dinsdag 6 maart 2012

Gestelde Eritrese nationaliteit niet geloofwaardig

"Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en voldoet aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van de vreemdeling, met inbegrip van haar verklaringen over haar nationaliteit, ongeloofwaardig is. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan. Het vorenstaande laat onverlet dat, mocht de minister niettemin tot uitzetting van de vreemdeling naar Eritrea overgaan, de vreemdeling tegen de daadwerkelijke uitzettingshandeling ingevolge artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar kan maken."
[ABRS, 23 januari 2012, 201103500/1/V2 [Individueel ambtsbericht] (mr Borman); ABRS, 26 januari 2012, 201109058/1/V2 [Deels onbestreden oordeel over geloofwaardigheid asielrelaas] (mr Borman); ABRS, 31 januari 2012, 201113044/1/V4 [Spreekt geen Tigrinya, met ambtsbericht strijdige informatie ovber dienstplicht] (mr Borman); ABRS, 3 februari 2012, 201200925/1/V2 [Spreekt geen Saho, aliassen] (mr Bijloos); ABRS, 9 februari 2012, 201103747/1/V1 [Kwaliteit verklaringen woon&leefomgeving] (mr van Wagtendonk); ABRS, 13 februari 2012, 201105411/1/V1 [Kwaliteit verklaringen woon&leefomgeving] (mr Verheij); ABRS, 14 februari 2012, 201103905/1/V2 [Spreekt geen Tigrinya, kwaliteit verklaringen over Eritrea] (mr Borman); ABRS, 16 februari 2012, 201011480/1/V4 [Spreekt geen Tigrinya] (mr Borman); ABRS, 16 februari 2012, 201011880/1/V3 [Gemanipuleerde vingers] (mr Borman); ABRS, 16 februari 2012, 201104418/1/V2 [Spreekt geen Tigrinya, kwaliteit verklaringen over woon&leefomgeving (mr Borman)]

Indien kan worden volstaan met het oordeel dat grieven niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kunnen leiden waarom dan toch nog overwegen dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verklaringen van de betrokken asielzoekende derderlander over zijn/haar nationaliteit ongeloofwaardig zijn en dat die derdelanderlander bezwaar kan maken tegen verwijdering naar Eritrea indien daartoe wordt overgegaan.

maandag 20 februari 2012

Beroepsgronden grensbewaring

Asielzoekende derdelander in afwachting beslissing op asielaanvraag
- versie 19 februari 2012

Asielzoekende derdelander na afwijzing asielaanvraag
- versie 19 februari 2012

& nu maar schaven & schuren!

zaterdag 21 januari 2012

ABRS, 29 december 2011, 201108418/1/V4: grensdetentie = bewaring plus?

Op 29 december 2011 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] uitspraak gedaan in een zaak waarin de vraag of de Terugkeerrichtlijn van toepassing is op een asielzoekende derdelander aan wie de toegang op Schiphol is geweigerd op grond van artikel 3 van de Vreemdelingenwet en wiens asielaanvraag is afgewezen [ABRS, 29 december 2011, 201108418/1/V4 (Lubberdink, Hent & Verheij)].

DE UITSPRAAK
In de uitspraak overweegt de Afdeling met een verwijzing naar een uitspraak van 8 november 2011 in de eerste plaats dat geen rechtsgeldige omzetting heeft plaats gevonden van de in artikel 2(2)(a) van de Terugkeerrichtlijn geboden mogelijkheid om de richtlijn niet toe te passen op 'grensgevallen' [ABRS, 8 november 2011, 201101573/1/V3 (Lubberdink, Van der Spoel & Sevenster)]. Daarom is aldus de Afdeling de Terugkeerrichtlijn van toepassing op de betrokken derdelander.

De Afdeling overweegt met een verwijzing naar een uitspraak van 4 oktober 2011 [ABRS, 4 oktober 2011, 201102753/1/V3] in de tweede plaats dat de omstandigheid dat een derdelander de toegang is geweigerd niet maakt dat die derdelander zich feitelijk [?] niet bevindt op het grondgebied van de lidstaat en constateert dat handelingen ter facilitering van vertrek niet wezenlijk verschillen van handelingen ter voorbereiding van de verwijdering. Redenen voor de Afdeling om terug te komen op een uitspraak van 19 juli 2010 waarin werd overwogen dat het doel van grensdetentie is om een derdelander aan wie de toegang is geweigerd te beletten zich toegang te verschaffen tot Nederland en daarmee tot het Schengen-gebied [ABRS, 19 juli 2010, 201008081/1/V3 (Parkins-de Vin, Claessens & & Van der Spoel); grensdetentie vereist geen zicht op uitzetting]. Grensdetentie dient aldus de Afdeling niet louter ter verhindering van [verdere?] binnenkomst van de derdelander op het grondgebied maar mede ter voorbereiding van de terugkeer en/of de uitvoering van de verwijderingsprocedure.

De Afdeling overweegt in de derde plaats dat bij de beoordeling van de vraag of de derdelander aan wie de toegang is geweigerd de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert moet worden uitgegaan van de omstandigheden die hebben geleid tot de grensdetentie waarbij rekening moet worden gehouden met de toelichting op die omstandigheden gegeven en met hetgeen daarover uit het dossier valt af te leiden. Uit de omstandigheden genoemd in de aan de grensdetentie ten grondslag liggende toegangsweigering en verklaringen door de derdelander afgelegd bij het eerste gehoor kan volgens de Afdeling worden opgemaakt dat er sprake is van ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure.

De Afdeling overweegt met een verwijzing naar een uitspraak van 29 juni 2011 in de vierde plaats dat het belang van grensbewaking [bedoeld zal zijn grenstoezicht] niet kan worden veiliggesteld door oplegging van een lichter middel [ABRS, 29 juni 2011, 201104070/1/V3 (Wagtendonk)].

TERUGKEERRICHTLIJN VAN TOEPASSING?
IMHO is de Terugkeerrichtlijn van toepassing maar om een andere reden dan door de Afdeling genoemd.

Artikel 2(2)(a) van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat de lidstaten kunnen besluiten de richtlijn niet toe te passen op derdelanders aan wie de toegang is geweigerd op grond van artikel 13 van de Schengengrenscode of die door de bevoegde autoriteiten zijn aangehouden of onderschept wegens het op niet reguliere wijze overschrijden van de buitengrens van een lidstaat, en die vervolgens geen vergunning of recht heeft verkregen om in die lidstaat te verblijven.

Een derdelander aan wie op grond van artikel 3 van de Vreemdelingenwet de toegang op Schiphol is geweigerd is niet een derdelander aan wie de toegang is geweigerd op grond van artikel 13 van de Schengengrenscode.

Een derdelander aan wie op grond van artikel 3 van de Vreemdelingenwet de toegang op Schiphol is geweigerd is ook niet een derdelander die is aangehouden of onderschept wegens het op niet reguliere wijze overschrijden van de buitengrens.

De zinsnede ‘aangehouden of onderschept wegens het op niet reguliere wijze overschrijden (…) van de buitengrens van een lidstaat’ van artikel 2(2)(a) van de Terugkeerrichtlijn is gebaseerd op artikel 8 van de Eurodacverordening [6541/08 ADD1; 6785/08] en dient derhalve op dezelfde wijze te worden uitgelegd. Uit het systeem van de Eurodacverordening volgt dat met ‘buitengrens’ in de zin van artikel 8 van de Eurodacverordening wordt bedoeld de buitengrens tussen de grensdoorlaatposten. Op grensdoorlaatposten speelt artikel 8 van de Eurodacverordening immers geen rol omdat vingers van toegangsgeweigerde derdelanders die geen asielverzoek hebben ingediend geen Eurodacdoel dienen.

Voorts volgt uit de Schengengrenscode dat onderscheppen en aanhouden plaats vindt in het kader van grenstoezicht in de vorm van grensbewaking ten aanzien van derdelanders die een lidstaat illegaal trachten binnen te komen buiten de grensdoorlaatposten om en derhalve niet op een grensdoorlaatpost zoals Schiphol.

Indien en voorzover een derdelander aan wie op grond van artikel 3 van de Vreemdelingenwet al zou kunnen aangemerkt als een wegens het niet op reguliere wijze overschrijden van de buitengrens aangehouden of onderschepte derdelander dan heeft die derdelander door het doen van een asielwensuiting het recht verkregen om in de lidstaat te blijven zodat hij daarom na beëindiging van dat recht niet van de toepassing van de Terugkeerrichtlijn kan worden uitgesloten.

RICHTLIJNCONVORME UITLEG GRENSDETENTIE?
Ter zitting van de Afdeling – daags na bovengenoemde uitspraak van 8 november 2011 – stelde de Minister voor Immigratie en Asiel met een verwijzing naar de hierboven eveneens genoemde uitspraak van 19 juli 2010 dat weliswaar de Terugkeerrichtlijn van toepassing was maar niet het bepaalde in artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn omdat grensdetentie niet met het oog op verwijdering wordt opgelegd. Zodoende beoogde de Minister voor Immigratie en Asiel kennelijk te betogen dat unierecht in overeenstemming met het nationale recht behoort te worden uitgelegd in plaats van andersom.

De Afdeling wijdt geen woord aan de vraag of artikel 6 van de Vreemdelingenwet zich in overeenstemming met artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn laat uitleggen. Dat had wel voor de hand gelegen al was het maar vanwege de bewoordingen van artikel 6 van de Vreemdelingenwet die op geen enkele wijze doen denken aan de bewoordingen van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn.

In afwijking van eerdere rechtspraak rekt de Afdeling artikel 6 van de Vreemdelingenwet zodanig op dat die bepaling samen met artikel 3 van de Vreemdelingenwet in overeenstemming met artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn wordt uitgelegd. Daarmee heeft de Afdeling IMHO grenzen van richtlijnconforme uitleg overschreden.

Bovendien miskent de Afdeling het onderscheid tussen vrijheidsontneming in het belang van grenstoezicht enerzijds en vrijheidsontneming met het oog op verwijdering anderzijds.

Dat onderscheid blijkt bijvoorbeeld uit artikel 5 lid 1 onder f van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarin wordt gesproken van ‘detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.’

Dat onderscheid blijkt ook uit de verschillende unierechterlijk rechtsgrondslagen waarop vrijheidsontneming in het belang van het grenstoezicht en vrijheidsontneming met het oog op verwijdering zijn gebaseerd.

Het enige positieve van de uitleg die de Afdeling geeft aan artikel 6 van de Vreemdelingenwet is dat de Minister voor Immigratie en Asiel voortvarender zal moeten handelen dan voorheen.

RECHTERLIJKE TOETSING 'OMSTANDIGHEDEN'?Onduidelijk is of de in de toegangsweigering opgesomde omstandigheden die grensdetentie rechtvaardigen door de bewaringsrechter kunnen worden getoetst of dat die omstandigheden een gegeven zijn en alleen de toelichting erop gegeven en hetgeen erover uit het dossier valt af te leiden kunnen worden getoetst [zie bijvoorbeeld ABRS, 25 januari 2010, 200909198/1/V3].

LICHTER MIDDEL?
Grenstoezicht kan volgens de Afdeling niet worden veiliggesteld door oplegging van een lichter middel. Afgezien van de vraag of er voor grenstoezicht nog plaats is in het geval van een asielzoekende derdelander wiens recht om in de lidstaat te blijven beëindigd is staat IMHO de Terugkeerrichtlijn in de weg aan het categoriaal niet opleggen van een lichter middel in het belang van grenstoezicht.

woensdag 21 december 2011

EU HvJ, 6 december 2011, Achughbabian t Frankrijk, C-329/11

Op 6 december 2011 heeft de grote kamer van het EU Hof van Justitie arrest gewezen in de de derde 'Terugkeerrichtlijn' zaak Alexander A. [met dank aan mr WV] t Frankrijk [EU HvJ, 6 december 2011, C-329/11;  Standpuntbepaling AG J. Mazak, 26 oktober 2011].

In Frankrijk is illegale binnenkomst en -verblijf een strafbaar feit.

Alexander A. komt op 9 april 2008 Frankrijk binnen en dient een asielverzoek in dat op 28 novermber 2008 wordt afgewezen. Op 27 januari 2009 wordt een [reguliere?] aanvraag om toelating afgewezen en wordt jegens Alxander A. een soort van terugkeerbesluit uitgevaardigd waarim hem een vertrektermijn wordt gegund van 1 maand.

Alexander A. laat de vertrektermijn verstrijken. Hij wordt op 24 juni 2011 aangehouden op verdenking van het strafbare feit 'illegaal verblijf' en in strafrechtelijke verzekering gesteld. Een dag later op 25 juni 2011 wordt jegens Alexander A. wederom een soort van terugkeerbesluit uitgevaardigd - de eerste heeft zijn geldigheid verloren - dit keer zonder dat hem een vertrektermijn wordt gegund. Alexander A. wordt in vreemdelingrechtelijke bewaring gesteld.

Met een beroep op het arrest van het EU Hof van Justitie van 28 april 2011 in de zaak Hassen El Dridi alias Soufi Karim stelt Alexander A. ten overstaan van de Franse bewaringsrechters dat de Terugkeerrichtlijn aan de strafrechtelijke inverzekering in de weg staat [EU HvJ, 28 april 2011, C-61/11 PPU; Standpuntbepaling AG J. Mazak, 1 april 2011].

De Franse appelrechter legt het EU Hof van Justitie de vraag voor of de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen de Franse strafbaarstelling van illegale binnenkomst en -verblijf.

Het EU Hof van Justitie besluit de zaak van Alexander A. te behandelen volgens de versnelde procedure.

Voortvarend & onverwijld
Volgens het EU Hof van Justitie verzet de Terugkeerrichtlijn zich niet tegen strafbaarstelling van illegaal verblijf omdat de Terugkeerrichtlijn niet tot doel heeft alle vreemdelingrechtelijke voorschriften te harmoniseren (ro28). De Terugkeerrichtlijn verzet zich evenmin tegen vrijheidsbeneming om vast te stellen of het verblijf van een derdelander illegaal is omdat de Terugkeerrichtlijn ziet op de gevolgen daarvan (ro 29). De lidstaten moeten bij die vaststelling wel voortvarend te werk gaan en onverwijld een standpunt innemen over de [il]legaliteit van het verblijf van een derdelander (ro 31, 32).

Oplegging & tenuitvoerlegging straf maatregel in de zin van artikel 8 TR?
Vervolgens onderzoekt het EU Hof van Justitie of de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen de strafbaarstelling van illegaal verblijf voor zover die strafbaarstelling kan leiden tot een gevangenisstraf tijdens de terugkeerprocedure (ro 32). Na te hebben vastgesteld dat er jegens Alexander A. een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en diens situatie derhalve valt onder artikel 8 van de Terugkeerrichtlijn  onderzoekt het EU Hof van Justitie of de strafbaarstelling een maatregel is in de zin van artikel 8 van de Terugkeerrichtlijn (ro 34 ev).

Volgens het EU Hof van Justitie is de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf tijdens de terugkeerprocedure geen maatregel in de zin van artikel 8 van de Terugkeerrichtlijn omdat evident is dat de oplegging en de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf niet bijdragen aan de uitvoering van de fysieke verwijdering van  een illegale derdelander uit een lidstaat  (ro 37). Voorts laat de Terugkeerrichtlijn geen andere vorm van vrijheidsbeneming toe dan bewaring.

Dat een straf wegens illegaal verblijf zelden wordt opgelegd en dat Alexander A. niet is veroordeeld doet niet af aan de omstandigheid dat de strafbaarstelling van illegaal verblijf afbreuk kan doen aan het nuttig effect van de Terugkeerrichtlijn (ro 39, 40).

Oplegging & tenuitvoerlegging straf voorafggaand aan- of tijdens terugkeerprocedure?
Uit loyaliteitsplicht volgt dat de lidstaten verplicht zijn om alle maatregelen te treffen die geschikt zijn om nakoming van uit een richtlijn voortvloeiende verplichtingen te verzekeren en om zich te onthouden van alle maatregelen die verwezenlijking van de doelstellingen van een richtlijn in gevaar kunnen brengen (ro 33, 43).

Volgens het EU Hof van Justitie verzet de Terugkeerrichtlijn zich tegen de oplegging en de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf  ['een'?, mr T] voorafgaand aan- of tijdens de terugkeerprocedure [dus los daarvan, mr T]  omdat die oplegging en tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf de verwijdering vertragen  en geen door artikel 9 van de Terugkeerrichtlijn toegestane rechtvaardiging vormen voor uitstel van verwijdering.

Dictum
Het EU Hof van Justitie verklaart ten slotte voor recht dat de Terugkeerrichtlijn:
zich verzet tegen een regeling van een lidstaat waarbij illegaal verblijf wordt tegengegaan met strafrechtelijke sancties, voor zover die regeling toestaat dat een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een onderdaan van een derde land die weliswaar illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijft en niet bereid is dat grondgebied vrijwillig te verlaten, doch op wie niet de in artikel 8 van deze richtlijn bedoelde dwangmaatregelen zijn toegepast en voor wie, in geval van vreemdelingenbewaring met het oog op de voorbereiding en de uitvoering van zijn verwijdering, de maximale duur van die bewaring nog niet is verstreken; en
– zich niet verzet tegen een dergelijke regeling voor zover deze toestaat dat een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een onderdaan van een derde land op wie de bij die richtlijn ingestelde terugkeerprocedure is toegepast en die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal op dat grondgebied verblijft.

Kwellende vragen
Het arrest laat nog tal van vragen onbeantwoord:
  • Vloeien er voor de lidstaten geen verplichtingen meer voort uit de Terugkeerrichtlijn nadat de maximale bewaringstermijn is verstreken en een illegale derdelander in een lidstaat wordt aangetroffen?
  • Kunnen strafrechtelijke dwangmaatregelen volgen aansluitend op het verstrijken van de maximale bewaringstermijn?
  • Is er sprake van het verstrijken van de maximale duur van de bewaring indien een illegale derdelander wordt geklinkerd wegens het ontbreken van zicht op verwijdering?
  • Kan een gevangenisstraf worden opgelegd en tenuitvoer gelegd in het geval van een illegale derdelander die onverwijderbaar is?
  • Verzet de Terugkeerrichtlijn zich ook tegen de oplegging en tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf om andere redenen dan migratie gerelateerd?
  • &zovoort

zondag 20 november 2011

Vervolg: EU HvJ, Murat Dereci ea t Oostenrijk, 15 november 2011, C‑256/11

Op 15 november 2011 heeft het EU Hof van Justitie [hierna: Hof] arrest gewezen in de gevoegde zaken van Murat Dereci ea t Oostenrijk [EU HvJ, 15 november 2011, C-256/11; Standpuntbepaling AG P. Mengozzi, 29 september 2011; zie ook hier].

Het arrest wordt minder onbegrijpelijk na het lezen van de standpuntbepaling van AG Paolo Mengozzi.

Het gaat in bovengenoemde gevoegde zaken om derdelanders die willen samenleven met verschillende soorten familieleden/unieburgers die wonen in de lidstaat waarvan ze de nationaliteit hebben, die nimmer gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer en die niet afhankelijk zijn van de derdelanders voor hun levensonderhoud.

D. is illegaal Oostenrijk binnen gekomen, is daarna gehuwd met een Oostenrijkse unieburger, heeft met haar drie kinderen gekregen, heeft een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf bij zijn echtgenote ingediend welke aanvraag is afgewezen, jegens hem is een uitzettingsbevel uitgevaardigd.

H. is gehuwd met een Oostenrijkse unieburger, is daarna Oostenrijk legaal met een visum binnengekomen, heeft na het verstrijken van de geldigheidsduur van haar visum een aanvraag tot het verlenen van een vergunning tot verblijf bij haar echtgenoot ingediend welke aanvraag is afgewezen.

K. is op 2 jarige leeftijd Oostenrijk legaal binnengekomen, heeft na 22 jaar legaal verblijf een aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning ingediend die is afgewezen, heeft vervolgens een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf bij zijn Oostenrijkse moeder door wie hij wordt onderhouden ingediend welke aanvraag is afgewezen, jegens hem zou een uitzettingsbevel zijn uitgevaardigd.

M. is Oostenrijk illegaal binnengekomen, heeft op basis van valse verklaringen een asielaanvraag ingediend die is afgewezen, is gehuwd met een Oostenrijkse unieburger, heeft een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf bij zijn echtgenote ingediend welke aanvraag is afgewezen.

S. leeft met man en meerderjarige kinderen in haar land van herkomst, heeft een aanvraag tot het verlenen van een vergunning tot verblijf bij haar Oostenrijkse vader door wie zij (deels) wordt onderhouden ingediend welke aanvraag is afgewezen.

Volgens de Oostenrijkse autoriteiten stond het Unierecht noch artikel 8 EVRM aan de afwijzing van de aanvragen in de weg.

Het Hof onderzoekt eerst of Gezinsherenigingsrichtlijn en de Unieburgerrichtlijn van toepassing zijn. Dat is niet het geval. De unieburgers immers hebben geen gebruik gemaakt van hun recht op vrij verkeer terwijl de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op unieburgers.

Het Hof onderzoekt vervolgens de toepasselijkheid van de verdragsbepalingen betreffende het burgerschap van de Unie.

Het 'Zambrano' criterium dat betrekking heeft op het geval dat erdoor gekenmerkt wordt dat de unieburger feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten is volgens het Hof een criterium van zeer bijzondere aard dat ziet op het geval waarin uitzonderlijk geen verblijfsrecht kan worden ontzegd aan een derdelander die een familielid is van die unieburger.

Het enkele feit dat het voor een unieburger misschien wenselijk is dat een familielid/derdelander bij hem op het grondgebied van de Unie verblijft volstaat volgens het Hof op zich niet om aan te nemen dat die unieburger verplicht zal worden om het grondgebied van de Unie te verlaten indien een verblijfsrecht niet wordt toegekend.

Het Hof maakt dus wel duidelijk in welke gevallen uitzonderlijk wel een verblijfsrecht kan worden ontzegd maar niet in welke gevallen uitzonderlijk niet een verblijfsrecht kan worden ontzegd.

In de standpuntbepaling licht AG Paolo Mengozzi misschien wel een tip van de sluier op.


Hij noemt het geval waarin een unieburger bijvoorbeeld arbeidsongeschikt is en daardoor niet in het levensonderhoud van zijn/haar kinderen kan voorzien en zich ook niet met zijn/haar kinderen kan vestigen in een andere lidstaat. Hij noemt ook het geval waarin een derdelander in economisch en/of juridisch, administratief en affectief opzicht de zorg heeft voor een van zijn ouders/unieburgers.

Een ander geval zou kunnen zijn dat waarin de ouder/derdelander voornemens is om op grond van het ouderlijk gezag bij verwijdering naar het land van herkomst kinderen/unieburgers mee te nemen.

Lezers van dit blogje worden uitgenodigd om meer gevallen naar voren te brengen.

Het Hof onderzoekt ten slotte het recht op eerbiediging van het privé-leven en het familie- en gezinsleven.

AG Paolo Mengozzi stelt in de standpuntbepaling dat de bescherming van met name het het in de drie rechtsorden – de nationale, die van de Unie en die van het EVRM – een aanvullende bescherming is. Hij concludeert dat in het geval van een unieburger die gebruik heeft gemaakt van een van de verkeersvrijheden   het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven wordt beschermd op nationaal niveau en op het niveau van het Unierecht (Carpenter?) en dat in het geval van een unieburger die geen gebruik heeft gemaakt van een van die vrijheden wordt die bescherming gewaarborgd op nationaal niveau en door het EVRM.

Het Hof overweegt dat in het geval de situatie van een familielid/derdelander onder het Unierecht valt zal moeten worden onderzocht of de ontzegging van een verblijfsrecht het recht op eerbiediging van het privé-leven en familie- en gezinsleven in de zin van artikel 7 van het Handvest aantast en dat in het geval de situatie van een familielid/derdelander niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt voornoemde onderzoek zal moeten worden verricht in het licht van artikel 8 lid 1 EVRM.

De bescherming die het Hof derdelanders biedt is ruimer dan de bescherming AG Paolo Mengozzi hen biedt. In het geval een unieburger geen gebruik heeft gemaakt van een van de verkeersvrijheden geniet volgens het Hof het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven ook bescherming op het niveau van het Unierecht bijvoorbeeld in een geval waarin de Terugkeerrichtlijn van toepassing is.

Op grond van artikel 6(4) van de Terugkeerrichtlijn kunnen lidstaten te allen tijde beslissen om een illegale derdelander een vorm van toestemming tot verblijf geven. Gelezen in het licht van punten 22 en 24 van de considerans en artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn valt niet in te zien waarom die bepaling derdelanders als D, H, K, M & S geen uitkomst zou kunnen bieden.

Het gaat weliswaar om een 'kan' bepaling maar uit een conclusie van AG Verica Trstenjak van 22 september 2011, C-411/10, in een 'Dublin' zaak waarin prejudiciele vragen zijn gesteld over de vergelijkbare 'kan' bepaling van artikel 3(2) van de Dublinverordening zou kunnen worden opgemaakt dat een dergelijke 'kan' bepaling binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt en dat indien verwijdering een (ernstige) schending betekent van het recht op eerbiediging van het privé-leven en familie- en gezinsleven in de zin van artikel 7 van het Handvest van de bevoegdheid van artikel 6(4) van de Terugkeerrichtlijn gebruik moet worden gemaakt.

dinsdag 15 november 2011

EU HvJ, Murat Dereci ea t Oostenrijk, 15 november 2011, C‑256/11

Vandaag heeft het EU Hof van Justitie [hierna: Hof] arrest gewezen in de post-Zambrano zaak van Murat Dereci ea t Oostenrijk [EU HvJ, 15 november 2011, C-256/11; Standpuntbepaling  AG P. Mengozzi, 29 september 2011].

Het gaat om derdelanders die willen samenleven met verschillende soorten familieleden/unieburgers die wonen in de lidstaat waarvan ze de nationaliteit hebben, die nimmer gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer en die niet afhankelijk zijn van de derdelanders voor hun levensonderhoud [behalve dan misschien de kinderen van Murat Dereci?].

Het Hof onderzoekt eerst of de Unieburgerrichtlijn of de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing zijn hetgeen niet het geval is. De unieburgers immers hebben geen gebruik gemaakt van hun recht op vrij verkeer terwijl de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op unieburgers. [ro 44 t/m 58]

Vervolgens onderzoekt het Hof of de betrokken unieburgers van een beroep kunnen doen op de verdragsbepalingen betreffende het burgerschap van de Unie. Het Hof overweegt dat de situatie van een unieburger die het recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend niet op grond van dit feit alleen kan worden gelijkgesteld met een zuiver interne situatie omdat de hoedanigheid van unieburger de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten moet zijn.

Artikel 20 van het VWEU verzet zich volgens het Hof tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat unieburgers het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van unieburger ontleende rechten. Het criterium van de ontzegging van het effectieve genot van belangrijkste aan de status van unieburger ontleende rechten heeft betrekking heeft op gevallen die erdoor gekenmerkt worden dat de unieburger feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is te verlaten maar ook dat van de Unie als geheel.

Het gaat volgens het Hof om een criterium van zeer bijzondere aard. Het enkele feit dat het voor een unieburger misschien wenselijk is dat familieleden/derdelanders bij hem verblijven  volstaat op zich niet om aan te nemen dat de unieburger verplicht zal worden om het grondgebied van de Unie te verlaten indien die familieleden/derdelanders een verblijfsrecht niet wordt toegekend. [ro 59 t/m 69]

Het Hof onderzoekt in de derde plaats het recht op eerbiediging van het privé-leven en het familie- en gezinsleven en overweegt  dat indien de situatie van een derdelander onder het recht van de Unie valt zalmoetn worden onderzocht of de ontzegging van een verblijfsrecht het recht op eerbiediging van hun privé-leven en familie- en gezinsleven in de zin van artikel 7 van het Handvest aantast en dat indien de situatie van een derdelander niet onder het recht van de Unie valt zal moeten worden onderzocht of  de ontzegging van een verblijfsrecht het recht op eerbiediging van hun privé-leven en familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aantast. [ro 70 t/m 74]

Aldus een eerste lezing van het arrest in de trein naar Zwolle.

zaterdag 5 november 2011

Grensdetentie, bewaring van een [uitgeprocedeerde] asielzoekende derdelander aan de grens

Er zijn 2 vormen van vrijheidsontneming waar derderlanders als derdelanders aan kunnen worden onderworpen. Vrijheidsontneming in het belang van het grenstoezicht - grensdetentie - en vrijheidsbeneming met het oog op verwijdering naar een derde land - bewaring.

Grensdetentie en bewaring moeten van elkaar worden onderscheiden. Het is of het grensdetentie of bewaring.

Grensdetentie wordt toegepast ten aanzien van derdelander die onder grenstoezicht staat in de vorm van grenscontrole. Het is een maatregel in de zin van artikel 13(4) van de Schengengrenscode waarmee beoogd wordt te voorkomen dat een derdelander aan wie de toegang is geweigerd het grondgebied van de betrokken lidstaat betreedt. De rechtsgrondslag voor grensdetentie is te vinden in artikel 62(2)(a) van het EG Verdrag.

Ik twijfel of grensdetentie grensdetentie kan worden toegepast ten aanzien van een derdelander die onder grenstoezicht staat na illegale buitengrensoverschrijding en of grensdetentie derhalve ook een maatregel is in de zin van artikel 12(1) van de Schengengrenscode.

Bewaring wordt toegepast ten aanzien van een illegaal in de lidstaat verblijvende derdelander. Het is een maatregel in de zin van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn waarmee wordt beoogd die derdelander te doen terugkeren naar een derde land. De rechtsgrondslag voor bewaring is te vinden in artikel 63(3)(b) van het EG Verdrag.

De omstandigheid dat een derdelander onder grenstoezicht staat in de vorm van grenscontrole staat aan het toepassen van de maatregel van bewaring niet in de weg. Een derdelander immers aan wie de toegang is geweigerd is gelet op het bepaalde in artikel 3(2) van de Terugkeerrichtlijn ook een illegaal in de lidstaat verblijvende derdelander. Met het in bewaring stellen van een derdelander aan wie de toegang is geweigerd wordt wel het grenstoezicht en derhalve ook de toegangsweigering prijsgegeven omdat op de rechtsgrondslag van artikel 63(3)(b) van het EG Verdrag niet een maatregel in het belang van grenstoezicht kan worden gebaseerd. Vergelijk ABRS, 14 januari 2009, 200808436/1.

Kan de maatregel van grensdetentie in het belang van grenstoezicht worden toegepast ten aanzien van een derdelander wiens asielverzoek aan de grens is afgewezen?

Ook indien er van moeten worden uitgegaan dat een asielzoekende derdelander de feitelijke toegang tot het grondgebied kan worden ontzegd en dat ten aanzien van die asielzoekende derdelander de maatregel van grensdetentie kan worden toegepast, zie ABRS, 4 oktober 201102753/1/V3, en afgezien van de vraag of artikel 2(2)(a) van de Terugkeerrichtlijn als geïmplementeerd kan worden aangemerkt, moet die vraag ontkennend worden beantwoord.

Uit artikel 2(2)(a) van de Terugkeerrichtlijn immers volgt immers dat een derdelander die een vergunning of recht heeft verkregen nadat hij onder grenstoezicht is komen te staan niet meer van toepassing van de Terugkeerrichtlijn kan worden uitgesloten. Het op artikel 7 van de Procedurerichtlijn gebaseerde recht om in een lidstaat te verblijven is een vergunning of recht in hiervoor genoemde zin. De vrijheidsontneming van een derdelander wiens asielverzoek aan de grens is afgewezen is derhalve vrijheidsontneming met het oog op verwijdering naar een derde land en niet vrijheidsontneming in het belang van grenstoezicht. Het is geen grensdetentie maar bewaring en moet voldoen aan de voorwaarden daarvoor.

Met dank aan mrs HB & Z.