dinsdag 3 mei 2022

Conclusie AG Pikamäe XU en QP t Spanje 13-01-2022 ECLI:EU:C:2022:24 C‑451/19 en C‑532/19

Op 13 januari 2022 heeft AG Pikamäe geconcludeerd in de zaak XU en QP t Spanje. Op 5 mei 2022 wijst het EU Hof van Justitie arrest in de zaken. 


Waar gaat het over

In de zaak XU (C‑451/19) gaat over over de minderjarige derdelander die zoon is van een derdelander die huwelijkpartner is van een unieburger die nooit gebruik gemaakt heeft van zijn verkeersvrijheden. XU heeft een half-broer (zij delen een moeder) die eveens een unieburger is die nooit van zijn verkeersvrijheden gebruik heeft gemaakt. XU beoogt verblijf bij zijn stiefvader. Het ontbreken van voldoende middelen van bestaan staat aan de verlening van een (regulier) verblijfsrecht in de weg.

In de zaak QP ( C‑532/19) gaat over een meerderjarige derdelander die huwelijkpartner is van een unieburger die nooit gebruik gemaakt heeft van haar verkeersvrijheden. Uit het huwelijk van QP en zijn huwelijkspartner is een kind geboren dat eveens een unieburger is die nooit van verkeersvrijheden gebruik heeft gemaakt. QP heeft een soort van strafblad. Hij is twee keer veroordeeld wegens het rijden zonder rijbewijs en een keer vanwege rijden onder invloed. Het ontbreken van voldoende middelen van bestaan staat aan de verlening van een (regulier) verblijfsrecht in de weg.


Prejudiciële vragen 

  • Verzet artikel 20 VWEU zich tegen de eis dat een Spaanse burger die zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, voldoet aan de voorwaarden van [...] als noodzakelijke voorwaarde voor het [...] verlenen van het verblijfsrecht aan een uit een derde land afkomstig minderjarig kind van zijn eveneens uit het derde land afkomstige echtgenote, indien de Spaanse burger, als niet aan die voorwaarden wordt voldaan, zich ten gevolge van de weigering om dat recht te verlenen gedwongen zou zien het grondgebied van de Unie in haar geheel te verlaten?  Een en ander gelet op het feit dat echtgenoten volgens artikel 68 van het Spaanse burgerlijk wetboek moeten samenwonen.
  • Staat artikel 20 VWEU er in elk geval aan in de weg dat de Spaanse Staat automatisch de [bovengenoemde] regeling toepast en een onderdaan van een derde land, namelijk het minderjarige kind van de eveneens uit het derde land afkomstige echtgenote van een burger van de Unie die nooit zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend (terwijl de echtgenoten daarnaast samen een minderjarig kind met de Spaanse nationaliteit hebben dat evenmin zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend), een verblijfsvergunning weigert op de enkele en uitsluitende grond dat de Unieburger niet voldoet aan de in dat artikel gestelde voorwaarden, zonder dat concreet en op individuele basis is nagegaan of er een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen die Unieburger en de derdelander bestaat dat de betrokken Unieburger bij weigering van het recht van verblijf aan de derdelander, om welke reden dan ook en gelet op de omstandigheden, niet kan worden gescheiden van het familielid dat van hem afhankelijk is, en zich gedwongen zou zien om het grondgebied van de Unie te verlaten, met name wanneer de Spaanse burger en zijn echtgenote die onderdaan van een derde land is samen een minderjarig kind met de Spaanse nationaliteit hebben dat zich, in navolging van zijn ouders, ook gedwongen zou kunnen zien het Spaanse grondgebied te verlaten? Een en ander gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder het arrest van 8 mei 2018, C-82/16, K.A. e.a./Belgische Staat?


Conclusie AG Pikamäe

A. Voorafgaande opmerkingen

AG Pikamäe bespreekt twee hoofdthema's. In het kader van het eerste hoofdthema stelt AG Pikamäe vast of een derdelander in omstandigheden als die XU en QP een afgeleid recht geniet op grond van artikel 20 VWEU. In het kader van het tweede hoofdthema gaat AG Pikamäe in op de eisen die in de rechtspraak van het Hof aan het onderzoek van een afhankelijkheidsverhouding worden gesteld.

B.  Eerste hoofdthema: komt aan derdelanders in de omstandigheden van de onderhavige zaken een afgeleid recht toe?

1.  Aspecten waarmee in het kader van deze analyse rekening moet worden gehouden

Uit ECLI:EU:C:2020:119 volgt dat niet kan worden uitgesloten dat artikel 20 VWEU zich verzet tegen de weigering van een verblijfsrecht aan een derdelander die familielid is van een unieburger enkel en alleen omdat die niet beschikt over voldoende bestaansmiddelen.

Uit ECLI:EU:C:2020:119 volgt dat moet worden onderzocht of tussen deze unieburger en haar huwelijkspartner een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestond dat bij weigering van een afgeleid verblijfsrecht de unieburger gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten om bij haar huwelijkspartner te kunnen blijven en daarmee feitelijk te kunnen voorzien in het onderhoud van de van haar afhankelijke persoon.

De zaken van XU en QP vertonen overeenkomsten met die van de derdelander in ECLI:EU:C:2020:119 maar ook verschillen.  Een (aanzienlijk) verschil is dat in de zaken XU en QP ook sprake is van minderjarige unieburgers.

2.  Uiteenzetting van de huidige stand van de rechtspraak over het burgerschap van de Unie

a)  Rechtspraak over het afgeleid verblijfsrecht dat derdelanders ontlenen aan hun hoedanigheid van familielid van een Unieburger

Artikel 20 VWEU verleent aan een ieder die de nationaliteit van een lidstaat heeft de hoedanigheid van burger van de Unie, die de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten moet zijn. Het burgerschap van de Unie verleent iedere Unieburger (...)  een fundamenteel en persoonlijk recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten.

Artikel 20 VWEU zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat Unieburgers het effectieve genot van de belangrijkste aan hun status ontleende rechten wordt ontzegd.

In zeer bijzondere situaties moet een derdelander familielid van een unieburger die van verkeersvrijheden geen gebruik heeft gemaakt  een verblijfsrecht worden toegekend omdat aan het burgerschap van de unie elk nuttig effect zou worden ontnomen indien die unieburger ten gevolge van de weigering om een dergelijk verblijfsrecht toe te kennen genoodzaakt zou zijn het grondgebied van de unie als geheel te verlaten  waardoor hem het effectieve genot van de belangrijkste aan die status ontleende rechten zou worden ontzegd.

De weigering om aan een derdelander een verblijfsrecht toe te kennen kan  alleen afbreuk doen aan het nuttige effect van het burgerschap van de unie indien er tussen die derdelander en de unieburgereen zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat dit ertoe zou leiden dat de unieburger gedwongen is de betrokken derdelander te vergezellen en het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten. 

Een verblijfsrecht komt slechts aan de orde indien de derdelander familielid niet voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op andere gronden.

#Oeps. Indien van een zodanige afhankelijkheid sprake is dat een op artikel 20 VWEU gebaseerd verblijfsrecht moet worden verleend dat lijkt de betrokken derdelander ook te voldoen aan een verblijfsrecht op grond van artikel 8 EVRM. Dat is ook nog eens een gunstiger verblijfsrecht omdat niet in geschil is dat daarmee rechten worden opgebouwd.

In de rechtspraak van het EU Hof van Justitie wordt onderscheid gemaakt tussen minderjarige en meerderjarige derdelanders familieleden van een unieburger.

b)  Rechtspraak over de afhankelijkheidsverhouding tussen de derdelander en de Unieburger wanneer een van de betrokkenen minderjarig is

Minderjarige kinderen zijn in hoge mate afhankelijk van de steun en de bescherming van de ouders. 

De gezinssituatie moet per geval worden beoordeeld. 

Relevant wie het gezag over het kind heeft en of de wettelijke, financiële of affectieve last van dat kind berust bij de ouder die een derdelander is. 

Relevant is ook (*) de leeftijd van het kind, (**) zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, (***) de mate waarin het een affectieve relatie heeft met zowel de ouder die unieburger is als de ouder die een derdelander is, alsmede (****) het risico dat het evenwicht van het kind zou worden verstoord indien het van deze laatste ouder werd gescheiden.

Samenwoning is ook relevant maar niet een noodzakelijke voorwaarde.

Het bestaan van een gezinsband is onvoldoende.

3.  Toepassing van de in de rechtspraak van het Hof ontwikkelde beginselen op de onderhavige zaken

a)  Gemeenschappelijke elementen van de in de rechtspraak behandelde zaken

Om te bepalen of XU en QP een verblijfsrecht kunnen ontlenen aan artikel 20 VWEU dient de gezinssituatie van elk van hen te worden onderzocht.

Omdat er minderjarige kinderen in het spel zijn acht AG Pikamäe de in het arrest KA ea t België geformuleerde beginselen van belang.  

b)  Belangrijkste element van de analyse: vaststelling van een afhankelijkheidsverhouding binnen het gezin

1)  Onderzoek van zaak C‑532/19 (QP)

Namens QP is aangevoerd dat de Spaanse samenwoningsverplichting voor huwelijkspartners  in de weg staat. Uit ECLI:EU:C:2020:119 volgt dat een beroep op een samenwoningsverplichting geen kans van slagen heeft.

#Oeps QP blijkt geen beroep te hebben gedaan op de omstandigheid dat zijn dochter een Spaanse unieburger is

Volgens AG Pikamäe moet het EU Hof van Justitie  om een nuttig antwoord te kunnen geven bij de beantwoording van de prejudiciële vragen betrekken dat QP een dochter heeft die unieburger is.

AG Pikamäe verwijst naar (ondermeer) eerder genoemde rechtspraak van het EU Hof van Justeitie en het eminente belang dat het EU Hof van Justitie hecht aan het recht op een gezinsleven en (hogere) belangen van  kinderen.

Openbare orde kwesties kunnen in de weg staan aan een op artikel 20 VWEU gebaseerd verblijfsrecht. Ook in het geval van openbare orde kwesties moet een concrete beoordeling worden gemaakt van alle relevante omstandigheden. Indien sprake is  van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast kan een op artikel 20 VWEU gebaseerd verblijfsrecht worden onthouden.

AG Pikamäe vraagt zich af of in het geval van QP diens strafblad aan verlening van een op artikel 20 VWEU gebaseerd verblijfsrecht in de weg kan staan.

2)  Onderzoek van zaak C‑451/19 (XU)

AG Pikamäe acht het zinvol om eerst te onderzoeken of XU   voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn gelet op de subsidiaire toepassing van een oip artikel 20 VWEU gebaseerd verblijfsrecht (zie hierboven).

De moeder van XU lijkt volgens AG Pikamäe te kunnen aangemerkt als gezinshereniger in de zin van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De omstandigheid dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op gezinsleden van unieburgers doet daar volgens AG Pikamäe niet aan af [AG Pikamäe bespreekt Dereci ea t Oostenrijk en O ea t Finland].  

Het EU Hof van Justitie zou volgens AG Pikamäe de aandacht van de verwijzende rechter moeten vestigen op het eventuele recht op gezinshereniging van XU met zijn moeder Op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Indien XU aan de Gezisnherenigingsrichtlijn geen rechten kan ontlenen moet worden onderzocht of hij aan artikel 20 VWEU een verblijfsrecht kan ontlenen.

Volgens AG Pikamäe is niet XU de 'relevante' derdelander maar de moeder van XU die niet alleen de moeder is van de minderjarige van haar afhankelijke XU maar ook de moeder van een van haar afhankelijke minderjarige unieburger. De moeder van XU heeft echter een verblijfsrecht.

Als de huwelijkspartner van de moeder van XU en hun zoon gedwongen zouden zijn om de moeder van XU en XU te volgen om de eenheid van het gezin in stand te houden dan verliezen de huwelijkspartner van de moeder van XU en hun zoon het effectieve genot van hun rechten als unieburgers. Zij verliezen volgens AG Pikamäe ook het effectieve genot [althans de unieburger zoon]  indien alleen XU en zijn moeder gedwongen zouden worden terug te keren naar hun land van herkomst althans indien sprake is van de vereiste afhankelijkheidsverhouding.

Kan het effectieve genot van rechten van unieburgers ook verloren gaan indien zij niet het grondgebied van de unie verlaten?

Volgens AG Pikamäe is artikel 20 VWEU ook in een geval als dat van XU en zijn specifieke omstandigheden relevant.

4.  Samenvatting van de analyse van het eerste hoofdthema

[...]

C. Tweede hoofdthema: welke eisen stelt de rechtspraak aan het onderzoek naar het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding?

1.  Onverenigbaarheid van de Spaanse administratieve praktijk met de door het Hof ontwikkelde benadering

[...]

2.  Samenvatting van de analyse van het tweede hoofdthema

[...]

D. Conclusie

  • Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat het recht op verblijf weigert aan een derdelander die een familielid is van een volwassen Unieburger die onderdaan van deze lidstaat is en nooit zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend, op de enkele grond dat deze Unieburger niet over voldoende financiële middelen voor de leden van zijn gezin beschikt om te voorkomen dat zij ten laste van het nationale socialebijstandsstelsel komen wanneer binnen het gezin een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen die derdelander en een burger van de Unie, en met name een minderjarige burger van de Unie, bestaat dat indien het verblijfsrecht aan de derdelander werd geweigerd, de afhankelijke Unieburger gedwongen zou zijn om het grondgebied van de Europese Unie als geheel te verlaten, waardoor hem het effectieve genot van de belangrijkste met het Unieburgerschap verbonden rechten zou worden ontzegd.
  • Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat de enkele omstandigheid dat de meerderjarige onderdaan van een lidstaat die nooit gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, en zijn meerderjarige huwelijkspartner die onderdaan is van een derde land, verplicht zijn samen te wonen op grond van de verplichtingen die uit het huwelijk voortvloeien volgens het recht van de lidstaat waarvan de burger van de Europese Unie onderdaan is, niet volstaat om van een zodanige afhankelijkheidsverhouding te kunnen spreken dat dit de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht krachtens deze bepaling wettigt.


Overige rechtspraak EU Hof van Justitie

  • Zambrano t België 08-03-2011 ECLI:EU:C:2011:124 C-34/09
    • Burgerschap van Unie - Artikel 20 VWEU - Toekenning van verblijfsrecht op grond van Unierecht aan minderjarig kind op grondgebied van lidstaat waarvan dit kind nationaliteit heeft ongeacht eerdere uitoefening van zijn recht op vrij verkeer op grondgebied van lidstaten - Toekenning, in dezelfde omstandigheden, van afgeleid verblijfsrecht aan bloedverwant in opgaande lijn, staatsburger van derde staat, die minderjarig kind ten laste heeft - Gevolgen van verblijfsrecht van minderjarig kind voor voorwaarden inzake arbeidsrecht waaraan moet worden voldaan door bloedverwant in opgaande lijn van deze minderjarige, staatsburger van derde staat.
    • Verklaring voor recht
      • Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een staatsburger van een derde staat, die zijn kinderen van jonge leeftijd, burgers van de Unie, ten laste heeft, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar deze kinderen verblijven en waarvan zij de nationaliteit bezitten, en hem bovendien een arbeidsvergunning weigert, aangezien dergelijke beslissingen de betrokken kinderen het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten ontzeggen.
    • Overige overwegingen
  • Alfredo Rendón Marín t Spanje 13-09-2016 ECLI:EU:C:2016:675 C-165/14
    • Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Unie – Artikelen 20 en 21 VWEU – Richtlijn 2004/38/EG – Verblijfsrecht in een lidstaat van een derdelander met een strafblad – Ouder die als enige de zorg heeft voor twee minderjarige kinderen die Unieburger zijn – Eerste kind met de nationaliteit van de woonlidstaat – Tweede kind met de nationaliteit van een andere lidstaat – Nationale wettelijke regeling die uitsluit dat aan die bloedverwant in opgaande lijn een verblijfstitel wordt verleend, wegens diens strafblad – Weigering van verblijf die ertoe kan leiden dat de kinderen het grondgebied van de Unie moeten verlaten.
    • Verklaring voor recht
      • Artikel 21 VWEU en richtlijn 2004/38/EG (...) moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die gebiedt dat automatisch wordt geweigerd een verblijfsvergunning te verlenen aan een derdelander die ouder is van een minderjarig kind dat Unieburger is en onderdaan van een andere lidstaat dan de gastlidstaat en dat te zijnen laste is en met hem in de gastlidstaat woont, louter wegens het strafblad van deze derdelander.
      • Artikel 20 VWEU moet in die zin worden uitgelegd dat het zich verzet tegen diezelfde nationale regeling die gebiedt dat automatisch wordt geweigerd een verblijfsvergunning te verlenen aan een derdelander, ouder van minderjarige kinderen die Unieburger zijn en voor wie alleen hij de zorg heeft, louter wegens het strafblad van deze derdelander, wanneer die weigering tot gevolg heeft dat deze kinderen genoopt worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.
    • Overige overwegingen
      • In deze context moet worden vastgesteld dat de weigering om een verblijfsrecht te verlenen is gebaseerd op het bestaan van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid, gelet op de strafbare feiten die zijn gepleegd door de derdelander die als enige zorg draagt voor kinderen die Unieburgers zijn, zodat een dergelijke weigering in overeenstemming zou zijn met het Unierecht. [Mogelijkheid om beperkingen te stellen op een uit artikel 20 VWEU voortvloeiend afgeleid verblijfsrecht, 84]
  • Chavez-Vilchez ea t Nederland 10-05-2017  ECLI:EU:C:2017:354 C-133/15
    • Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Unie – Artikel 20 VWEU – Verblijfsrecht in een lidstaat als voorwaarde voor toegang tot een bijstandsuitkering en kinderbijslag – Derdelander die de daadwerkelijke dagelijkse zorg heeft voor zijn minderjarig kind dat staatsburger van die lidstaat is – Verplichting voor de derdelander om aan te tonen dat de andere ouder, staatsburger van die lidstaat, niet voor het kind kan zorgen – Weigering van verblijf waardoor het kind genoopt kan zijn het grondgebied van de lidstaat of zelfs het grondgebied van de Unie te verlaten
    • Verklaring voor recht
      • Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat, voor de beoordeling of een kind, burger van de Europese Unie, genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten en hem dus het effectieve genot van de essentie van de rechten die dat artikel hem verleent zal worden ontzegd indien aan zijn ouder, onderdaan van een derde land, een verblijfsrecht in de betrokken lidstaat werd geweigerd, de omstandigheid dat de andere ouder, burger van de Unie, daadwerkelijk alleen de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind kan en wil dragen, een gegeven vormt dat relevant is, maar dat niet volstaat om te kunnen vaststellen dat er tussen de ouder die onderdaan van een derde land is en het kind niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind in geval van een dergelijke weigering het grondgebied van de Unie zou moeten verlaten. Om tot een dergelijke vaststelling te komen moeten, in het hogere belang van het kind, alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden.
      • Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een lidstaat aan het verblijfsrecht op zijn grondgebied van een onderdaan van een derde land, ouder van een minderjarig kind dat de nationaliteit van die lidstaat heeft, voor wie hij dagelijks daadwerkelijk zorgt, de verplichting verbindt dat die onderdaan de gegevens verschaft die aantonen dat het kind bij een weigering om een verblijfsrecht toe te kennen aan de ouder die onderdaan van een derde land is, het effectieve genot van de essentie van de aan de status van burger van de Unie ontleende rechten zou worden ontzegd doordat het genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten. Het is echter aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat om aan de hand van de door de onderdaan van een derde land verschafte gegevens het nodige onderzoek te doen teneinde, gelet op alle omstandigheden van het geval, te kunnen beoordelen of een weigering dergelijke gevolgen zou hebben.
    • Overige overwegingen
      • In dit verband zij in herinnering gebracht dat het Hof het in het arrest van 6 december 2012, O e.a. (C‑356/11 en C‑357/11, EU:C:2012:776, punten 51 en 56) voor de bepaling of de weigering om een verblijfsrecht toe te kennen aan de ouder, onderdaan van een derde land, van een kind, burger van de Unie, voor dat kind zou meebrengen dat het de voornaamste aan zijn status verbonden rechten niet kan uitoefenen, relevant heeft geacht wie het gezag over het kind heeft en of de wettelijke, financiële of affectieve last van dat kind berust bij de ouder die onderdaan van een derde land is.[68]
      • In het onderhavige geval moet, voor de beoordeling van het risico dat het betrokken kind, burger van de Unie, genoopt zal zijn het grondgebied van de Unie te verlaten en hem dus het effectieve genot van de essentie van de rechten die artikel 20 VWEU hem verleent, zal worden ontzegd indien aan zijn ouder, onderdaan van een derde land, een verblijfsrecht in de betrokken lidstaat werd geweigerd, voor elk van de hoofdgedingen worden bepaald welke ouder de daadwerkelijke zorg over het kind heeft en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen het kind en de ouder die onderdaan is van een derde land. In het kader van die beoordeling dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarbij dat artikel moet worden gelezen in samenhang met de verplichting tot inachtneming van het in artikel 24, lid 2, van dat Handvest erkende hogere belang van het kind. [70]
      • Voor die beoordeling vormt de omstandigheid dat de andere ouder, burger van de Unie, daadwerkelijk alleen de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind kan en wil dragen, een gegeven dat relevant is, maar dat op zich niet volstaat om te kunnen vaststellen dat er tussen de ouder die onderdaan van een derde land is en het kind niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten indien aan die onderdaan van een derde land een verblijfsrecht werd geweigerd. Om tot een dergelijke vaststelling te komen moeten immers, in het hogere belang van het kind, alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden. [71]
  • KA t België 08-05-2018 ECLI:EU:C:2018:308 C-82/16
    • Prejudiciële verwijzing – Grenscontroles, asiel en immigratie – Artikel 20 VWEU – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikelen 7 en 24 – Richtlijn 2008/115/EG – Artikelen 5 en 11 – Derdelander tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd – Verblijfsaanvraag met het oog op gezinshereniging met een burger van de Europese Unie die zijn recht van vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend – Weigering de aanvraag te behandelen.
    • Verklaring voor recht
      • Richtlijn 2008/115/EG (...), met name de artikelen 5 en 11 ervan, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een praktijk van een lidstaat die inhoudt dat hij een verblijfsaanvraag met het oog op gezinshereniging die op zijn grondgebied is ingediend door een derdelander, familielid van een Unieburger die de nationaliteit van die lidstaat bezit en zijn recht op vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend, niet in aanmerking neemt op de enkele grond dat deze derdelander de toegang tot dat grondgebied is verboden.
      • Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat:
        • het zich verzet tegen een praktijk van een lidstaat die inhoudt dat een dergelijke aanvraag niet in aanmerking wordt genomen op die enkele grond, zonder dat is onderzocht of er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen die Unieburger en genoemde derdelander dat de weigering om aan laatstgenoemde een afgeleid verblijfsrecht toe te kennen tot gevolg zou hebben dat de betrokken Unieburger feitelijk gedwongen is het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten, zodat hem het effectieve genot van de voornaamste aan zijn status ontleende rechten wordt ontzegd;
        • wanneer de burger van de Unie meerderjarig is, het alleen in uitzonderlijke gevallen – waarin de betrokkene, gelet op alle relevante omstandigheden, op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het familielid van wie hij afhankelijk is – voorstelbaar is dat er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze kan rechtvaardigen dat aan de betrokken derdelander op grond van die bepaling een afgeleid verblijfsrecht wordt toegekend;
        • wanneer de burger van de Unie minderjarig is, bij de beoordeling of van een dergelijke afhankelijkheidsverhouding sprake is, in het belang van het kind rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, met name de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate waarin het een affectieve relatie met elk van zijn ouders heeft en het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het werd gescheiden van de ouder die onderdaan van een derde land is. Voor de vaststelling dat van een dergelijke afhankelijkheidsverhouding sprake is, is het niet voldoende dat er met deze onderdaan een gezinsband bestaat, of dat nu een biologische dan wel juridische is, noch is het daarvoor noodzakelijk dat het kind samenwoont met die onderdaan;
        • het niet van belang is dat de afhankelijkheidsverhouding waarop de derdelander zich ter ondersteuning van zijn verblijfsaanvraag met het oog op gezinshereniging beroept, is ontstaan nadat ten aanzien van hem een inreisverbod was vastgesteld;
        • het niet van belang is dat het tegen de derdelander uitgevaardigde inreisverbod definitief was geworden op het moment waarop de derdelander zijn verblijfsaanvraag met het oog op gezinshereniging indiende, en
        • het niet van belang is dat het inreisverbod dat is uitgevaardigd tegen de derdelander die een verblijfsaanvraag met het oog op gezinshereniging heeft ingediend, is gerechtvaardigd door het niet voldoen aan een terugkeerverplichting. Wanneer redenen van openbare orde de rechtvaardigingsgrond voor een dergelijke beslissing waren, kunnen deze er alleen toe leiden dat die derdelander een afgeleid verblijfsrecht op grond van dat artikel wordt ontzegd, wanneer uit een concrete beoordeling van alle omstandigheden van het geval in het licht van het evenredigheidsbeginsel, het belang van het eventuele kind of de eventuele kinderen en de grondrechten blijkt dat de betrokkene een werkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt.
      • Artikel 5 van richtlijn 2008/115 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale praktijk op grond waarvan ten aanzien van een derdelander tegen wie reeds een terugkeerbesluit met een daaraan gekoppeld inreisverbod is uitgevaardigd dat nog geldig is, een terugkeerbesluit wordt vastgesteld zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de aspecten van zijn gezins- en familieleven, waaronder met name het belang van zijn minderjarige kind, die zijn vermeld in een verblijfsaanvraag met het oog op gezinshereniging die na de vaststelling van een dergelijk inreisverbod is ingediend, behalve wanneer de betrokkene die aspecten reeds eerder had kunnen aanvoeren.
    • Overige overwegingen
      • Wat de hoofdzaken betreft (...) moet om te beginnen worden onderstreept dat volwassenen – anders dan minderjarigen, a fortiori wanneer dat kinderen van jonge leeftijd zijn (...) in beginsel in staat zijn om onafhankelijk van hun familieleden een leven te leiden. Het is dan ook slechts in uitzonderlijke gevallen voorstelbaar dat wordt erkend dat er tussen twee volwassenen die behoren tot een en dezelfde familie, een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU doet ontstaan, namelijk in gevallen waarin de betrokkene, gelet op alle relevante omstandigheden, op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het familielid van wie hij afhankelijk is. [65]
      • Wat de in de hoofdzaken (...)  betreft, zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat voor de bepaling of de weigering om een afgeleid verblijfsrecht toe te kennen aan een derdelander die de ouder is van een kind dat Unieburger is, voor dit kind zou meebrengen dat het de voornaamste aan zijn status verbonden rechten niet kan uitoefenen doordat het feitelijk is gedwongen zijn ouder te vergezellen en dus het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten, het relevant is wie het gezag over het kind heeft en of de wettelijke, financiële of affectieve last van dat kind berust bij de ouder die een derdelander is (zie in die zin arrest van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a., C‑133/15, EU:C:2017:354, punt 68en aldaar aangehaalde rechtspraak).  [70]
      • De omstandigheid dat de andere ouder, wanneer deze een Unieburger is, echt in staat – en bereid – is om de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind alleen te dragen, vormt een gegeven dat relevant is, maar op zichzelf niet volstaat om te kunnen vaststellen dat er tussen de ouder die een derdelander is en het kind geen sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten indien aan die derdelander een verblijfsrecht werd geweigerd. Om tot een dergelijke vaststelling te komen moeten immers, in het hogere belang van het kind, alle omstandigheden van het geval in de beschouwing worden betrokken, met name de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate waarin het een affectieve relatie heeft zowel met de ouder die Unieburger is als met de ouder die een derdelander is, alsmede het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder werd gescheiden (arrest van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a., C‑133/15, EU:C:2017:354, punt 71) [72]
  • Subdelegación del Gobierno en Ciudad Real tegen RH (Spanje) 07-02-2020 ECLI:EU:C:2020:119 C-836/18
    • Prejudiciële verwijzing – Artikel 20 VWEU – Burgerschap van de Europese Unie – Burger van de Unie die nooit gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer – Aanvraag voor een tijdelijke verblijfskaart voor de echtgenoot die onderdaan van een derde land is – Afwijzing – Verplichting om in de behoeften van de echtgenoot te voorzien – Onvoldoende bestaansmiddelen van de Unieburger – Samenwoonverplichting van de echtgenoten – Nationale wettelijke regeling en praktijk – Effectief genot van de belangrijkste aan de Unieburgers toegekende rechten – Verlies daarvan
    • Verklaring voor recht
      • Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat een verzoek om gezinshereniging, wanneer het wordt ingediend door de echtgenoot-derdelander van een Unieburger die de nationaliteit van die lidstaat bezit en nooit gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer, afwijst op de enkele grond dat de Unieburger voor zichzelf en zijn echtgenoot niet over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij ten laste komen van het nationale socialebijstandsstelsel, zonder dat is onderzocht of tussen beiden een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat bij weigering van een afgeleid verblijfsrecht aan de echtgenoot, de Unieburger gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten en aldus het effectieve genot zou verliezen van de belangrijkste rechten die hij aan zijn status ontleent.
      • Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat er van een afhankelijkheidsverhouding die grond oplevert voor de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht op basis van dit artikel, niet reeds sprake is op de enkele grond dat de onderdaan van een lidstaat, die meerderjarig is en nooit gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer, en zijn echtgenoot, die meerderjarig en derdelander is, gehouden zijn om samen te leven krachtens de verplichtingen die uit het huwelijk voortvloeien overeenkomstig het recht van de lidstaat waarvan de Unieburger onderdaan is.
    • Overige overwegingen
      • De weigering om aan een derdelander een verblijfsrecht toe te kennen kan echter alleen afbreuk doen aan het nuttige effect van het burgerschap van de Unie indien er tussen die derdelander en de Unieburger, die een lid is van zijn familie, een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze ertoe zou leiden dat laatstgenoemde gedwongen is de betrokken derdelander te vergezellen en het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten [arrest van 8 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C‑82/16, EU:C:2018:308, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. [ov 40]
      • Hieruit volgt dat een derdelander alleen aanspraak kan maken op een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU indien zowel deze derdelander als de Unieburger, die een familielid is, gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten wanneer geen dergelijk verblijfsrecht wordt toegekend. Bijgevolg kan de toekenning van een dergelijk afgeleid verblijfsrecht slechts worden overwogen wanneer de derdelander die familielid van een Unieburger is, niet voldoet aan de voorwaarden om op grond van andere bepalingen – met name de nationale regels inzake gezinshereniging – een verblijfsrecht te krijgen in de lidstaat waarvan deze burger onderdaan is. [ov 41]


Digitale Luxemburgse Lunch op 6 mei 2022

Op vrijdag 6 mei 2022 staat het arrest van het EU Hof van Justitie in de zaak XU en QP t Spanje op het menu van een digitale Luxemburgse Lunch van 12:15 uur tot 13:15 uur. Belangstellenden  kunnen zich opgeven via dit formulier

vrijdag 29 april 2022

EU HvJ NW t Oostenrijk 26-04-2022 ECLI:EU:C:2022:298 C-368/20

 Op 26 april 2022 heeft het EU Hof van Justitie arrest gewezen in de zaak NW t Oostenrijk.

EU HvJ NW t Oostenrijk 26-04-2022 ECLI:EU:C:2022:298 C-368/20 [persbericht]

Waar gaat het over

In 2015 heeft Oostenrijk opnieuw grenstoezicht ingevoerd aan binnengrenzen. Het grenstoezicht is meerdere malen opnieuw ingevoerd en heeft uiteindelijk geduurd tot 2021. In 2019  wordt NW - na overschrijding van de binnengrens tussen Slovenië en Oostenrijk - aan grenstoezicht onderworpen. NW is daarvan niet gediend en weigert zijn paspoort te tonen. NW krijgt een prent omdat hij de Oostenrijkse binnengrens overschrijdt zonder in het bezit te zijn van een geldig paspoort. Ook van de prent is NW niet gediend. Hij stelt beroep in bij de bevoegde Oostenrijkse rechter. 

Prejudiciële vragen

De verwijzende Oostenrijkse rechter vraag zich onder meer af of het maar blijven uitoefenen van grenstoezicht in overeenstemming is met het unierecht en stelt het EU Hof van Justitie de volgende (hertaalde) prejudiciële vragen:

  • Verzet artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode zich tegen de tijdelijke herinvoering van binnengrenstoezicht [op basis van de artikelen 25 en 27 van de Schengengrenscode] wanneer deze herinvoering [alsmede verlengingen daarvan] de totale maximumperiode van zes maanden overschrijdt.
  • Verzet artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode zich tegen de verplichting om na binnengrensoverschrijding [op straffe van een sanctie] een paspoort te tonen wanneer de herinvoering van binnengrenstoezicht in het kader waarvan verplichting wordt opgelegd in strijd is met artikel 25,vierde lid, van de Schengengrenscode.
Toepasselijke bepalingen

  • Verblijfsrichtlijn
  • Oude Schengengrenscode (Verordening 562/2006)
  • Verordening 1051/2013 (tot wijziging van de oude Schengengrenscode)
  • Schengengrenscode
    • Overweging 21
    • Overwegingen 22 en 23
    • Overwegingen 27 en 34
    • Artikel 1 ["Doel en beginselen"]
    • Artikel 22 ["Overschrijding van de binnengrenzen"]
    • Artikel 23 ["Controles binnen het grondgebied"]
    • Artikel 25 ["Algemeen kader voor de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen"]
    • Artikel 27 ["Criteria voor de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen"]
    • Artikel 28 ["Specifieke procedure voor gevallen die onmiddellijk optreden vereisen"]
    • Artikel 29 ["Specifieke procedure voor uitzonderlijke omstandigheden waarbij de algemene werking van de ruimte zonder binnengrenstoezicht in gevaar komt"]

Op artikel 29 Schengengrenscode gebaseerde aanbevelingen van de Raad

  • Council Implementing Decision (EU) 2016/894 of 12 May 2016 setting out a recommendation for temporary internal border control in exceptional circumstances putting the overall functioning of the Schengen area at risk
  • Council Implementing Decision (EU) 2016/1989 of 11 November 2016 setting out a recommendation for prolonging temporary internal border control in exceptional circumstances putting the overall functioning of the Schengen area at risk
  • Council Implementing Decision (EU) 2017/246 of 7 February 2017 setting out a Recommendation for prolonging temporary internal border control in exceptional circumstances putting the overall functioning of the Schengen area at risk
  • Council Implementing Decision (EU) 2017/818 of 11 May 2017 setting out a Recommendation for prolonging temporary internal border control in exceptional circumstances putting the overall functioning of the Schengen area at risk

Beantwoording van de eerste prejudiciële vraag door het EU Hof van Justitie

Artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode moet worden uitgelegd.

Het EU Hof van Justitie brengt in herinnering dat bij de uitlegging van een unierechtelijke bepaling  rekening moet worden gehouden met (*) de bewoordingen van de bepaling en  (**) de context ervan alsmede met (***) de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan de bepaling deel uitmaakt.

... Bewoordingen van artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode

Uit de zinsnede "niet langer dan zes maanden" blijkt volgens het EU Hof van Justitie dat iedere mogelijkheid om die duur van zes maanden te overschrijden uitgesloten is. 

... Context van artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode

... ... Bewoordingen van overige bepalingen

Artikel 25 van de Schengengrenscode stelt duidelijk en nauwkeurig de maximumduur vast voor zowel de eerste herinvoering van grenstoezicht als iedere verlenging van dat grenstoezicht met inbegrip van de totale maximumduur ervan.

Uit de Europarlementaire geschiedenis van artikel 25 van de Schengenscode volgt dat  de uniewetgever de voorwaarden en procedures voor de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen heeft willen vaststellen om ervoor te zorgen dat deze maatregelen uitzonderlijk zijn en dat het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen.

Artikel 25, derde lid, van de Schengengrenscode maakt verlenging van de initiële duur van grenstoezicht van 30 dagen mogelijk met perioden van 30 dagen.

Uit de verwijzing van artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode naar artikel 25, derde lid, van de Schengengrenscode volgt dat

  • de initiële duur van de herinvoering van grenstoezicht van 30 dagen alsmede verlengingen daarvan in totaal niet langer mogen duren dan 6 maanden
  • een initiële duur van herinvoering van grenstoezicht van langer dan 30 dagen niet langer mag duren dan 6 maanden

Nieuwe elementen die verlenging van de initiële duur van grenstoezicht van 30 dagen rechtvaardigen moeten rechtstreeks verband houden met de bedreiging die de herinvoering van grenstoezicht oorspronkelijk rechtvaardigde.

... ... Uitzondering op/afwijking van het recht op vrij verkeer

Artikel 25 van de Schengengrenscode vormt een uitzondering vormt op het beginsel dat binnengrenzen op iedere plaats kunnen worden overschreden zonder dat personen, ongeacht hun nationaliteit, worden gecontroleerd.

Uitzonderingen op het vrije verkeer van personen en de afwijkingen van het vrije verkeer van personen moeten strikt worden uitgelegd.

Uit een strikte uitlegging van artikel 25,vierde lid, van de Schengengrenscode volgt dat het aanhouden van de aanvankelijk vastgestelde bedreiging een overschrijding van de totale maximumduur van de herinvoering van grenstoezicht niet rechtvaardigt.

... ... Procedurele bepalingen

Artikelen 26 tot en met 28 van de Schengengrenscode regelen de beoordeling die moet worden verricht en de procedure die moet worden gevoerd bij de herinvoering van grenstoezicht.

De herinvoering van grenstoezicht alsmede verlenging(en) daarvan moeten noodzakelijk en evenredig zijn in het licht van de vastgestelde bedreiging. Daarnaast moeten (bij elke verlenging) gedetailleerde (dwz duidelijke en objectieve) criteria en procedureregels in acht worden genomen.

Indien de totale maximumduur van herinvoering renstoezicht zou mogen worden overschreden wordt iedere betekenis ontnomen aan het onderscheid dat wordt gemaakt tussen herinvoering grenstoezicht op grond van artikel 25 van de Schengengrenscode en herinvoering van grenstoezicht op grond van artikel 29  van de Schengengrenscode (in uitzonderlijke omstandigheden, op aanbeveling van de Raad).

... Doelstellingen van de Schengengrenscode

De Schengengrenscode past in de context die beoogt een billijk evenwicht te bewaren tussen (*) enerzijds het vrije verkeer van personen en (**) anderzijds de noodzaak om de openbare orde en de binnenlandse veiligheid te verzekeren van het grondgebied waarop die personen zich verplaatsen.

Het doel dat met de regel betreffende de maximumduur van zes maanden van artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode wordt nagestreefd ligt in het verlengde van de algemene doelstelling om het beginsel van vrij verkeer te verzoenen met het belang van de lidstaten om de veiligheid van hun grondgebied te waarborgen.

Hoewel een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van een lidstaat in de ruimte zonder binnengrenstoezicht niet noodzakelijkerwijs beperkt is in de tijd lijkt de uniewetgever een periode van zes maanden voldoende te hebben geacht voor de betrokken lidstaat om maatregelen vast te stellen waarmee een dergelijke bedreiging kan worden tegengegaan zonder dat het beginsel van vrij verkeer na het verstrijken van deze periode van zes maanden wordt belemmerd.

... Een soort van conclusie

[...]

Artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat tijdelijk opnieuw binnengrenstoezicht invoert  wanneer de duur van deze herinvoering de totale maximumduur van zes maanden overschrijdt en er geen nieuwe bedreiging bestaat die een nieuwe toepassing van de in dat artikel 25 van de Schengengrenscode vastgestelde perioden rechtvaardigt.

Beantwoording van de tweede prejudiciële vraag door het EU Hof van Justitie

Een sanctieregeling is niet verenigbaar met de bepalingen van de Schengengrenscode wanneer zij wordt opgelegd om de naleving te garanderen van een controleverplichting die zelf niet in overeenstemming is met die bepalingen.

Artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarmee een lidstaat een persoon op straffe van een sanctie verplicht om bij binnenkomst op het grondgebied van die lidstaat via een binnengrens een paspoort te tonen wanneer de herinvoering van binnengrenstoezicht in het kader waarvan deze verplichting wordt opgelegd in strijd is met artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode.

& wat vond de AG ervan 

[...]

[Herinvoering van] grenstoezicht aan de Nederlandse binnengrenzen

... Regelgeving

... Rechtspraak

[...]

... Herinvoering grenstoezicht

  • How to
  • Periode 1 oktober 2017 tot en met 6 maanden na 1 oktober 2018
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 september 2017, nummer 2126407, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 
    • Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 11 april 2018, nummer 2237281, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 4 oktober 2018, nummer 2374183, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
  • Periode van 17 september 2015 tot en met vier weken na 2 maart 2016
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 september 2015, nummer 684682, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 oktober 2015, nummer 693738, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 23 november 2015, nummer 704043, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 december 2015, nummer 715773, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 januari 2016, nummer 720349, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 februari 2016, nummer 728196, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 2 maart 2016, nummer 739583, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 2 maart 2016, nummer 739583, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Overige rechtspraak van het EU Hof van Justitie over [herinvoering] van grenstoezicht

  • Aziz Melki en Sélim Abdeli t Frankrijk 22-06-2010 C‑188/10 en C‑189/10
    • Prejudiciële verwijzing – Artikel 267 VWEU – Onderzoek van overeenstemming van nationale wet met zowel Unierecht als nationale grondwet – Nationale regeling die voorziet in voorrang van incidentele procedure voor grondwettigheidstoetsing – Artikel 67 VWEU – Vrij verkeer van personen – Afschaffing van controles aan binnengrenzen – Verordening (EG) nr. 562/2006 – Artikelen 20 en 21 – Nationale regeling die identiteitscontroles toestaat in gebied gevormd door landsgrens van Frankrijk met staten die partij zijn bij overeenkomst ter uitvoering van Schengenakkoord en op 20 kilometer van die grens getrokken lijn.
    • Verklaring voor recht
      • Artikel 267 VWEU verzet zich tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die een incidentele procedure voor toetsing van de grondwettigheid van de nationale wetten invoert, voor zover de voorrang van deze procedure ertoe leidt dat noch vóór de toezending van een grondwettigheidsvraag aan de nationale rechter die met de toetsing van de grondwettigheid van de wetten is belast noch, in voorkomend geval, na de beslissing van deze rechter over die vraag, geen van de andere nationale rechters zijn bevoegdheid kan uitoefenen om zich met prejudiciële vragen tot het Hof te wenden dan wel zijn verplichting daartoe kan nakomen. Daarentegen verzet artikel 267 VWEU zich niet tegen een dergelijke nationale wettelijke regeling, voor zover de andere nationale rechters vrij blijven, 
        • op elk ogenblik van de procedure dat zij passend oordelen – ook na de incidentele procedure voor grondwettigheidstoetsing –, het Hof alle prejudiciële vragen voor te leggen die zij noodzakelijk achten,
        • alle maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om de voorlopige rechterlijke bescherming van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten te verzekeren, en
        • na een dergelijke incidentele procedure de betrokken nationale wettelijke bepaling buiten toepassing te laten indien zij die in strijd met het recht van de Unie achten,
Het staat aan de verwijzende rechter, na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling in overeenstemming met deze eisen van het Unierecht kan worden uitgelegd
      • Artikel 67, lid 2, VWEU en de artikelen 20 en 21 van verordening (EG) nr. 562/2006 (...), verzetten zich tegen een nationale wettelijke regeling waarbij aan de politieautoriteiten van de betrokken lidstaat de bevoegdheid wordt verleend om uitsluitend binnen een 20 kilometer diep gebied langs de landsgrens van die staat met de staten die partij zijn bij de [Schengenuitvoeringsovereenkomst], de identiteit van eenieder te controleren, ongeacht het gedrag van de betrokkene en los van specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat, teneinde de naleving van de verplichtingen ter zake van het houden, het dragen en het tonen van de bij wet voorziene titels en documenten te verifiëren, zonder dat die regeling in het noodzakelijke kader voor die bevoegdheid voorziet om te waarborgen dat de feitelijke uitoefening ervan niet hetzelfde effect kan hebben als grenscontroles.
    • Overige overwegingen
  • Atiqullah Adil t Nederland 19-07-2012 C-278/12 PPU
    • Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Verordening (EG) nr. 562/2006 — Communautaire code betreffende overschrijding van grenzen door personen (Schengengrenscode) — Artikelen 20 en 21 — Afschaffing van toezicht aan binnengrenzen — Controles binnen grondgebied — Maatregelen die hetzelfde effect hebben als controles aan binnengrenzen — Nationale regeling die controle van identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie door ambtenaren belast met grensbewaking en toezicht op vreemdelingen toestaat in zone van 20 kilometer vanaf gemeenschappelijke grens met andere staat die partij is bij de Overeenkomst ter uitvoering van Akkoord van Schengen — Toezicht ter bestrijding van illegaal verblijf — Regeling die bepaalde voorwaarden en waarborgen omvat ten aanzien van onder meer frequentie en intensiteit van toezicht
    • Verklaring voor recht
      • De artikelen 20 en 21 van verordening (EG) nr. 562/2006 (...) verzetten [zich niet] tegen een nationale wettelijke regeling (...) op grond waarvan de ambtenaren belast met de grensbewaking en het toezicht op vreemdelingen, binnen een geografisch gebied van 20 kilometer vanaf de landgrens van een lidstaat met een andere staat die partij is bij de [Schengenuitvoeringsovereenkomst], controles mogen uitvoeren ter verificatie of de staandegehouden personen voldoen aan de in de betrokken lidstaat toepasselijke voorwaarden voor legaal verblijf, (*) wanneer deze controles zijn gebaseerd op algemene informatie en ervaringsgegevens over illegaal verblijf op de controlelocaties, (**) wanneer deze ook in beperkte mate mogen worden verricht om dergelijke algemene informatie en ervaringsgegevens op dat gebied te verkrijgen en (***) wanneer aan de uitoefening van deze controles bepaalde beperkingen zijn gesteld, onder meer ten aanzien van de intensiteit en de frequentie ervan.
    • Overige overwegingen
  • Touring Tours und Travel GmbH t Duitsland 13-12-2018 C‑412/17 en C‑474/17
    • Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Verordening (EG) nr. 562/2006 – Communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) – Artikelen 20 en 21 – Afschaffing van het grenstoezicht aan de Schengenbinnengrenzen – Controles binnen het grondgebied van een lidstaat – Maatregelen met hetzelfde effect als grenscontroles – Regeling van een lidstaat op grond waarvan een touringcaronderneming die busverbindingen verzorgt waarbij Schengenbinnengrenzen worden overschreden verplicht is om de paspoorten en verblijfsvergunningen van de passagiers te controleren – Sanctie – Dreiging met oplegging van een dwangsom
    • Verklaring voor recht
      • Artikel 67, lid 2, VWEU en artikel 21 van verordening (EG) nr. 562/2006 (...) verzetten [zich] tegen een wetgeving van een lidstaat (...) op grond waarvan elke touringcaronderneming die binnen het Schengengebied een geregelde grensoverschrijdende verbinding naar het grondgebied van deze lidstaat verzekert, verplicht is om het paspoort en de verblijfsvergunning van de passagiers te controleren voordat een binnengrens wordt overschreden, teneinde te voorkomen dat onderdanen van derde landen zonder die reisdocumenten naar het nationale grondgebied worden vervoerd, en op grond waarvan de politiediensten, teneinde deze controleverplichting te doen naleven, vervoersondernemingen waarvan is vastgesteld dat zij onderdanen van derde landen zonder die reisdocumenten naar dit grondgebied hebben vervoerd, op straffe van een dwangsom kunnen verbieden nog dergelijk vervoer te verrichten.
    • Overige overwegingen
  • EU HvJ Abdelaziz Arib t Frankrijk 19-03-2019 C‑444/17
    • Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Grenstoezicht, asiel en immigratie – Verordening (EU) 2016/399 – Artikel 32 – Tijdelijke herinvoering door een lidstaat van het grenstoezicht aan zijn binnengrenzen – Illegale binnenkomst van een derdelander – Gelijkstelling van binnengrenzen met buitengrenzen – Richtlijn 2008/115/EG – Werkingssfeer – Artikel 2, lid 2, onder a)
    • Verklaring voor recht
      • Artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2008/115/EG (...), gelezen in samenhang met artikel 32 van verordening (EU) 2016/399 (...), moet aldus worden uitgelegd dat dit artikel niet van toepassing is op de situatie waarin een derdelander vlak bij een binnengrens is aangehouden en illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en dat dit zelfs geldt wanneer deze lidstaat krachtens artikel 25 van deze verordening het toezicht aan deze grens heeft heringevoerd wegens een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van deze lidstaat.
    • Overige overwegingen

Uiteinde

Het arrest heeft op het menu gestaan van een digitale Luxemburgse Lunch op vrijdag 29 april 2022 van 12:15 uur tot 13:15 uur. 

zaterdag 18 september 2021

Conclusie AG Szpunar A t Finland 03-06-2021 ECLI:EU:C:2021:456 C‑35/20




Op 3 juni 2021 heeft AG Szpunar geconcludeerd in de zaak A t Finland. Op 6 oktober 2021 wijst het EU Hof van Justitie arrest.

Waar gaat het over

Het gaat over de Finse unieburger A die via de Oostzee met een pleziervaartuig naar Estland vaart en weer terug zonder een derde land aan te doen. Bij terugkeer vindt in Finland controle plaats. A krijgt een boete omdat hij geen reisdocument bij zich heeft. A is daar niet blij mee en vecht die boete aan met een beroep op zijn unieburgerschap.

Prejudiciële vragen

De Finse verwijzende rechter stelt de volgende vragen aan het EU Hof van Justitie:
  • Staat het Unierecht, met name artikel 4, eerste lid, van  de Verblijfsrichtlijn [Uitreisrecht] en  artikel 21 van de (oude) Schengengrenscode ['Controles binnen het grondgebied'] of het recht van Unieburgers om zich vrij op het grondgebied van de Unie te bewegen, in de weg aan de toepassing van een nationale regeling die een persoon (al dan niet zijnde een burger van de Unie) onder strafbedreiging verplicht een geldig paspoort of ander reisdocument bij zich te dragen, wanneer die persoon met een pleziervaartuig reist naar een andere lidstaat via internationaal water zonder het grondgebied van een derde staat aan te doen?
  • Staat het Unierecht, met name artikel 5, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn  ['inreisrecht'] en artikel 21 van de (oude) Schengengrenscode  ['Controles binnen het grondgebied'] of het recht van Unieburgers om zich vrij op het grondgebied van de Unie te bewegen, in de weg aan de toepassing van een nationale regeling die een persoon (al dan niet zijnde een burger van de Unie) onder strafbedreiging verplicht een geldig paspoort of een ander reisdocument bij zich te dragen, wanneer die persoon met een pleziervaartuig in de lidstaat aankomt vanuit een andere lidstaat via internationaal water zonder het grondgebied van een derde staat aan te doen?
  • Indien er geen sprake is van de in de vragen 1 en 2 bedoelde belemmering, is de in Finland gewoonlijk overeenkomstig het dagboetestelsel op te leggen sanctie wegens overschrijding van de Finse grens zonder geldig reisdocument in overeenstemming met het uit artikel 27, lid 2, van de Verblijfsrichtlijn ['Algemene beginselen'] voortvloeiende evenredigheidsbeginsel


Conclusie AG Szupinar

In de eerste plaats onderzoekt AG Szpunar de verplichting om bij grensoverschrijding een reisdocument bij zich te dragen in het kader van het uitreisrecht en in het kader van het inreisrecht.

In de tweede plaats onderzoekt AG Szpunar verificaties die worden uitgevoerd bij grenscontroles op (ondermeer) unieburgers. 

In de derde plaats onderzoekt AG Szpunar of de geldboete die wordt opgelegd bij niet-nakoming van verplichting om bij grensoverschrijding een reisdocument bij zich te dragen evenredig is.  

Inleidende opmerkingen

Unieburgers kunnen zich beroepen op aan het unieburgerschap verbonden rechten ook jegens hun lidstaat van herkomst.

Het recht van vrij verkeer omvat zowel  het recht om een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst binnen te komen als het recht om de lidstaat van herkomst te verlaten.  AG Szpunar verwijst in dat verband naar rechtspraak van het het EU Hof van Justitie in de zaken Gheorghe Jipa t Roemenië (p 18),  Hristo Gaydarov t Bulgarije (p 25, 31)Petar Aladzhov t Bulgarije (p 25).

Op het Schengenacquis gebaseerde maatregelen zijn van toepassing op overschrijding van  buitengrenzen en binnengrenzen maar mogen geen afbreuk doen aan het vrije verkeer van unieburgers en hun familieleden.

De verplichting om bij grensoverschrijding een reisdocument bij zich te dragen

... in het kader van het uitreisrecht 

UIt artikel 4, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn volgt  dat een unieburger die is voorzien van een  een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort het recht heeft het grondgebied van een lidstaat te verlaten om zich naar een andere lidstaat te begeven.

Volgens AG Szpunar volgt uit de bewoordingen van artikel 4, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn  ('voorzien van') dat een unieburger bij uitreis een reisdocument bij zich moet dragen.

Volgens AG Szpunar wordt zijn uitlegging van de bewoordingen van artikel 4, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn bevestigd door de doelstelling van de Verblijfsrichtlijn om de uitoefening van het fundamentele en persoonlijke recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten te vergemakkelijken en te versterken omdat artikel 4, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn identificatie van unieburgers mogelijk maakt (en dus vraag ik mij af ^ZvL).

Volgens AG Szpunar wordt zijn uitlegging van de bewoordingen van artikel 4, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn eveneens bevestigd door de ontstaansgeschiedenis van de Verblijfsrichtlijn.

... in het kader van het inreisrecht > werkingssfeer artikel 5 Verblijfsrichtlijn

AG Szpunar onderzoekt of A - een Finse unieburger die terugkeert naar zijn lidstaat van herkomst wel of niet valt onder de werking van artikel 5 van de Verblijfsrichtlijn. Bij terugkeer naar zijn lidstaat van herkomst immers is A geen begunstigde meer in de zin van de Verblijfsrichtlijn.

AG Szpunar onderscheidt in rechtspraak van het EU Hof van Justitie over naar hun lidstaat van herkomst terugkerende unieburgers twee lijnen:
Uit de rechtspraak die betrekking heeft op  tijdelijk naar hun lidstaat van herkomst terugkerende unieburgers volgt volgens AG Szpunar dat
  • een unieburger die niet definitief terugkeert naar zijn lidstaat van herkomst nog begunstigde is in de zin van de Verblijfsrichtlijn, zijn (derdelander)gezinsleden derhalve ook
  • die (derdelander)gezinsleden aan artikel 5 van de Verblijfsrichtlijn een recht kunnen ontlenen om de lidstaat van herkomst van ‘hun’ unieburger in te reizen

Uit de rechtspraak die betrekking heeft op definitief naar hun lidstaat van herkomst terugkerende unieburgers volgt  volgens AG Szpunar dat
  • een unieburger die definitief terugkeert naar zijn lidstaat van herkomst geen begunstigde meer is in de zin van de Verblijfsrichtlijn, zijn (derdelander)gezinsleden derhalve ook niet
  • de (derdelander)gezinsleden aan artikel 21 VWEU een afgeleid recht op verblijf kunnen ontlenen analoog aan het recht op verblijf van  (derdelander)gezinsleden op grond van de Verblijfsrichtlijn

AG Szpunar concludeert dat de rechtspraak die betrekking heeft op  tijdelijk naar hun lidstaat van herkomst terugkerende unieburgers niet relevant is omdat A niet tijdelijk maar definitief terugkeert naar zijn lidstaat van herkomst Finland.

AG Szpunar concludeert voorts dat de rechtspraak die betrekking heeft op definitief naar hun lidstaat van herkomst terugkerende unieburgers mogelijk wel relevant is ook al keert A niet terug naar zijn lidstaat van herkomst Finland in het gezelschap van derdelander/familieleden omdat
  • de hoedanigheid van unieburger de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten dient te zijn en een unieburger die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer en verblijf zich kan beroepen op de daaraan verbonden rechten in voorkomend geval ook ten aanzien van de lidstaat van herkomst
  • de voorwaarden om de lidstaat van herkomst in te reizen niet strenger mogen zijn dan de voorwaarden om een gastlidstaat in te reizen omdat anders het recht om een lidstaat van herkomst uit te reizen geen volle werking kan hebben

AG Szpunar concludeert dat in een situatie als die van de Finse unieburger A de Verblijfsrichtlijn  naar analogie dient te worden toegepast voor wat betreft de voorwaarden waaronder de lidstaten een unieburger die „voorzien is van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort” hun grondgebied laten binnenkomen.
... in het kader van het inreisrecht > mogelijkheid om sancties op te leggen

Artikel 36 van de Verblijfsrichtlijn bepaalt dat  lidstaten overtredingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen sanctioneren en alle maatregelen treffen die nodig zijn om de daadwerkelijke toepassing van die sancties te verzekeren.

Artikel 36 van de Verblijfsrichtlijn is volgens AG Szpunar een codificatie van rechtspraak van het EU Hof van Justitie volgens welke het unierecht de lidstaten niet verbiedt om personen zonder identiteitsbewijzen te sanctioneren.

Volgens AG Szpunar mogen lidstaten daarom ook sancties vaststellen voor het niet nakomen van andere voorschriften dan de in de Verblijfsrichtlijn opgenomen voorschriften waarvan het niet nakomen expliciet wordt bedreigd met een sanctie [artikel 5, vijfde lid, van de Verblijfsrichtlijn; artikel 8, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn; artikel 9, derde lid, van Verblijfsrichtlijn en artikel 20, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn].

De lidstaten zijn volgens AG SZpunar bevoegd sancties te kiezen die zij passend achten waaronder strafrechtelijke sancties voor zover die bevoegdheid wordt uitgeoefend met eerbiediging van het unierecht en de algemene beginselen daarvan, en derhalve met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel.

Verificaties die worden uitgevoerd bij grenscontroles 

... Het begrip 'zeegrens' idzv artikel 2, punt 2, (oude) Schengengrenscode

Artikel 4, eerste lid van de (oude) Schengengrenscode bepaalt dat buitengrenzen slechts via grensdoorlaatposten mogen worden overschreden.

A stelt dat hij geen buitengrens heeft overschreden omdat de aankomsthaven in Finland niet is aangewezen als grensdoorlaatpost [lijst van grensdoorlaatposten]. Indien A geen buitengrens heeft overschreden dan heeft A een binnengrens overschreden en valt zijn situatie onder artikel 21 van de (oude) Schengengrenscode. Volgens AG Szpunar is dat echter niet het geval.

... Buitengrensoverschrijding

A heeft als passagier van een pleziervaartuig een zeegrens overschreden [de Oostzee tussen Finland en Estland].

Artikel 4, tweede lid, onder a, van de (oude) Schengengrenscode bepaalt dat voor pleziervaartuigen een uitzondering geldt op de verplichting om een buitengrens te overschrijden via een grensdoorlaatpost.

Dat pleziervaartuigen een buitengrens niet hoeven te overschrijden via een grensdoorlaatpost betekent niet dat A niet een buitengrens heeft overschreden. 

Ook het ontbreken van in- en uitreisstempels betekent niet dat in een geval als dat van A geen buitengrens is overschreden.

Indien een pleziervaartuig uit een in een lidstaat gelegen haven komt of naar een in een lidstaat gelegen haven afvaart dan wordt dat pleziervaartuig niet aan grenscontroles onderworpen en mag dat pleziervaartuig een haven binnengaan die niet als grensdoorlaatpost is aangemerkt tenzij het risico van illegale migratie grenscontroles rechtvaardigen [Bijlage VI punt 3.2.5 van de (oude) Schengengrenscode].

Volgens AG Szpunar was in de periode dat A zijn reis maakte sprake van een risico van illegale migratie.

Evenredigheid sancties

De verwijzende rechter wil weten of de sanctionering evenredig is in het licht van artikel 27, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn.

Volgens AG Szpunar moet de sanctionering worden beoordeeld in het licht van artikel 36 van de Verblijfsrichtlijn niet in het licht van artikel 27 van de Verblijfsrichtlijn. AG Szpunar hertaalt daarom de derde prejudiciële vraag van de verwijzende rechter.

Volgens AG Szpunar verzetten artikel 21, eerste lid, VWEU en artikel 36 van de Verblijfsrichtlijn zich tegen de Finse strafbaarstelling van het niet nakomen van de verplichting om bij grensoverschrijding voorzien te zijn van een geldig reisdocument voorzover daarvoor een geldboete wordt opgelegd die 20 % van de gemiddelde maandelijkse inkomsten van de overtreder bedraagt.

Digitale Luxemburgse Lunch op 8 oktober 2021

Op vrijdag 10 oktober 2021 staat het arrest van het EU Hof van Justitie in de zaak A t Finland op het menu van een digitale Luxemburgse Lunch van 12:15 uur tot 13:15 uur. Belangstellenden  kunnen zich opgeven via dit formulier

dinsdag 7 september 2021

Conclusie AG Saugmandsgaard Øe XY t Oostenrijk 15-04-2021 ECLI:EU:C:2021:302 C‑18/20

 Waar gaat het over

Het gaat om een volgend verzoek van een derdelander die tijdens dat eerdere verzoek om internationale bescherming niet heeft verklaard over zijn toen al bestaande homoseksuele oriëntatie. 

De verwijzende rechter wil van alles en nog wat weten maar hier en nu gaat het vooral om de vraag over de uitlegging van artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn.  Artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn luidt als volgt:
De lidstaten kunnen bepalen dat het verzoek enkel verder wordt behandeld indien de betrokken verzoeker buiten zijn toedoen de in de leden 2 en 3 van dit artikel beschreven situaties in het kader van de vorige procedure niet kon doen gelden, in het bijzonder door zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens artikel 46 uit te oefenen.
Artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn is niet geïmplementeerd. Dat was volgens de wetgever niet nodig.

De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna Afdeling] heeft artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn in een uitspraak van 6 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2718, 201604251/1/V2) artikel 40, vierde lid, van de Procedure uitgelegd. Ook volgens de Afdeling was inplementatie van artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn niet nodig.

Aan het einde van deze week weten we of implementatie alsnog nodig is.

De voor 'ons' relevante prejudiciële vraag

De verwijzende rechter wil weten  hoe artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn moet worden uitgelegd.
Mag de autoriteit in het geval dat de asielzoeker heeft verzuimd om de aangevoerde nieuwe elementen reeds in de vorige asielprocedure te doen gelden, de inhoudelijke toetsing van een volgend verzoek afwijzen op grond van een nationale regel die een algemeen geldend beginsel van bestuursprocesrecht vastlegt, ook al heeft de lidstaat nagelaten om bijzondere nationale regels vast te stellen ter juiste uitvoering van de bepalingen van artikel 40, leden 2 en 3, van de procedurerichtlijn en heeft hij bijgevolg ook geen uitdrukkelijk gebruik gemaakt van de in artikel 40, lid 4, van de procedurerichtlijn geboden mogelijkheid om te voorzien in een uitzondering op de inhoudelijke toetsing van het volgende verzoek?

Duiken in de europarlementaire geschiedenis van artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn

Bij de beantwoording van de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen duikt AG Saugmandsgaard Øe  tot twee keer toe in de parlementaire geschiedenis van de Procedurerichtlijn. 

Omdat de europarlementaire geschiedenis van wat dan ook niet heel erg toegankelijk is volgt hier informatie om de toegang tot die parlementaire geschiedenis - in dit geval de europarlementaire geschiedenis van de Procedurerichtlijn  - te vergemakkelijken. 

Startpunt is een van de vele EURLEX 'adressen' van de Procedurerichtlijn [2013/32/EU]:
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/ALL/?uri=celex:32013L0032
Onder het kopje 'Procedure' staat
Via de eerste link komt u terecht bij de door de Commissie vastgelegde geschiedenis van de Procedurerichtlijn. Documenten die beginnen met 'COM' en eindigen met 'FINAL' zijn voorstellen van de Commissie.

Via de tweede link komt u terecht bij de door het Europees Parlement vastgelegde geschiedenis van de Procedurerichtlijn.

De geschiedenis van de Procedurerichtlijn is ook toegankelijk via 'Search in the register' op de website van de Raad. Zoek naar het bovenstaande procedurenummer [2009/0165/COD] in het veld 'Interinstitutional file' en klik op 'Search'. U krijgt dan alle stukken die betrekking hebben op de totstandkoming van de Procedurerichtlijn en ziet door de bomen het bos niet meer.

Indien u zoeken naar het procedurenummer in het veld 'Interinstitutional file' combineert met een voorstel van de Commissie [COM(...)FINAL] in het veld 'Words in text' levert dat interessante resulaten op. Zie bijvoorbeeld hier.

U kunt zoeken naar het procedurenummer in het veld 'Interinstitutional file' ook combineren met tekst uit een bepaling uit een van de voorstellen van de Commissie [tussen aanhalingstekens] in het veld 'Words in text'. U kunt dan nagaan of en zo ja wanneer de tekst van een bepaling is gewijzigd. Zie bijvoorbeeld hier. De door de Commissie voorgestelde tekst voor wat nu is het vierde lid van artikel 40 van de Procedurerichtlijn [Member States may decide to further examine the application only if (...)] is voor het laatst gebruikt in een document van 25 april 2013.

AG Saugmandsgaard Øe verwijst in zijn conclusie [zie noot 28] naar de navolgende stukken uit de europarlementaire geschiedenis van artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn:
  • Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on minimum standards on procedures in Member States for granting and withdrawing international protection (Recast) {SEC(2009) 1376} {SEC(2009) 1377} /* COM/2009/0554 final - COD 2009/0165 */  21-10-2009
  • Report on the proposal for a directive of the European Parliament and of the Council on minimum standards on procedures in Member States for granting and withdrawing international protection (recast) (COM(2009)0554 – C7‑0248/2009 – 2009/0165(COD)) 24-03-2011 A7-0085/2011 
  • Position (EU) No 7/2013 of the Council at first reading with a view to the adoption of a Directive of the European Parliament and of the Council on common procedures for granting and withdrawing international protection (recast) Adopted by the Council on 6 June 2013 
Later daarover meer.

Conclusie AG Saugmandsgaard Øe

In de allereerste plaats is volgens AG Saugmandsgaard Øe  artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn een facultatieve bepaling. 

De argumenten van de Nederlandse regering ter onderbouwing van een andersluidend standpunt snijden volgens AG Saugmandsgaard Øe geen hout [punt 95].  

Dat is klare taal.

AG Saugmandsgaard Øe verwijst naar de 23 taalversies van de Procedurerichtlijn waarvan er maar liefst 20 artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn ondubbelzinning beschouwen als een facultatieve bepaling.

Volgens AG Saugmandsgaard Øe lijkt ook de europarlementaire geschiedenis van artikel 40, vierde lid, van van de Procedurerichtlijn erop te wijzen dat het de bedoeling was van de uniewetgever om van die bepaling een facultatieve bepaling te maken.

De in het oorspronkelijke voorstel opgenomen bewoordingen van artikel 40, vierde lid van de Procedurerichtlijn bieden volgens AG Saugmandsgaard Øe nog wel enige steun voor de uitleg van de Nederlandse regering van die bepaling. 
Member States may decide to further examine the application only if the applicant concerned was, (...) 

AG Saugmandsgaard Øe wijst er echter op dat tijdens de totstandkomingsgeschiedenis van de Procedurerichtlijn  het Parlement  een voorstel deed om artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn volledig te schrappen vanwege het risico van verboden refoulement. 

Dat voorstel heeft het niet gehaald maar de bewoordingen van artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn zijn wel gewijzigd op initiatief van de Raad
Member States may provide that the application will only be further examined if the applicant concerned was, (...)

In de tweede plaats is volgens AG Saugmandsgaard Øe artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn in Oostenrijk [net als in Nederland, mr T] niet naar behoren geïmplementeerd.

In de derde plaats kan volgens AG Saugmandsgaard Øe een bepaling die niet naar behoren is geïmplementeerd niet ten nadele van een particulier worden toegepast.

Wat als

Indien het EU Hof van Justitie de conclusie van AG Saugmandsgaard Øe volgt dan heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid mevrouw Knol (wederom) een probleem.

Wie is AG Saugmandsgaard Øe

Henrik Saugmandsgaard Øe is sinds 7 oktober 2015 AG bij het EU Hof van Justitie.

AG Saugmandsgaard Øe schreef sinds zijn benoeming maar liefst  116 conclusies.

Digitale Luxemburgse Lunch 10 september 2021

Het EU Hof van Justitie wijst op 9 september 2021 arrest in de zaak XY t Oostenrijk. Onder meer dat arrest staat op het menu van een digitale Luxemburgse Lunch op 10 september 2021 van 12:15 uur tot 13:15 uur. Belangstellenden kunnen zich via dit formulier opgeven voor deelname aan de digitale Luxemburgse Lunch.