maandag 11 november 2013

In het hele land hebben op 11/11 advocaten actie gevoerd tegen draconische bezuinigingen op de rechtsbijstand

Stakende advocaten bij rechtbank Rotterdam (foto SVMA @migratierecht)
Stakende strafrechtadvocaten bij rechtbank Amsterdam (foto Bart Mos)



maandag 4 november 2013

Beoordeel het oordeel van de behandelaar over de noodzaak van een 'veilige behandelomgeving'

De Arts als Engel Hendrick Goltzius 1587 (fragment)

In veel 'medische' zaken wordt het standpunt ingenomen dat in het land van herkomst van een 'veilige behandelomgeving geen sprake is en dat de medische behandeling daarom in Nederland moet worden voortgezet.

In een uitspraak van 20 december 2011  [ABRS, 20 december 2011, 201105916/1/V1overweegt de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna Afdeling]:
Uit de beslissingen van het CTG (...) vloeit voort dat het BMA bij het uitbrengen van een advies (...) omtrent de medische situatie van een vreemdeling, indien en voor zover de door een behandelaar van de desbetreffende vreemdeling verstrekte informatie daartoe aanleiding geeft, dient te beoordelen of die informatie, mede gezien de hem reeds uit het dossier bekende gegevens over de medische situatie van die vreemdeling, aanleiding geeft tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of de te leveren zorg in het land van herkomst dan wel in het land waarnaar de vreemdeling wordt verwijderd, met name gelet op de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dat is veroorzaakt, althans gelet op die omstandigheden waaromtrent het BMA wel kan worden geacht zich uit te spreken.
In (alle) latere uitspraken waarin de 'veilige behandelomgeving' (min of meer) centraal staat wordt naar voornoemde uitspraak verwezen. Zoeken met het kenmerk van de uitspraak op de website van de Raad van State levert 20 (21-1) treffers op.

De navolgende vragen lijken door een behandelaar te moeten worden beantwoord:

  1. Wat zijn de klachten van de vreemdeling
  2. Door welke met name genoemde (geloofwaardig geachte? [ABRS, 17 april 2012, 201107896/1/V3, 2.3.3; ABRS, 20 juli 2012, 201102375/1/V4, ro 2.2.4]) gebeurtenissen in het land van terugkeer zijn de klachten veroorzaakt
  3. Wat is de diagnose
  4. Is een 'veilige behandelomgeving' noodzakelijk
  5. Waarom staan de klachten veroorzakende gebeurtenissen aan een effectieve behandeling in het (gehele [ABRS, 22 oktober 2013, 201210480/1/V4, ro 2.5]) land van terugkeer in de weg

In een groot aantal van de uitspraken geeft de door de behandelaar van de betrokken vreemdeling verstrekte informatie geen aanleiding tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of de te leveren zorg in het land van herkomst dan wel in het land waarnaar de vreemdeling wordt verwijderd omdat vragen niet worden beantwoord in het bijzonder de onder 2 en 5 genoemde vragen.

In slechts een viertal uitspraken geeft de door de behandelaar van de betrokken vreemdeling verstrekte informatie wel aanleiding tot gerede twijfel  [ABRS, 2 april 2012, 201003761/1/V3; ABRS, 18 april 2012, 201011373/1/V3; ABRS, 20 juli 2012, 201102375/1/V4; ABRS, 19 december 2012, 201106442/1/V1]. 

Een nogal treurig resultaat.

[Update: 5 november 2013]

donderdag 10 oktober 2013

EU Hof van Justitie, Alokpa t Luxemburg, 10 oktober 2013, C-86/12

Op 10 oktober 2013 heeft het EU Hof van Justitie arrest gewezen in de zaak Alokpa t Luxemburg [EU HvJ, 10 oktober 2013, C-86/12].  

Alokpa is een derdelander die in een opvanghuis in Luxemburg woont met haar in dat land geboren en getogen unieburgertjes van Franse nationaliteit. Alokpa meent aan het Unierecht een verblijfsrecht in Luxemburg bij haar Franse unieburgertjes te kunnen ontlenen.

Het Hof overweegt met een verwijzing naar Zhu & Chen - een vergelijkbare situatie volgens het Hof - dat de Unieburgerrichtlijn geen eisen stelt met betrekking tot de herkomst van voor een verblijfsrecht vereiste bestaansmiddelen en dat die bestaansmiddelen door de derdelander - ouder van de unieburgers -ter beschikking kunnen zijn gesteld.

In zijn conclusie van 21 maart 2013 heeft AG Mengozzi heeft met betrekking tot die bestaansmiddelen overwogen dat daartoe ook gerekend zouden kunnen worden toekomstige of potentiële inkomsten uit arbeid door de derdelander - ouder van unieburgertjes.

Het Hof lijkt niet zo ver te willen gaan. Het zwijgt over toekomstige of potentiële inkomsten uit arbeid van een derdelander - ouder van unieburgertjes.

Het is volgens het Hof de verwijzende rechter die moet beoordelen of er sprake is van bestaansmiddelen (en een ziektenkostenverzekering) op grond waarvan de Franse unieburgertjes van Alokpa in Luxemburg een verblijfsrecht kunnen ontlenen aan de Unieburgerrichtlijn en Alokpa een verblijfsrecht bij haar unieburgertjes aldaar op grond van artikel 21 VWEU.

Indien Alokpa aan artikel 21 VWEU geen verblijfsrecht kan ontlenen dient - zo vervolgt het Hof - de verwijzende rechter te beoordelen of er een 'Zambrano' situatie ontstaat indien Alokpa en haar kinderen het grondgebied van Luxemburg moeten verlaten. Het Hof loopt op die beoordeling vooruit door te overwegen dat dat niet het geval is.

Met een verwijzing naar de conclusie van AG Mengozzi overweegt het Hof dat Alokpa als moeder van haar Franse unieburgertjes en als persoon die sedert hun geboorte daadwerkelijk alléén voor hen zorgt een afgeleid recht heeft om die unieburgertjes te begeleiden en met hen op het grondgebied van Frankrijk te verblijven.

Het  is niet helemaal duidelijk of het Hof dat recht van de unieburgertjes van Alokpa op 'terugkeer' naar Frankrijk net als AG Mengozzi baseert op artikel 21 VWEU. De verwijzing naar het afgeleide recht van Alokpa om bij haar unieburgertjes in de lidstaat van herkomst te blijven zou er wel op kunnen wijzen.

Zo zijn we toch weer een stap verder gekomen.

Rechten van de verdediging & het nationale recht

Bij de tenuitvoerlegging van Unierecht moeten lidstaten rechten van de verdediging waaronder het recht om te worden gehoord eerbiedigen ook al voorziet het nationale recht niet in een dergelijke formaliteit.

Voorwaarden waaronder rechten van de verdediging moeten worden gewaarborgd [EU HvJ, G&R t Nederland, 10 september 2013, C-383/13, ro 35; EG HvJ, Sopropé t Portugal, 18 december 2008, C-349/07, ro 38] en gevolgen van schending van rechten van de verdediging [EU HvJ, G&R t Nederland, 10 september 2013, C-383/13, ro 35] zijn een aangelegenheid van het nationale recht indien voorwaarden en gevolgen niet door het Unierecht zijn vast gesteld.

Dat nationale recht moet voldoen aan het beginsel van gelijkwaardigheid en het beginsel van doeltreffendheid  [EU HvJ, G&R t Nederland, 10 september 2013, C-383/13, ro 35; EG HvJ, Sopropé t Portugal, 18 december 2008, C-349/07, ro 38].

Het gelijkwaardigheidsbeginsel houdt in dat procedurele regels die van toepassing zijn op unierechtelijke situaties niet ongunstiger mogen zijn dan procedurele regels die van toepassing zijn op vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties.

Het doeltreffendheidsbeginsel houdt in dat de uitoefening van op het Unierecht gebaseerde verdedigingsrechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk worden gemaakt.

De wijze waarop het gelijkwaardigheidsbeginsel inhoud wordt gegeven moet bovendien in overeenstemming zijn met het Unierecht en mag geen afbreuk doen aan het Unierecht dat ten uitvoer wordt gelegd [EU HvJ, G&R t Nederland, 10 september 2013, C-383/13, ro 36].

Die laatste voorwaarde lijkt af te doen aan het gelijkwaardigheidsbeginsel maar dat is schijn.

Onderscheid  moet worden gemaakt tussen op het unierecht gebaseerde rechten van de verdediging en niet op het Unierecht gebaseerde rechten van de verdediging.

Het staat de lidstaten niet vrij om voor de uitoefening van op het Unierecht gebaseerde rechten van de verdediging in unierechtelijke situaties ongunstiger regels vast te stellen.

Het staat de lidstaten wel vrij om ook voor de uitoefening van niet op het unierecht gebaseerde rechten van de verdediging regels vast te stellen maar die regels moeten in unierechtelijke situaties in overeenstemming zijn met het Unierecht en mogen geen afbreuk doen aan het Unierecht dat ten uitvoer wordt gelegd.

Een niet op het unierecht gebaseerd recht van de verdediging is bijvoorbeeld het recht op rechtsbijstand in de bestuurlijke fase van de besluitvorming. Voor dat recht is niet een expliciete unierechtelijke grondslag te vinden [hoewel misschien zou kunnen worden gesteld dat het recht om te worden gehoord in de bestuurlijke fase van de besluitvorming mede het recht omvat op rechtsbijstand].


woensdag 9 oktober 2013

EU HvJ, G&R t Nederland, 10 september 2013, 383/13

De Rechten van den Mensch en van den Burger, 1795,
Lambertus Antonius Claessens, Cornelis Sebille Roos (uitgever),
Pieter Johannes Uylenbroek, 1795 (fragment)

Op 10 september 2013 heeft het EU Hof van Justitie [hierna: Hof]  in de de zaak G&R t Nederland [EU HvJ, G&R t NL, 10/9/13, C-383/13].  In het arrest heeft het Hof prejudiciële vragen beantwoord van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State over de gevolgen van schending van [op het unierecht gebaseerde] rechten van de verdediging voor een besluit tot verlenging van vreemdelingenbewaring.

Uit het arrest volgt dat:

  • een onregelmatigheid in de uitoefening van de  rechten van de verdediging geen schending van die rechten oplevert 
    • in op artikel 52, eerste lid van het Handvest van de Grondrechten gebaseerde gevallen 
    • indien verdedigingsrechten geen unierechtelijke grondslag hebben
  • een onregelmatigheid in de uitoefening van [op het unierecht gebaseerde] rechten van de verdediging slechts leidt tot vernietiging van het besluit tot verlenging van de bewaring wanneer de procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben
Uit rechtspraak van het Hof volgt dat niet moet worden aangetoond dat het besluit tot verlenging van de vreemdelingenbewaring zonder onregelmatigheid anders zou hebben geluid maar wel dat zulks niet helemaal is uitgesloten omdat een derdelander zich zonder de procedurele onregelmatigheid beter had kunnen verdedigen [EG HvJ, 2/10/3, Thyssen Stahl AG t Cie, C‑194/99 P (ro 31); EG HvJ, Foshan Shunde Yongjian t Raad, 1/10/9, C‑141/08 P (ro 94)].

Op 4 oktober 2013 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] uitspraak gedaan in de zaken G&R [ABRS, 4/10/13, 201304861/1/V3 & 201305033/1/V3] .

De Afdeling overweegt in rechtsoverweging 4.2:
De vreemdelingen hebben tijdens de vertrekgesprekken noch tijdens de zittingen bij de rechtbank feiten en omstandigheden naar voren gebracht die grondslag bieden voor het oordeel dat de staatssecretaris de bestreden verlengingsbesluiten niet had mogen nemen. Aldus bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de schending van het verdedigingsbeginsel de vreemdelingen de mogelijkheid heeft ontnomen om zich zodanig te verweren dat de besluitvorming een andere afloop had kunnen hebben.

Daarmee legt de Afdeling de lat denk ik hoger dan het Hof hem legt.

donderdag 25 juli 2013

EHRM, 23 juli 2013, Suso Musa t Malta, 42337/12 & Grensbewaring gebaseerd op weigering van de verdere toegang

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens [hierna: Hof] overweegt in een arrest van 23 juli 2013 in de zaak Suso Musa t Malta [EHRM, 23 juli 2013, 42337/12

97. The Court considers that the applicant’s argument to the effect that Saadi should not be interpreted as meaning that all member States may lawfully detain immigrants pending their asylum claim, irrespective of national law, is not devoid of merit. 
Indeed, where a State (...)  enacts legislation (of its own motion or pursuant to European Union law) explicitly authorising the entry or stay of immigrants pending an asylum application (...), an ensuing detention for the purpose of preventing an unauthorised entry may raise an issue as to the lawfulness of detention under Article 5 § 1 (f). 
Indeed, in such circumstances it would be hard to consider the measure as being closely connected to the purpose of the detention and to regard the situation as being in accordance with domestic law. In fact, it would be arbitrary and thus run counter to the purpose of Article 5 § 1 (f) of the Convention to interpret clear and precise domestic law provisions in a manner contrary to their meaning (...). 
The Court notes that in Saadi the national law (albeit allowing temporary admission) did not provide for the applicant to be granted formal authorisation to stay or to enter the territory, and therefore no such issue arose. 
The Court therefore considers that the question as to when the first limb of Article 5 ceases to apply, because the individual has been granted formal authorisation to enter or stay, is largely dependent on national law.

Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] van 11 juni 2013 [ABRS, 11 juni 2013, 201301582/1/V4] volgt dat derdelanders die Nederland via Schiphol binnenkomen en aldaar een asielverzoek indienen vallen onder de in artikel 5, vierde lid onder c van de Schengengrenscode genoemde categorie van derdelanders aan wie toegang tot het Nederlandse grondgebied kan worden verleend. Aan hen kan daarom de toegang gelet op het bepaalde in artikel 13, eerste lid , eerste zin van de Schengengrenscode niet worden geweigerd.

Uit voornoemde uitspraak volgt voorts dat die asielzoekende derdelanders  wel de verdere toegang kan worden geweigerd in het belang van het grenstoezicht op grond van artikel 3 van de Vreemdelingenwet. De ervaring leert dat alle asielzoekende derdelanders de verdere toegang wordt geweigerd en dat die weigering van de verdere toegang vervolgens aan een op artikel 6 van de Vreemdelingenwet gebaseerde grensbewaring ten grondslag wordt gelegd.

Uit het arrest van het Hof in de zaak Suso Musa t Malta vloeit voort dat de op de weigering van de verdere toegang gebaseerde grensbewaring van asielzoekende derdelanders op gespannen voet staat met artikel 5, eerste lid onder f van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

zaterdag 13 juli 2013

Artikel 15, vijfde en zesde lid Terugkeerrichtlijn | bepaling maximumtermijnen

Artikel 15, vijfde en zesde lid van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat een derdelander maximaal zes dan wel achttien maanden in bewaring kan worden gehouden.

Een derdelander kan na het verstrijken van de maximale termijnen niet aansluitend opnieuw in bewaring worden gesteld. Door ‘ketting-bewaringen’ worden de maximumtermijnen van artikel 15, vijfde en zesde lid van de Terugkeerrichtlijn omzeild hetgeen afbreuk doet aan het ‘effet utile’ van die bepalingen.

Verwezen wordt in dat verband ook naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens [hierna EHRM] van 10 mei 2007 in de zaak John t Griekenland . Het EHRM overwoog in rechtsoverweging 33 [EHRM, John t Griekenland, 10 mei 2007, 199/05, ro 33]:
En l'occurrence, le 29 mars 2004, le délai de trois mois ayant expiré, le requérant aurait dû être remis en liberté. Tel n'a pas été le cas ; le requérant fut à nouveau placé en détention dix minutes après sa libération. En réalité, le requérant n'a jamais perdu la qualité de détenu, car d'une part, il se trouvait encore dans le commissariat de la police et, d'autre part, sa libération n'a consisté qu'en la signature d'un acte de remise en liberté et n'a jamais été matérialisée. De plus, le nouvel ordre d'expulsion, qui a été rendu par la suite se bornait à répéter les motifs avancés par le premier acte d'expulsion et ne contenait aucun argument nouveau de nature à justifier une nouvelle mise en détention du requérant. Aux yeux de la Cour, le comportement des autorités policières ne visait qu'à contourner l'application de la loi nº 2910/2001 afin de leur permettre de conférer une apparence de légalité à la prorogation de la détention du requérant. 

Uit een verslag van een bijeenkomst van de Expert Group Return Directive (E02232) van de Europese Commissie [MIGRAPOL CC Return Dir 33,  p. 62-63] kan worden opgemaakt dat de maximum termijnen doorlopen ook na overdracht van de betrokken derdelander aan een andere lidstaat .

Of een derdelander wederom in bewaring kan worden gesteld nadat een eerdere bewaring voor het verstrijken van de maximumtermijnen is opgeheven en die derdelander zijn illegale verblijf op het grondgebied van de Europese Unie heeft voortgezet is niet duidelijk.

Indien en voor zover een derdelander wederom in bewaring kan worden gehouden nadat een eerdere bewaring is opgeheven en die derdelander zijn illegale verblijf op het grondgebied van de Europese Unie heeft voortgezet dan is niet duidelijk hoe de in artikel 15, vijfde en zesde lid van de Terugkeerrichtlijn neergelegde maximum termijnen moeten worden bepaald. In het bijzonder is niet althans niet geheel duidelijk of termijnen van bewaring bij elkaar moeten worden opgeteld dan wel of de maximumtermijnen bij iedere inbewaringstelling opnieuw gaan lopen.

Uit doel en systematiek van de Terugkeerrichtlijn lijkt echter te volgen dat maximumtermijnen niet bij iedere inbewaringstelling opnieuw gaan lopen.

Uit de preambule bij de Terugkeerrichtlijn [punt 16] volgt dat inbewaringstelling met het oog op verwijdering moet worden beperkt . Het is niet in overeenstemming met dat uitgangspunt indien bij iedere inbewaringstelling de maximumtermijnen opnieuw gaan lopen.

Ook uit een arrest van het EU Hof van Justitie [hierna: Hof] van 30 november 2009 in de zaak Kadzoev t Bulgarije lijkt te volgen dat maximumtermijnen niet bij iedere inbewaringstelling opnieuw gaan lopen. 

Kadzoev was vóór het van toepassing worden van de Terugkeerrichtlijn in bewaring gesteld met het oog op zijn verwijdering en heeft tot zijn invrijheidstelling drie keer een asielaanvraag ingediend gedurende de behandeling waarvan hij in bewaring werd gehouden [EG HvJ, Kadzoev t Bulgarije, 30 november 2009, C-357/09 PPU].

Aan het Hof is in de zaak Kadzoev de vraag voorgelegd of bij de bepaling van de maximumtermijnen rekening moet worden gehouden met het tijdvak van bewaring met het oog op verwijdering vervuld vóór het van toepassing worden van de Terugkeerrichtlijn. Die vraag is door het EU Hof bevestigend beantwoord. Het Hof overweegt dat indien dat tijdvak van bewaring met het oog op verwijdering niet in aanmerking zou worden genomen personen in een situatie als die van Kadzoev langer in bewaring kunnen worden gehouden dan de in artikel 15 van de Terugkeerrichtlijnen genoemde maximumtermijnen .

Voorts is aan het Hof de vraag voorgelegd of bij de bepaling van de maximumtermijnen rekening moet worden gehouden met het tijdvak waarin de uitvoering van de verwijderingsbeslissing wordt geschorst omdat een asielaanvraag van een derdelander wordt onderzocht. He Hof heeft in antwoord op die vraag overwogen dat een op asielrechtelijke bepalingen gebaseerde bewaring niet kan worden aangemerkt als een bewaring met het oog op verwijdering .

Bij de bepaling van de maximumtermijnen dient derhalve geen rekening te worden gehouden met het tijdvak van op asielrechtelijke bepalingen gebaseerde bewaring. Indien perioden van bewaring in afwachting van een beslissing op een asielaanvraag echter zijn blijven berusten op grond van een regeling inzake bewaring met het oog op verwijdering dan moeten die perioden wel bij de bepaling van de maximumtermijnen worden betrokken .

Het tijdvak van bewaring met het oog op verwijdering dat in de zaak Kadzoev is vervuld vóór het van toepassing worden van de Terugkeerrichtlijn bestaat uit drie perioden. Tijdens de behandeling van de derde asielaanvraag is de Terugkeerrichtlijn van toepassing geworden. Het tijdvak van bewaring met het oog op verwijdering dat in de zaak Kadzoev is vervuld ná het van toepassing worden van de Terugkeerrichtlijn bestaat uit één periode.

Uit het arrest van het Hof in de zaak Kadzoev kan worden opgemaakt dat alle perioden van bewaring met het oog op verwijdering bij de bepaling van de maximumtermijnen moeten worden betrokken ook indien bewaring niet aaneengesloten ten uitvoer is gelegd.