als werknemer geen rechten kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije maar overweegt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de ongewenstverklaarde vreemdeling als kind van zijn bipatride vader aan dat Associatiebesluit geen rechten kan ontlenen.

    Zowel de Staatssecretaris van Justitie als de ongewenstverklaarde vreemdeling stellen hoger beroep in, de ongewenst verklaarde vreemdeling onder de gelijktijdige indiening van een verzoek om een voorlopige voorziening [uitzettingsverbod].

    Indien na gegrond verklaring van een beroep hoger beroep wordt ingesteld dan is de voorzieningenrechter in hoger beroep bevoegd om een beslissing te nemen op een verzoek om een voorlopige voorziening [M.Schreuders-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure, 2008, 3e druk, ISBN 9789013054224, pagina 477; CRvB, 23 april 2004, 03/506 NABW, LJN AF8656; CRvB, 6 juni 2007, 07/1754 AWBZ-VV, LJN BA6895; (Update) ABRS, 29 juni 2009, 200901982/3/V1].

    De voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] overweegt in de uitspraak van 5 juni 2009 op het verzoek om een voorlopige voorziening expliciet, voozover ik na kan gaan voor de tweede keer, dat de omstandigheid dat een vreemdeling ongewenst is verklaard een spoedeisend belang oplevert [ABRS, 5 juni 2009, 200903471/2/V3; 1e keer: ABRS, 27 november 2008, 200808392/2; anders: ABRS, 29 september 2008, 200707465/2].

    Bij de beoordeling van een verzoek om een voorlopige voorziening is een in het kader van een belangenafweging gegeven voorlopig oordeel over de uitkomst van bodemzaak van belang. De voorzitter van de Afdeling overweegt in de uitspraak van 5 juni 2009 met de standaardriedel die normaliter wordt gebruikt in het geval van toewijzing van een door de Staatssecretaris van Justitie ingediend verzoek om een voorlopige voorziening dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven.

    Vervolgens overweegt de voorzitter van de Afdeling in de uitspraak van 5 juni 2009 met de min of meer standaardriedel die wordt gebruikt in het geval van afwijzing van een door een vreemdeling ingediend verzoek om een voorlopige voorziening dat er geen grond is om aan te nemen dat uiteindelijk zal blijken dat de vreemdeling niet ongewenst verklaard had mogen worden.

    vrijdag 20 februari 2009

    ABRS, 14 maart 2008, 200708582/1: Ongewenstverklaring & schorsing rechtsgevolgen

    In een uitspraak van 14 maart 2008 op een hoger beroep van een ongewenstverklaarde asielzoekende vreemdeling wiens asielberoep ongegrond was verklaard overweegt de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] ambtshalve dat de rechtbank het beroep niet ontvankelijk had moeten verklaren wegens het ontbreken van procesbelang [ABRS, 14 maart 2008, 200708582/1, JV 2008/178 (bozige) nt mr Pieter Boeles].

    De voorzieningenrechter van de rechtbank had in die zaak een verzoek om een voorlopige voorzieningen toegewezen en alle rechtsgevolgen geschorst van de afwijzing van de asielaanvraag waartoe volgens de voorzieningenrechter ook behoorde het in artikel 67 lid 3 Vw bepaalde dat een ongewenstverklaarde geen rechtmatig verblijf kan krijgen.

    De Afdeling overweegt dat schorsing van de rechtsgevolgen van een ongewenstverklaring niet betekent dat een ongewenstverklaarde vreemdeling over een verblijfsvergunning kan beschikken en dat gelet op de aard en strekking van een ongewenstverklaring een getroffen voorziening uitsluitend geacht wordt te strekken tot een uitzettingsverbod.

    Artikel 6:16 Awb jo artikel 6:24 Awb bepaalt dat een bestuursrechtelijk rechtsmiddel de werking van een bestreden besluit of uitspraak niet schorst tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Om de gevolgen van een [uitzondering op de] regel te ondervangen of te beperken kan een voorlopige voorziening worden getroffen hangende bezwaar of beroep. Een voorlopige voorziening kan strekken tot [partiele] schorsing van besluit of uitspraak, tot opheffing van de schorsende werking ex lege van bezwaar of beroep of tot enig andere passend geachte maatregel. [M. Schreuders-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure, 2008 Kluwer, 9789013054224, Hoofdstuk 5]

    Het bepaalde in artikel 67 lid 3 Vw is imho niet een rechtsgevolg van een besluit tot afwijzing van een een aanvraag om toelating maar van een besluit tot ongewenstverklaring. Ik vraag me af of een voorlopige voorziening hangende een bezwaar of beroep tegen een besluit of uitspraak X überhaupt kan strekken tot schorsing van besluit of uitspraak Y. De schorsing van een besluit tot ongewenstverklaring hangende een beroep tegen het besluit tot afwijzing van een aanvraag om toelating is gelet op de rechtspraak van de Afdeling over het belang van vreemdelingen bij procederen over verblijf zinledig.

    Schorsing van het rechtsgevolg 'onrechtmatig verblijf' van een besluit tot ongewenstverklaring hangende een bezwaar of beroep tegen dat besluit leidt tot niets omdat toewijzing van een daartoe strekkend verzoek geen rechtmatig verblijf oplevert in de zin van artikel 8Vw. Dat is imho slechts anders indien er sprake is van een parallelle verblijfsprocedure met schorsende werking van rechtswege.

    Ik zie niet in waarom een voorlopige voorziening hangende bezwaar of beroep tegen een ongewenstverklaring niet zou kunnen strekken tot schorsing van het rechtsgevolg 'strafbaar verblijf' en/of verwijdering van de signalering 'ONGEW' uit de daartoe bestemde registers [OPS & (N)SIS].

    Zo'n voorziening voorkomt strafrechtelijke vervolging wegens overtreding van artikel 197 Sr en/of verschaft de strafrechtelijk vervolgde ongewenst verklaarde vreemdeling juridische wapens ten behoeve van zijn verdediging in de straf zaak.

    Er is belang bij een dergelijke voorziening omdat door strafrechtelijke vervolging wegens overtreding van artikel 197 Sr een nieuwe grond voor ongewenstverklaring wordt gecreëerd. Het belang is bovendien spoedeisend gelet op een uitspraak van de Afdeling van 27 november 2008 waarin de Afdeling overweegt dat ongewenstverklaring een spoedeisend belang oplevert bij een voorlopige voorziening [ABRS, 27 november 2008, 200808392/2].

    zondag 4 januari 2009

    Uitzettingsverbod in hoger beroep

    Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] volgt dat voor een uitzettingsverbod in hoger beroep in beginsel alleen grond kan zijn indien in hoger beroep een toelatingsvraag aan de orde is. In dat geval moet een voorziening mogelijk zijn die voorkomt dat een vreemdeling wordt uitgezet ten aanzien van wie naderhand blijkt dat hij aanspraak op toelating heeft [ABRS, 3 november 2008, 200807951/2; ABRS, 11 juli 2008, 200805134/2 (bewaringszaken)].

    In een bewaringsprocedure in hoger beroep is slechts aan de orde of een vreemdeling zijn vrijheid mocht worden ontnomen en doet een onrechtmatige inbewaringstelling niet af aan de bevoegdheid van de Staatssecretaris van Justitie om tot uitzetting over te gaan [zie voornoemde uitspraken].

    In een ongewenstverklaringsprocedure in hoger beroep is slechts aan de orde of een vreemdeling ongewenst mocht worden verklaard. Een toelatingsvraag komt in die ongewenstverklaringsprocedure niet aan de orde hooguit daarbuiten na herroeping, intrekking of opheffing van de ongewenstverklaring [ABRS 6 juli 2006 200510434/1, JV 2006/347; ABRS, 26 juli 2006, 200601808/1, JV 2006/352; 19 juli 2007, 200702240/1; enzovoort].

    Toch worden verzoeken om een uitzettingsverbod in ongewenstverklaringsprocedures toegewezen [ABRS, 13 november 2008, 200805292/2; ABRS, 17 juli 2008, 200805378/2]. In een ongewenstverklaringsprocedure komt net als in een bewaringsprocedure geen toelatingsvraag aan de orde maar vaak wel, anders dan in een bewaringsprocedure, de vraag of er mag worden uitgezet. Kennelijk gaat het bij de beoordeling van de vraag of er in beginsel grond kan zijn voor een uitzettingsverbod daarom en niet om de vraag of er een aanspraak is op toelating.

    Het gros van de verzoeken om een uitzettingsverbod in hoger beroep sneuvelt omdat een spoedeisend belang ontbreekt [(voor uitvoering vatbaar besluit tot afwijzing van de toelatingsaanvraag is géén spoedeisend belang) ABRS, 17 december 2008, 200808798/2; ABRS, 10 december 2008, 200808769/2; ABRS, 26 november 2008, 200802583/2; ABRS, 20 november 2008, 200807912/2; ABRS, 19 november 2008, 200805382/2)] of omdat er 'thans geen grond (is) om aan te nemen dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep zal worden vernietigd' [ABRS, 9 december 2008, 200808780/2; ABRS, 5 december 2008, 200808762/2; ABRS, 27 november 2008, 200808392/2; ABRS, 25 november 2008, 200807283/2; ABRS, 6 november 2008, 200808003/2].

    In een uitspraak van 27 november 2008 heeft de Afdeling overwogen dat de omstandigheid dat een vreemdeling ongewenst is verklaard een spoedeisend belang oplevert [ABRS, 27 november 2008, 200808392/2]. Ik begrijp eerlijk gezegd niet goed waarom een voor uitvoering vatbaar besluit tot ongewenstverklaring wel een spoedeisend belang bij een uitzettingsverbod met zich meebrengt en een voor uitvoering vatbaar besluit tot afwijzing van een toelatingsaanvraag niet.

    Wie het weet mag het zeggen.

    zondag 7 december 2008

    ABRS 19 november 2008 200802818/1&3: Artikel 8:45 Awb

    Sinds 1 januari 2008 heeft de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] maar liefst 6 verzoeken om een voorlopige voorziening (uitzettingsverbod) van asielzoekende vreemdelingen toegewezen. In 4 bodemzaken is het hoger beroep inmiddels gepeekt, in de andere 2 bodemzaken wordt daar nog op gewacht.

    In een van voornoemde 4 bodemzaken is aan het peken een verzoek door de Afdeling om onderliggende stukken van een individueel ambtsbericht vooraf gegaan [ABRS, 19 november 2008, 200802818/1 (bodem), 200802818/3 (vovo)].

    Het gaat in die zaak om asielzoekende vreemdelingen uit Colombia die (overheids)documenten hadden overgelegd die volgens een individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken vals bevonden waren. In beroep waren wederom (overheids)documenten overgelegd die de authenticiteit van de vals bevonden documenten bevestigden.

    De zaak lijkt op die waarover de Afdeling op 1 oktober 2008 oordeelde [ABRS, 1 oktober 2008, 200801087/1; zie ook hier] maar verschilt daarvan in die zin dat de (overheids)documenten overgelegd ter staving van de authenticiteit van vals bevonden (overheids)documenten niet van een apostille of iets dergelijks waren voorzien, ook niet in hoger beroep. In zo'n geval is er kennelijk geen sprake van aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van een individueel ambtsbericht.

    Uit uitspraken van de Afdeling van 13 november 2003 [ABRS, 13 november 2003, 200303907/1, JV 2004/22] en 13 maart 2007 [ABRS, 13 maart 2007, 200607845/1, LJN BA1217] kan worden opgemaakt dat indien concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van een individueel ambtsbericht ontbreken de rechterlijke toetsing van dat individuele ambtsbericht in beginsel beperkt is tot de vraag of het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, onder aanduiding van - voorzover mogelijk en verantwoord - de bronnen waaraan die informatie is ontleend [anders: ABRS, 16 januari 2004, 200305368/1, JV 2004/83; ABRS, 29 januari 2004, 200306578/1, JV 2004/133].

    Zou het kunnen zijn dat het verzoek om een voorlopige voorziening werd toegewezen omdat de rechtbank nagelaten had het individuele ambtsbericht te toetsen op de door de Afdeling voorgeschreven wijze?

    [Update 090318: Vergelijk ABRS, 26 februari 2009, 200900543/2/V1]

    vrijdag 14 november 2008

    Verzoeken om een uitzettingsverbod hangende hoger beroep

    Niet op voorhand is aannemelijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep in stand zal blijven. Nu voorts is gebleken van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, komt het verzoek op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.

    Op de website van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State zijn 5 uitspraken te vinden waarin het verzoek van een appellerende vreemdeling om een uitzettingsverbod hangende het hoger beroep is toegewezen [gezocht op: "niet op voorhand is aannemelijk" spoedeisend].

    In 1 bodemzaak is het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard [ABRS, 15 november 2007, 200706949/2 (bodem, art 3lid 2 DVo)].

    In 2 bodemzaken is het hoger beroep gepeekt [ABRS, 19 februari 2008, 200801197/2 (bodem, asiel); ABRS, 13 maart 2008, 200709100/2 (bodem, regulier)].

    In 2 bodemzaken is nog geen uitspraak gedaan [ABRS, 17 juli 2008, 200805378/2 (bodem?, ongewenstverklaring); ABRS, 8 oktober 2008, 200802818/3 (bodem?, asiel)].

    woensdag 12 november 2008

    Staatssecretariele verzoeken om een voorlopige voorziening

    Niet valt op voorhand uit te sluiten dat de uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De uitspraak op dat hoger beroep zal op korte termijn worden gedaan. Onder die omstandigheden en nu niet is gebleken van bijzondere belangen die er in dit geval toe nopen dat aan de aangevallen uitspraak gevolg wordt gegeven voordat op het hoger beroep is beslist, ziet de voorzitter aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.
    overwoog de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State in het eerste kwartaal van dit jaar op 24 door de Staatssecretaris van Justitie ingediende verzoeken ]om een voorlopige voorziening] om aan de uitspraak in hoger beroep bestreden geen gevolg te hoeven geven. Geen enkel verzoek van de Staatssecretaris van Justitie om een voorlopige voorziening werd afgewezen.

    In 5 bodemzaken is nog steeds geen uitspraak gedaan of het hoger beroep ingetrokken [Vz ABRS, 29 januari 2008, 200800377/2; Vz ABRS, 30 januari 2008, 200800436/2 ; Vz ABRS, 30 januari 2008, 200800337/2; Vz ABRS, 6 februari 2008, 200800645/2; ABRS, 25 februari 2008, 200801118/2].

    In 14 bodemzaken is het hoger beroep gegrond verklaard [Vz ABRS, 7 januari 2008, 200708887/2 (bodem); Vz ABRS, 14 januari 2008, 200709018/2 (bodem); Vz ABRS, 14 januari 2008, 200709106/2 (bodem); Vz ABRS, 23 januari 2008, 200800038/2 (bodem); Vz ABRS, 23 januari 2008, 200800343/2 (bodem); Vz ABRS, 25 januari 2008, 200800338/2 (bodem); Vz ABRS, 25 januari 2008, 200800297/2 (bodem); Vz ABRS, 25 januari 2008, 200800651/2 (bodem); Vz ABRS, 30 januari 2008, 200800439/2 (bodem); Vz ABRS, 2 februari 2008, 200800376/2 (bodem); Vz ABRS, 14 februari 2008, 200800851/2 (bodem); Vz ABRS, 18 februari 2008, 200800858/2 (bodem); Vz ABRS, 22 februari 2008, 200801101/2 (bodem); Vz ABRS, 25 februari 2008, 200801140/2 (bodem)].

    In 1 bodemzaak is de bestreden uitspraak bevestigd [Vz ABRS, 15 januari 2008, 200709174/2 (bodem)].

    In 4 bodemzaken is het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard [Vz ABRS, 3 januari 2001, 200708716/2 (bodem); Vz ABRS, 1 februari 2008, 200800236/2 (bodem); Vz ABRS, 27 februari 2008, 200801159/2 (bodem); Vz ABRS, 3 maart 2008, 200801233/2 (bodem)].

    Valt hieruit iets te leren? Geen idee!