vrijdag 29 april 2022

EU HvJ NW t Oostenrijk 26-04-2022 ECLI:EU:C:2022:298 C-368/20

 Op 26 april 2022 heeft het EU Hof van Justitie arrest gewezen in de zaak NW t Oostenrijk.

EU HvJ NW t Oostenrijk 26-04-2022 ECLI:EU:C:2022:298 C-368/20 [persbericht]

Waar gaat het over

In 2015 heeft Oostenrijk opnieuw grenstoezicht ingevoerd aan binnengrenzen. Het grenstoezicht is meerdere malen opnieuw ingevoerd en heeft uiteindelijk geduurd tot 2021. In 2019  wordt NW - na overschrijding van de binnengrens tussen Slovenië en Oostenrijk - aan grenstoezicht onderworpen. NW is daarvan niet gediend en weigert zijn paspoort te tonen. NW krijgt een prent omdat hij de Oostenrijkse binnengrens overschrijdt zonder in het bezit te zijn van een geldig paspoort. Ook van de prent is NW niet gediend. Hij stelt beroep in bij de bevoegde Oostenrijkse rechter. 

Prejudiciële vragen

De verwijzende Oostenrijkse rechter vraag zich onder meer af of het maar blijven uitoefenen van grenstoezicht in overeenstemming is met het unierecht en stelt het EU Hof van Justitie de volgende (hertaalde) prejudiciële vragen:

  • Verzet artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode zich tegen de tijdelijke herinvoering van binnengrenstoezicht [op basis van de artikelen 25 en 27 van de Schengengrenscode] wanneer deze herinvoering [alsmede verlengingen daarvan] de totale maximumperiode van zes maanden overschrijdt.
  • Verzet artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode zich tegen de verplichting om na binnengrensoverschrijding [op straffe van een sanctie] een paspoort te tonen wanneer de herinvoering van binnengrenstoezicht in het kader waarvan verplichting wordt opgelegd in strijd is met artikel 25,vierde lid, van de Schengengrenscode.
Toepasselijke bepalingen

  • Verblijfsrichtlijn
  • Oude Schengengrenscode (Verordening 562/2006)
  • Verordening 1051/2013 (tot wijziging van de oude Schengengrenscode)
  • Schengengrenscode
    • Overweging 21
    • Overwegingen 22 en 23
    • Overwegingen 27 en 34
    • Artikel 1 ["Doel en beginselen"]
    • Artikel 22 ["Overschrijding van de binnengrenzen"]
    • Artikel 23 ["Controles binnen het grondgebied"]
    • Artikel 25 ["Algemeen kader voor de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen"]
    • Artikel 27 ["Criteria voor de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen"]
    • Artikel 28 ["Specifieke procedure voor gevallen die onmiddellijk optreden vereisen"]
    • Artikel 29 ["Specifieke procedure voor uitzonderlijke omstandigheden waarbij de algemene werking van de ruimte zonder binnengrenstoezicht in gevaar komt"]

Op artikel 29 Schengengrenscode gebaseerde aanbevelingen van de Raad

  • Council Implementing Decision (EU) 2016/894 of 12 May 2016 setting out a recommendation for temporary internal border control in exceptional circumstances putting the overall functioning of the Schengen area at risk
  • Council Implementing Decision (EU) 2016/1989 of 11 November 2016 setting out a recommendation for prolonging temporary internal border control in exceptional circumstances putting the overall functioning of the Schengen area at risk
  • Council Implementing Decision (EU) 2017/246 of 7 February 2017 setting out a Recommendation for prolonging temporary internal border control in exceptional circumstances putting the overall functioning of the Schengen area at risk
  • Council Implementing Decision (EU) 2017/818 of 11 May 2017 setting out a Recommendation for prolonging temporary internal border control in exceptional circumstances putting the overall functioning of the Schengen area at risk

Beantwoording van de eerste prejudiciële vraag door het EU Hof van Justitie

Artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode moet worden uitgelegd.

Het EU Hof van Justitie brengt in herinnering dat bij de uitlegging van een unierechtelijke bepaling  rekening moet worden gehouden met (*) de bewoordingen van de bepaling en  (**) de context ervan alsmede met (***) de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan de bepaling deel uitmaakt.

... Bewoordingen van artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode

Uit de zinsnede "niet langer dan zes maanden" blijkt volgens het EU Hof van Justitie dat iedere mogelijkheid om die duur van zes maanden te overschrijden uitgesloten is. 

... Context van artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode

... ... Bewoordingen van overige bepalingen

Artikel 25 van de Schengengrenscode stelt duidelijk en nauwkeurig de maximumduur vast voor zowel de eerste herinvoering van grenstoezicht als iedere verlenging van dat grenstoezicht met inbegrip van de totale maximumduur ervan.

Uit de Europarlementaire geschiedenis van artikel 25 van de Schengenscode volgt dat  de uniewetgever de voorwaarden en procedures voor de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen heeft willen vaststellen om ervoor te zorgen dat deze maatregelen uitzonderlijk zijn en dat het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen.

Artikel 25, derde lid, van de Schengengrenscode maakt verlenging van de initiële duur van grenstoezicht van 30 dagen mogelijk met perioden van 30 dagen.

Uit de verwijzing van artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode naar artikel 25, derde lid, van de Schengengrenscode volgt dat

  • de initiële duur van de herinvoering van grenstoezicht van 30 dagen alsmede verlengingen daarvan in totaal niet langer mogen duren dan 6 maanden
  • een initiële duur van herinvoering van grenstoezicht van langer dan 30 dagen niet langer mag duren dan 6 maanden

Nieuwe elementen die verlenging van de initiële duur van grenstoezicht van 30 dagen rechtvaardigen moeten rechtstreeks verband houden met de bedreiging die de herinvoering van grenstoezicht oorspronkelijk rechtvaardigde.

... ... Uitzondering op/afwijking van het recht op vrij verkeer

Artikel 25 van de Schengengrenscode vormt een uitzondering vormt op het beginsel dat binnengrenzen op iedere plaats kunnen worden overschreden zonder dat personen, ongeacht hun nationaliteit, worden gecontroleerd.

Uitzonderingen op het vrije verkeer van personen en de afwijkingen van het vrije verkeer van personen moeten strikt worden uitgelegd.

Uit een strikte uitlegging van artikel 25,vierde lid, van de Schengengrenscode volgt dat het aanhouden van de aanvankelijk vastgestelde bedreiging een overschrijding van de totale maximumduur van de herinvoering van grenstoezicht niet rechtvaardigt.

... ... Procedurele bepalingen

Artikelen 26 tot en met 28 van de Schengengrenscode regelen de beoordeling die moet worden verricht en de procedure die moet worden gevoerd bij de herinvoering van grenstoezicht.

De herinvoering van grenstoezicht alsmede verlenging(en) daarvan moeten noodzakelijk en evenredig zijn in het licht van de vastgestelde bedreiging. Daarnaast moeten (bij elke verlenging) gedetailleerde (dwz duidelijke en objectieve) criteria en procedureregels in acht worden genomen.

Indien de totale maximumduur van herinvoering renstoezicht zou mogen worden overschreden wordt iedere betekenis ontnomen aan het onderscheid dat wordt gemaakt tussen herinvoering grenstoezicht op grond van artikel 25 van de Schengengrenscode en herinvoering van grenstoezicht op grond van artikel 29  van de Schengengrenscode (in uitzonderlijke omstandigheden, op aanbeveling van de Raad).

... Doelstellingen van de Schengengrenscode

De Schengengrenscode past in de context die beoogt een billijk evenwicht te bewaren tussen (*) enerzijds het vrije verkeer van personen en (**) anderzijds de noodzaak om de openbare orde en de binnenlandse veiligheid te verzekeren van het grondgebied waarop die personen zich verplaatsen.

Het doel dat met de regel betreffende de maximumduur van zes maanden van artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode wordt nagestreefd ligt in het verlengde van de algemene doelstelling om het beginsel van vrij verkeer te verzoenen met het belang van de lidstaten om de veiligheid van hun grondgebied te waarborgen.

Hoewel een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van een lidstaat in de ruimte zonder binnengrenstoezicht niet noodzakelijkerwijs beperkt is in de tijd lijkt de uniewetgever een periode van zes maanden voldoende te hebben geacht voor de betrokken lidstaat om maatregelen vast te stellen waarmee een dergelijke bedreiging kan worden tegengegaan zonder dat het beginsel van vrij verkeer na het verstrijken van deze periode van zes maanden wordt belemmerd.

... Een soort van conclusie

[...]

Artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat tijdelijk opnieuw binnengrenstoezicht invoert  wanneer de duur van deze herinvoering de totale maximumduur van zes maanden overschrijdt en er geen nieuwe bedreiging bestaat die een nieuwe toepassing van de in dat artikel 25 van de Schengengrenscode vastgestelde perioden rechtvaardigt.

Beantwoording van de tweede prejudiciële vraag door het EU Hof van Justitie

Een sanctieregeling is niet verenigbaar met de bepalingen van de Schengengrenscode wanneer zij wordt opgelegd om de naleving te garanderen van een controleverplichting die zelf niet in overeenstemming is met die bepalingen.

Artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarmee een lidstaat een persoon op straffe van een sanctie verplicht om bij binnenkomst op het grondgebied van die lidstaat via een binnengrens een paspoort te tonen wanneer de herinvoering van binnengrenstoezicht in het kader waarvan deze verplichting wordt opgelegd in strijd is met artikel 25, vierde lid, van de Schengengrenscode.

& wat vond de AG ervan 

[...]

[Herinvoering van] grenstoezicht aan de Nederlandse binnengrenzen

... Regelgeving

... Rechtspraak

[...]

... Herinvoering grenstoezicht

  • How to
  • Periode 1 oktober 2017 tot en met 6 maanden na 1 oktober 2018
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 september 2017, nummer 2126407, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 
    • Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 11 april 2018, nummer 2237281, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 4 oktober 2018, nummer 2374183, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
  • Periode van 17 september 2015 tot en met vier weken na 2 maart 2016
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 september 2015, nummer 684682, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 oktober 2015, nummer 693738, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 23 november 2015, nummer 704043, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 december 2015, nummer 715773, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 januari 2016, nummer 720349, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 februari 2016, nummer 728196, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 2 maart 2016, nummer 739583, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
    • Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 2 maart 2016, nummer 739583, tot tijdelijk afwijken van artikel 4.17a, derde, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Overige rechtspraak van het EU Hof van Justitie over [herinvoering] van grenstoezicht

  • Aziz Melki en Sélim Abdeli t Frankrijk 22-06-2010 C‑188/10 en C‑189/10
    • Prejudiciële verwijzing – Artikel 267 VWEU – Onderzoek van overeenstemming van nationale wet met zowel Unierecht als nationale grondwet – Nationale regeling die voorziet in voorrang van incidentele procedure voor grondwettigheidstoetsing – Artikel 67 VWEU – Vrij verkeer van personen – Afschaffing van controles aan binnengrenzen – Verordening (EG) nr. 562/2006 – Artikelen 20 en 21 – Nationale regeling die identiteitscontroles toestaat in gebied gevormd door landsgrens van Frankrijk met staten die partij zijn bij overeenkomst ter uitvoering van Schengenakkoord en op 20 kilometer van die grens getrokken lijn.
    • Verklaring voor recht
      • Artikel 267 VWEU verzet zich tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die een incidentele procedure voor toetsing van de grondwettigheid van de nationale wetten invoert, voor zover de voorrang van deze procedure ertoe leidt dat noch vóór de toezending van een grondwettigheidsvraag aan de nationale rechter die met de toetsing van de grondwettigheid van de wetten is belast noch, in voorkomend geval, na de beslissing van deze rechter over die vraag, geen van de andere nationale rechters zijn bevoegdheid kan uitoefenen om zich met prejudiciële vragen tot het Hof te wenden dan wel zijn verplichting daartoe kan nakomen. Daarentegen verzet artikel 267 VWEU zich niet tegen een dergelijke nationale wettelijke regeling, voor zover de andere nationale rechters vrij blijven, 
        • op elk ogenblik van de procedure dat zij passend oordelen – ook na de incidentele procedure voor grondwettigheidstoetsing –, het Hof alle prejudiciële vragen voor te leggen die zij noodzakelijk achten,
        • alle maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om de voorlopige rechterlijke bescherming van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten te verzekeren, en
        • na een dergelijke incidentele procedure de betrokken nationale wettelijke bepaling buiten toepassing te laten indien zij die in strijd met het recht van de Unie achten,
Het staat aan de verwijzende rechter, na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling in overeenstemming met deze eisen van het Unierecht kan worden uitgelegd
      • Artikel 67, lid 2, VWEU en de artikelen 20 en 21 van verordening (EG) nr. 562/2006 (...), verzetten zich tegen een nationale wettelijke regeling waarbij aan de politieautoriteiten van de betrokken lidstaat de bevoegdheid wordt verleend om uitsluitend binnen een 20 kilometer diep gebied langs de landsgrens van die staat met de staten die partij zijn bij de [Schengenuitvoeringsovereenkomst], de identiteit van eenieder te controleren, ongeacht het gedrag van de betrokkene en los van specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat, teneinde de naleving van de verplichtingen ter zake van het houden, het dragen en het tonen van de bij wet voorziene titels en documenten te verifiëren, zonder dat die regeling in het noodzakelijke kader voor die bevoegdheid voorziet om te waarborgen dat de feitelijke uitoefening ervan niet hetzelfde effect kan hebben als grenscontroles.
    • Overige overwegingen
  • Atiqullah Adil t Nederland 19-07-2012 C-278/12 PPU
    • Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Verordening (EG) nr. 562/2006 — Communautaire code betreffende overschrijding van grenzen door personen (Schengengrenscode) — Artikelen 20 en 21 — Afschaffing van toezicht aan binnengrenzen — Controles binnen grondgebied — Maatregelen die hetzelfde effect hebben als controles aan binnengrenzen — Nationale regeling die controle van identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie door ambtenaren belast met grensbewaking en toezicht op vreemdelingen toestaat in zone van 20 kilometer vanaf gemeenschappelijke grens met andere staat die partij is bij de Overeenkomst ter uitvoering van Akkoord van Schengen — Toezicht ter bestrijding van illegaal verblijf — Regeling die bepaalde voorwaarden en waarborgen omvat ten aanzien van onder meer frequentie en intensiteit van toezicht
    • Verklaring voor recht
      • De artikelen 20 en 21 van verordening (EG) nr. 562/2006 (...) verzetten [zich niet] tegen een nationale wettelijke regeling (...) op grond waarvan de ambtenaren belast met de grensbewaking en het toezicht op vreemdelingen, binnen een geografisch gebied van 20 kilometer vanaf de landgrens van een lidstaat met een andere staat die partij is bij de [Schengenuitvoeringsovereenkomst], controles mogen uitvoeren ter verificatie of de staandegehouden personen voldoen aan de in de betrokken lidstaat toepasselijke voorwaarden voor legaal verblijf, (*) wanneer deze controles zijn gebaseerd op algemene informatie en ervaringsgegevens over illegaal verblijf op de controlelocaties, (**) wanneer deze ook in beperkte mate mogen worden verricht om dergelijke algemene informatie en ervaringsgegevens op dat gebied te verkrijgen en (***) wanneer aan de uitoefening van deze controles bepaalde beperkingen zijn gesteld, onder meer ten aanzien van de intensiteit en de frequentie ervan.
    • Overige overwegingen
  • Touring Tours und Travel GmbH t Duitsland 13-12-2018 C‑412/17 en C‑474/17
    • Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Verordening (EG) nr. 562/2006 – Communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) – Artikelen 20 en 21 – Afschaffing van het grenstoezicht aan de Schengenbinnengrenzen – Controles binnen het grondgebied van een lidstaat – Maatregelen met hetzelfde effect als grenscontroles – Regeling van een lidstaat op grond waarvan een touringcaronderneming die busverbindingen verzorgt waarbij Schengenbinnengrenzen worden overschreden verplicht is om de paspoorten en verblijfsvergunningen van de passagiers te controleren – Sanctie – Dreiging met oplegging van een dwangsom
    • Verklaring voor recht
      • Artikel 67, lid 2, VWEU en artikel 21 van verordening (EG) nr. 562/2006 (...) verzetten [zich] tegen een wetgeving van een lidstaat (...) op grond waarvan elke touringcaronderneming die binnen het Schengengebied een geregelde grensoverschrijdende verbinding naar het grondgebied van deze lidstaat verzekert, verplicht is om het paspoort en de verblijfsvergunning van de passagiers te controleren voordat een binnengrens wordt overschreden, teneinde te voorkomen dat onderdanen van derde landen zonder die reisdocumenten naar het nationale grondgebied worden vervoerd, en op grond waarvan de politiediensten, teneinde deze controleverplichting te doen naleven, vervoersondernemingen waarvan is vastgesteld dat zij onderdanen van derde landen zonder die reisdocumenten naar dit grondgebied hebben vervoerd, op straffe van een dwangsom kunnen verbieden nog dergelijk vervoer te verrichten.
    • Overige overwegingen
  • EU HvJ Abdelaziz Arib t Frankrijk 19-03-2019 C‑444/17
    • Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Grenstoezicht, asiel en immigratie – Verordening (EU) 2016/399 – Artikel 32 – Tijdelijke herinvoering door een lidstaat van het grenstoezicht aan zijn binnengrenzen – Illegale binnenkomst van een derdelander – Gelijkstelling van binnengrenzen met buitengrenzen – Richtlijn 2008/115/EG – Werkingssfeer – Artikel 2, lid 2, onder a)
    • Verklaring voor recht
      • Artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2008/115/EG (...), gelezen in samenhang met artikel 32 van verordening (EU) 2016/399 (...), moet aldus worden uitgelegd dat dit artikel niet van toepassing is op de situatie waarin een derdelander vlak bij een binnengrens is aangehouden en illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en dat dit zelfs geldt wanneer deze lidstaat krachtens artikel 25 van deze verordening het toezicht aan deze grens heeft heringevoerd wegens een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van deze lidstaat.
    • Overige overwegingen

Uiteinde

Het arrest heeft op het menu gestaan van een digitale Luxemburgse Lunch op vrijdag 29 april 2022 van 12:15 uur tot 13:15 uur. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten