Removed:
110621 C-60/11 Mrad
110621 C-50/11 Emegor
110621 C-63/11 Austine
110621 C-94/11 Godwin
110629 C-140/11 Ngagne
110706 C-187/11 Vermisheva
110706 C-43/11 Samb
110713 C-120/11 Kwadwo
Inadmissible
110908 C-144/11 Abdalla
Pending
C-329/11 Achughbabian
vrijdag 14 oktober 2011
zondag 8 mei 2011
Shirley McCarthy: Unieburgerrichtlijn (2004/38/EG) & art 21 VWEU
Dat een burger van de Unie de nationaliteit van meer dan een lidstaat bezit, betekent immers niet dat hij zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend (EU HvJ, 5 mei 2011, C-434-09, ro 41).Shirley McCarthy heeft de Britse en via haar moeder die in Ierland is geboren de Ierse nationaliteit. Shirley McCarthy is geboren en getogen in het Verenigd Koninkrijk, heeft [hoe bestaat het] nog nooit van haar circulatierecht gebruik gemaakt en leeft van een uitkering.
Shirley McCarthy heeft een Jamaicaanse huwelijkspartner wiens verblijf bij haar zij beoogt te legaliseren. Shirley McCarthy doet daartoe [voor haarzelf] een beroep [helaas alleen maar op] de Unieburgerrichtlijn [en niet zoals Gerardo Luiz Zambrano ook op artikel 20 VWEU].
De zaak van Shirley McCarthy komt uiteindelijk bij het EU Hof van Justitie terecht dat op 5 mei 2011 uitspraak heeft gedaan [EU HvJ, 5 mei 2011, C-434/09]. De conclusie van Advocaat Generaal Kokott van 25 november 2010 deed al het ergste vrezen [AG EU HvJ, 25 november 2011, C-434/09].
Het EU Hof van Justitie 'hertaalt' de eerste prejudiciële vraag van de Britse rechter in 2 subvragen:
1. Is de Unieburgerrichtlijn van toepassing is op een burger van de Unie die nooit zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend, altijd heeft verbleven in een lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit en die ook de nationaliteit van een andere lidstaat bezit [ro 30].
2. Is artikel 21 VWEU van toepassing is op een burger van de Unie die nooit zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend, altijd heeft verbleven in een lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit en die ook de nationaliteit van een andere lidstaat bezit [ro 44].
Aan de hand van een letterlijke, teleologische en systematische uitlegging van de Unieburgerrichtlijn beantwoordt het EU Hof van Justitie de eerste subvraag ontkennend [ro 31].
Volgens de letterlijke uitlegging is een 'begunstigde' in de zin van artikel 3 van de Unieburgerrichtlijn iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit heeft [ro 32].
Een burger van de Unie ontleent recht op verblijf in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit heeft aan het beginsel van internationaal recht dat zich er tegen verzet dat een staat verblijf van die burger van voorwaarden afhankelijk stelt. Volgens de teleologische uitlegging kan het daarom niet de bedoeling zijn dat de Unieburgerrichtlijn, waarin voorwaarden worden geregeld voor de uitoefening van het recht op vrij verkeer en verblijf, wordt toegepast op een burger van de Unie die een onvoorwaardelijk verblijfsrecht heeft in de staat waarvan hij de nationaliteit heeft. [ro 33-34].
Volgens de systematische uitlegging is er een verband tussen verblijf en vrij verkeer, regelt de Unieburgerrichtlijn het verblijf van een burger van de Unie in een lidstaat waarvan hij de nationaliteit niet bezit en geldt het verblijfsrecht voor het gastland dat wordt omschreven als de lidstaat waarheen de burger van de Unie zich begeeft om zijn verblijfsrecht uit te oefenen [ro 35-38].
Het arrest heeft gevolgen de burger van de Unie die geboren en getogen is in een andere lidstaat dan waarvan hij de nationaliteit bezit. Indien die burger van de Unie niet in persoon of als familielid van het circulatierecht gebruik heeft gemaakt dan is de Unieburgerrichtlijn op die burger van de Unie niet van toepassing.
Ook de tweede subvraag beantwoordt het EU Hof van Justitie ontkennend.
Het EU Hof van Justitie herinnert aan vaste rechtspraak volgens welke de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer en daarop gebaseerde handelingen niet kunnen worden toegepast op zuiver interne situaties. De situatie waarin een burger van de Unie van het circulatierecht geen gebruik heeft gemaakt kan echter niet op grond van die omstandigheid alleen worden gelijk gesteld met een zuiver interne situatie omdat een situatie waarin de burger van de Unie die van zijn circulatierecht geen gebruik heeft gemaakt en hem het effectieve genot van het Unieburgerschap wordt ontzegd of waarin zijn circulatierecht wordt belemmerd niet een zuiver interne situatie is.
Dat mag Shirley McCarthy niet helpen. De betrokken nationale maatregel - de weigering om de Shirley McCarthy te erkennen als begunstigde in de zin van de Unieburgerrichtlijn - belemmert haar niet om gebruik te maken van haar circulatierecht en verplicht haar niet om het Verenigd Koninkrijk alwaar zij een onvoorwaardelijk verblijfsrecht heeft te verlaten. De situatie van Shirley McCarthy is een zuiver interne situatie.
100 x gewijzigd, laatste keer 12 mei 2011
vrijdag 6 mei 2011
EU HvJ, Shirley McCarthy t VK, 5 mei 2011, C‑434/09
Uit het arrest van het EU Hof van Justitie van 5 mei 2011 in de zaak van Shirley McCarthy tegen het Verenigd Koninkrijk lijken na enkele misschien wel te vluchtige lezingen de volgende voorzichtige conclusies te kunnen worden getrokken [EU HvJ, 5 mei 2011, C‑434/09].
Op artikel 20 VWEU kan een beroep worden gedaan indien iemand 'gedwongen' wordt het grondgebied van de lidstaten te verlaten als gevolg van het verlies van de nationaliteit van een lidstaat (Rottman) of omdat hij niet anders kan als gevolg waarvan hem het effectieve genot van het burgerschap van de wordt Unie ontzegd (Zambrano).
Op artikel 21 VWEU kan een beroep worden gedaan indien een onderdaan van een lidstaat het effectieve genot wordt ontzegd van het burgerschap van de Unie (Jipa?) of indien het recht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten hem wordt belemmerd (Garcia Avello, Grunkin & Paul).
Op de Unieburgerrichtlijn kan geen beroep worden gedaan door iemand die zijn recht van vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend, die altijd heeft verbleven in een lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit en die ook de nationaliteit van een andere lidstaat bezit.
Op artikel 20 VWEU kan een beroep worden gedaan indien iemand 'gedwongen' wordt het grondgebied van de lidstaten te verlaten als gevolg van het verlies van de nationaliteit van een lidstaat (Rottman) of omdat hij niet anders kan als gevolg waarvan hem het effectieve genot van het burgerschap van de wordt Unie ontzegd (Zambrano).
Op artikel 21 VWEU kan een beroep worden gedaan indien een onderdaan van een lidstaat het effectieve genot wordt ontzegd van het burgerschap van de Unie (Jipa?) of indien het recht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten hem wordt belemmerd (Garcia Avello, Grunkin & Paul).
Op de Unieburgerrichtlijn kan geen beroep worden gedaan door iemand die zijn recht van vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend, die altijd heeft verbleven in een lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit en die ook de nationaliteit van een andere lidstaat bezit.
dinsdag 26 april 2011
ABRS, 2 februari 2011, 201002877/1/V6 met noot T. de Lange
Begin 2008 komen 2 gespecialiseerde Turkse tegelzetters in Turkije werkzaam voor een Turks bedrijf met een Schengenvisum vanuit Turkije naar Roermond om speciale tegels te plaatsen in een moskee aldaar. De tegelzetters worden bij een controle door de Arbeidsinspectie werkend aangetroffen en de moskee wordt beboet omdat zij 2 personen van de Turkse nationaliteit werkzaamheden heeft laten verichten zonder dat ze beschikte over de door de Wet arbeid vreemdelingen vereiste tewerkstellingsvergunning.
In (bezwaar? en) beroep wordt door de moskee een beroep gedaan op het Associatierecht EEG-Turkije in het bijzonder op de standstillbepaling van het Aanvullend Protocol. Volgens de moskee bestond op 1 januari 1973 geen plicht om in het bezit te zijn van een tewerkstellingsvergunning in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening zodat het opleggen van die verplichting als nieuwe beperking in strijd is met de standstillbepaling van het Aanvullend Protocol. Volgens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [hierna: de Minister] was op 1 januari 1993 sprake van een vergunningplicht gebaseerd op de Wet arbeidsvergunning vreemdelingen 1964 waaronder elke vorm van het verrichten van arbeid door vreemdelingen viel ongeacht de vestigingsplaats van de werkgever.
De rechtbank overweegt met een verwijzing naar de tekst en de wetsgeschiedenis van de Wet arbeidsvergunning vreemdelingen 1964 dat in 1973 geen vergunningplicht bestond in het geval als die van de Turkse tegelzetters. De rechtbank beantwoordt de vraag of de uit de Wet arbeid vreemdelingen voortvloeiende vergunningsplicht een nieuwe beperking is en derhalve in strijd met de standstillbepaling van het Aanvullend Protocol bevestigend en verklaart het beroep van de moskee op 15 februari 2010 gegrond. [Rtb DH zp Roermond, 15 februari 2010, AWB 09/778, LJN BL4276].
De Minister stelt hoger beroep in op welk beroep bijna één jaar later uitspraak wordt gedaan door de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling].
De Minister voert in hoger beroep aan dat op 1 januari 1973 voor het verrichten van diensten door Turkse werknemers van een in Turkije gevestigde werkgever een vergunningplicht bestond op grond van de Wet arbeidsvergunning vreemdelingen en dat de invoering van de Wet arbeid vreemdelingen geen beperking oplevert.
Uit onder meer een arrest van het Hof van in de zaak Skatteverket tegen A van 18 december 2007 leidt de Afdeling af dat een verbod dat op 1 januari 1973 in de nationale rechtsorde bestond maar pas na die datum wordt gehandhaafd dient te worden aangemerkt als een nieuwe beperking [EG HvJ, 18 december 2007, C-540/09].
De Afdeling overweegt met een verwijzing naar onder meer voornoemd arrest dat ook indien de Minister zou worden gevolgd in zijn betoog dat op 1 januari 1973 de in dit geval verrichte arbeid onder het bereik van de in de Wet arbeidsvergunning vreemdelingen 1964 opgenomen verboden [tot het (doen laten) verrichten van arbeid zonder vergunning] viel dat onverlet laat dat de Minister niet heeft aangetoond dat op 1 januari 1973 die verboden ook werden gehandhaafd.
Omdat de in de Wet arbeid vreemdelingen opgenomen verbodsregeling in het geval van de Turkse tegelzetters een nieuwe beperking behelst in de zin van de standstillbepaling van het Aanvullend protocol dient die regeling buiten toepassing te blijven.
De Afdeling verklaart het hoger beroep van de Minister ongegrond. [ABRS, 2 februari 2011, 201002877/1/V6]
In een uitspraak van 22 april 2010 overwoog de Afdeling al dat indien aanknopingspunten daartoe aanleiding geven ambtshalve moet worden beoordeeld of een Turkse vreemdeling rechten kan ontlenen aan het Associatierecht EEG-Turkije. De Afdeling gaat nu een stapje [eigenlijk stap en ook nog in de goede richting] verder. Aangetoond moet niet alleen worden wat het recht was op 1 januari 1973 maar ook of dat recht werd gehandhaafd [ABRS, 22 april 2010, 200808247/1/V3].
Naar moet worden aangenomen geldt een en ander ook voor de standstillbepaling van Besluit 1/80. Wel jammer dat steeds meer drempels lijken te worden opgeworpen om op die standstillbepaling een beroep te doen.
De kennelijk aan het arrest Toprak tegen Nederland ontleende verwijzing naar het arrest Skatteverket tegen A bevreemdt omdat het Hof van Justitie in dat arrest 'handhaven' uitlegt als niet intrekken [zie EU HvJ, Toprak ea t Nederland, 9 december 2010, C-300/09 en C-301/09, ro 59]. Voor het standpunt dat een beperking die niet wordt gehandhaafd in de door de Afdeling bedoelde zin geen beperking is kan overigens wel steun gevonden worden in [bijvoorbeeld] het arrest van het Hof van Justitie van 11 december 2008 in de zaak Danfoss ea tegen Denemarken [EG HvJ, 11 december 2008, C-371/07 (niet handhaving BTW plicht van BTW plichtige); zie ook EG HvJ, Magoora t Polen, 22 december 2008, C-414/07 & EG HvJ, Metropol t Oostenrijk, 8 januari 2002, C-409/99]
Verder lezen:
Tesseltje de Lange, Staat, markt en migrant, De regulering van arbeidsmigratie naar Nederland 1945-2006 (diss. Nijmegen), 2007 Den Haag (Boom)
In (bezwaar? en) beroep wordt door de moskee een beroep gedaan op het Associatierecht EEG-Turkije in het bijzonder op de standstillbepaling van het Aanvullend Protocol. Volgens de moskee bestond op 1 januari 1973 geen plicht om in het bezit te zijn van een tewerkstellingsvergunning in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening zodat het opleggen van die verplichting als nieuwe beperking in strijd is met de standstillbepaling van het Aanvullend Protocol. Volgens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [hierna: de Minister] was op 1 januari 1993 sprake van een vergunningplicht gebaseerd op de Wet arbeidsvergunning vreemdelingen 1964 waaronder elke vorm van het verrichten van arbeid door vreemdelingen viel ongeacht de vestigingsplaats van de werkgever.
De rechtbank overweegt met een verwijzing naar de tekst en de wetsgeschiedenis van de Wet arbeidsvergunning vreemdelingen 1964 dat in 1973 geen vergunningplicht bestond in het geval als die van de Turkse tegelzetters. De rechtbank beantwoordt de vraag of de uit de Wet arbeid vreemdelingen voortvloeiende vergunningsplicht een nieuwe beperking is en derhalve in strijd met de standstillbepaling van het Aanvullend Protocol bevestigend en verklaart het beroep van de moskee op 15 februari 2010 gegrond. [Rtb DH zp Roermond, 15 februari 2010, AWB 09/778, LJN BL4276].
De Minister stelt hoger beroep in op welk beroep bijna één jaar later uitspraak wordt gedaan door de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling].
De Minister voert in hoger beroep aan dat op 1 januari 1973 voor het verrichten van diensten door Turkse werknemers van een in Turkije gevestigde werkgever een vergunningplicht bestond op grond van de Wet arbeidsvergunning vreemdelingen en dat de invoering van de Wet arbeid vreemdelingen geen beperking oplevert.
Uit onder meer een arrest van het Hof van in de zaak Skatteverket tegen A van 18 december 2007 leidt de Afdeling af dat een verbod dat op 1 januari 1973 in de nationale rechtsorde bestond maar pas na die datum wordt gehandhaafd dient te worden aangemerkt als een nieuwe beperking [EG HvJ, 18 december 2007, C-540/09].
De Afdeling overweegt met een verwijzing naar onder meer voornoemd arrest dat ook indien de Minister zou worden gevolgd in zijn betoog dat op 1 januari 1973 de in dit geval verrichte arbeid onder het bereik van de in de Wet arbeidsvergunning vreemdelingen 1964 opgenomen verboden [tot het (doen laten) verrichten van arbeid zonder vergunning] viel dat onverlet laat dat de Minister niet heeft aangetoond dat op 1 januari 1973 die verboden ook werden gehandhaafd.
Omdat de in de Wet arbeid vreemdelingen opgenomen verbodsregeling in het geval van de Turkse tegelzetters een nieuwe beperking behelst in de zin van de standstillbepaling van het Aanvullend protocol dient die regeling buiten toepassing te blijven.
De Afdeling verklaart het hoger beroep van de Minister ongegrond. [ABRS, 2 februari 2011, 201002877/1/V6]
In een uitspraak van 22 april 2010 overwoog de Afdeling al dat indien aanknopingspunten daartoe aanleiding geven ambtshalve moet worden beoordeeld of een Turkse vreemdeling rechten kan ontlenen aan het Associatierecht EEG-Turkije. De Afdeling gaat nu een stapje [eigenlijk stap en ook nog in de goede richting] verder. Aangetoond moet niet alleen worden wat het recht was op 1 januari 1973 maar ook of dat recht werd gehandhaafd [ABRS, 22 april 2010, 200808247/1/V3].
Naar moet worden aangenomen geldt een en ander ook voor de standstillbepaling van Besluit 1/80. Wel jammer dat steeds meer drempels lijken te worden opgeworpen om op die standstillbepaling een beroep te doen.
De kennelijk aan het arrest Toprak tegen Nederland ontleende verwijzing naar het arrest Skatteverket tegen A bevreemdt omdat het Hof van Justitie in dat arrest 'handhaven' uitlegt als niet intrekken [zie EU HvJ, Toprak ea t Nederland, 9 december 2010, C-300/09 en C-301/09, ro 59]. Voor het standpunt dat een beperking die niet wordt gehandhaafd in de door de Afdeling bedoelde zin geen beperking is kan overigens wel steun gevonden worden in [bijvoorbeeld] het arrest van het Hof van Justitie van 11 december 2008 in de zaak Danfoss ea tegen Denemarken [EG HvJ, 11 december 2008, C-371/07 (niet handhaving BTW plicht van BTW plichtige); zie ook EG HvJ, Magoora t Polen, 22 december 2008, C-414/07 & EG HvJ, Metropol t Oostenrijk, 8 januari 2002, C-409/99]
Verder lezen:
Tesseltje de Lange, Staat, markt en migrant, De regulering van arbeidsmigratie naar Nederland 1945-2006 (diss. Nijmegen), 2007 Den Haag (Boom)
vrijdag 8 april 2011
Terugkeerrichtlijn en vertrekmoratorium
Op 7 januari 2011 heeft de President van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in twee zaken van uit centraal en zuid Somalië afkomstige derdelander interim measures getroffen. Die interim measures hebben geleid tot het instellen van een vertrekmoratorium op 21 maart 2011. Als het aan de Minister voor Immigratie en Asiel ligt gaat het beslissen op asielaanvragen van Somalische asielzoekers gewoon door. [nr 5688465/11].
Reden voor de instelling van het vertrekmoratorium is het opleggen van interim measures door de President van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zaken van uit centraal en zuid Somalië afkomstige derdelanders.
Het vertrekmoratorium is geregeld in artikel 45 lid 4 jo artikel 45 lid 5 van de Vreemdelingenwet. Opvangvoorzieningen van een derdelander worden niet beëindigd en het verblijf van de derdelander wiens opvangvoorzieningen niet beëindigd zijn is rechtmatig in de zin van artkel 8j van de Vreemdelingenwet.
De implementatiewetgever is voornemens om in artikel 45 lid 5 van de Vreemdelingenwet in artikel 6(4) van de Terugkeerrichtlijn te implementeren [32420 nr 3, transponeringstabel]. Artikel 6(4) van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat de lidstaten kunnen beslissen een illegale derdelander een vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd wordt het ingetrokken of opgeschort.
Uit artikel 6(4) van de Terugkeerrichtlijn volgt dwingend dat in het geval van een vertrekmoratorium geen terugkeerbesluit en derhalve ook geen meeromvattende beschikking genomen wordt [vergelijk ABRS, 21 maart 2011, 201100493/1/V3].
Indien als een terugkeerbesluit/meeromvattende beschikking tot stand is gekomen zal dat moeten worden ingetrokken of opgeschort.
Indien een terugkeerbesluit/meeromvattende beschikking wordt ingetrokken is gelet op punt 9 van de considerans van de Terugkeerrichtlijn die richtlijn niet meer van toepassing.
Uit het systeem van de Nederlandse vreemdelingenwet volgt dat het opschorten van een terugkeerbesluit/meeromvattende beschikking geen optie is. Een derdelander immers op wie een vertrekmoratorium van toepassing is heeft rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8j van de Vreemdelingenwet.
In het geval van rechtmatig verblijf in de zin art 8j van de Vreemdelingenwet kan niet worden gesteld dat niet of niet langer wordt voldaan aan voorwaarden voor verblijf zodat er van illegaal verblijf in de zin van artikel 3(2) van de Terugkeerrichtlijn geen sprake is [vergelijk ABRS, 12 juli 2010, 201000724/1/V3].
Indien van illegaal verblijf geen sprake is dan is de Terugkeerrichtlijn niet althans niet meer van toepassing. Indien de Terugkeerrichtlijn niet of niet meer van toepassing is dan vervalt de grondslag aan het terugkeerbesluit en – gelet op de samenhang daarmee - ook aan de meeromvattende beschikking.
Reden voor de instelling van het vertrekmoratorium is het opleggen van interim measures door de President van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zaken van uit centraal en zuid Somalië afkomstige derdelanders.
Het vertrekmoratorium is geregeld in artikel 45 lid 4 jo artikel 45 lid 5 van de Vreemdelingenwet. Opvangvoorzieningen van een derdelander worden niet beëindigd en het verblijf van de derdelander wiens opvangvoorzieningen niet beëindigd zijn is rechtmatig in de zin van artkel 8j van de Vreemdelingenwet.
De implementatiewetgever is voornemens om in artikel 45 lid 5 van de Vreemdelingenwet in artikel 6(4) van de Terugkeerrichtlijn te implementeren [32420 nr 3, transponeringstabel]. Artikel 6(4) van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat de lidstaten kunnen beslissen een illegale derdelander een vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd wordt het ingetrokken of opgeschort.
Uit artikel 6(4) van de Terugkeerrichtlijn volgt dwingend dat in het geval van een vertrekmoratorium geen terugkeerbesluit en derhalve ook geen meeromvattende beschikking genomen wordt [vergelijk ABRS, 21 maart 2011, 201100493/1/V3].
Indien als een terugkeerbesluit/meeromvattende beschikking tot stand is gekomen zal dat moeten worden ingetrokken of opgeschort.
Indien een terugkeerbesluit/meeromvattende beschikking wordt ingetrokken is gelet op punt 9 van de considerans van de Terugkeerrichtlijn die richtlijn niet meer van toepassing.
Uit het systeem van de Nederlandse vreemdelingenwet volgt dat het opschorten van een terugkeerbesluit/meeromvattende beschikking geen optie is. Een derdelander immers op wie een vertrekmoratorium van toepassing is heeft rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8j van de Vreemdelingenwet.
In het geval van rechtmatig verblijf in de zin art 8j van de Vreemdelingenwet kan niet worden gesteld dat niet of niet langer wordt voldaan aan voorwaarden voor verblijf zodat er van illegaal verblijf in de zin van artikel 3(2) van de Terugkeerrichtlijn geen sprake is [vergelijk ABRS, 12 juli 2010, 201000724/1/V3].
Indien van illegaal verblijf geen sprake is dan is de Terugkeerrichtlijn niet althans niet meer van toepassing. Indien de Terugkeerrichtlijn niet of niet meer van toepassing is dan vervalt de grondslag aan het terugkeerbesluit en – gelet op de samenhang daarmee - ook aan de meeromvattende beschikking.
dinsdag 22 maart 2011
Lang verwacht: ABRS, 21 maart 2011, 201100307/1/V3 & 201100493/1/V3 & 201100555/1/V3
De rechtspraak van de Afdeling Bestuurrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] over de Terugkeerrichtlijn begint op gang te komen.
In een uitspraak van 26 januari 2011 overwoog de Afdeling dat het Unierecht niet verplicht tot ambtshalve toetsing aan de Terugkeerrichtlijn omdat noch het gelijkwaardigheidsbeginsel noch het doeltreffendheidsbeginsel dit vereist [ABRS, 26 januari 2011, 201100079/1/V3; zie ook ABRS, 11 februari 2011, 201100282/1/V3].
Op 21 maart 2011 heeft de Afdeling 3 uitspraken gedaan over de Terugkeerrichtlijn waarin enkele knopen worden doorgehakt [ABRS, 21 maart 2011, 201100307/1/V3 & 201100493/1/V3 & 201100555/1/V3].
Volgens de Afdeling vloeit uit artikel 15 en de systematiek van de Terugkeerrichtlijn rechtstreeks voort dat een maatregel van bewaring behoudens de in artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn vermelde uitzonderingsgevallen uitsluitend mag worden opgelegd indien voorafgaand aan dan wel gelijktijdig met die maatregel een terugkeerbesluit is genomen [ABRS, 21 maart 2011, 201100307/1/V3 & 201100493/1/V3 & 201100555/1/V3].
In de uitspraak met het kenmerk 201100307/1/V3 overweegt de Afdeling dat een ['kaal'] terugkeerbesluit dat niet meer behelst dan de vaststelling dat een derdelander onrechtmatig in Nederland verblijft en dat op die derdelander de verplichting tot onmiddellijk vertrek rust is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Een terugkeerbesluit wordt echter op grond van artikel 72 lid 3 van de Vreemdelingenwet met een beschikking gelijk gesteld en er staat bezwaar tegen open.
Hoewel er volgens de Afdeling een nauwe samenhang bestaat tussen het terugkeerbesluit en de inbewaringstelling kan dit in de huidige situatie slechts tot een gezamenlijke leiden indien het terugkeerbesluit vervat zou zijn in het besluit tot inbewaringstelling. Die mogelijkheid laat de Terugkeerrichtlijn volgens de Afdeling voor daarvoor in aanmerking komende gevallen uitdrukkelijk open. Het gesloten rechtsmiddelenstelsel van de Vreemdelingenwet staat er volgens de Afdeling aan in de weg dat de rechtbank bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling tevens een oordeel geeft over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit.
In de uitspraak met het kenmerk 201100493/1/V3 overweegt de Afdeling dat in een meeromvattende beschikking de door de Terugkeerrichtlijn vereiste administratieve vaststelling is vervat dat het verblijf van de derdelander onrechtmatig is of wordt en dat er een terugkeerverplichting is. Daarom behoeft in het geval van een meeromvattende beschikking geen afzonderlijk terugkeerbesluit te worden genomen ook niet indien de meeromvattende beschikking vóór het verstrijken van de termijn voor implementatie van de Terugkeerrichtlijn tot stand is gekomen.
Uit de uitspraak met het kenmerk 201100555/1/V3 lijkt te volgen dat ook een ongewenstverklaring kan worden aangemerkt als een terugkeerbesluit. De ongewenstverklaring heeft [immers?] tot gevolg dat de ongewenst verklaarde derdelander na bekendmaking van de ongewenstverklaring geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben, dat hij Nederland onmiddellijk - binnen 24 uur - dient te verlaten en dat hij daartoe kan worden uitgezet.
De in de ongewenstverklaring vervatte plicht om onmiddellijk te vertrekken wordt volgens de Afdeling bevestigd door de zinsnede "binnen 24 uur". Indien echter de ongewenstverklaarde derdelander onmiddellijk nadat hem het besluit tot ongewenstverklaring is uitgereikt in bewaring wordt gesteld kan hem niet worden tegengeworpen dat hij zich aan zijn vertrekplicht niet heeft gehouden.
In een uitspraak van 7 februari 2011 overwoog de Afdeling nog dat de inbewaringstelling van een ongewenstverklaarde derdelander [40 minuten] na uitreiking van het besluit tot ongewenstverklaring zich verdraagt met relevante bepalingen van de Vreemdelingenwet. Veertig minuten is lijkt mij tamelijk onmiddellijk. Het ging in die zaak echter om een inbewaringstelling op 21 december 2011 derhalve vóór het verstrijken van de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn.
Dat het begrip "onmiddellijk" na 24 december 2011 anders moet worden uitgelegd dan daarvoor volgt ook uit artikel 6(2) van de Terugkeerrichtlijn waarin is bepaald dat een illegale derdelander die in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven toestemming tot verblijf wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven en dat jegens die derdelander een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd indien dat bevel niet wordt nageleefd.
In de uitspraak met het kenmerk 201100555/1/V3 overweegt de Afdeling dat in artikel 3(7) van de Terugkeerrichtlijn onvoorwaardelijke en voldoende duidelijk is bepaald dat het 'risico op onderduiken' moet zijn gebaseerd op objectieve, in wetgeving vastgelegde criteria. Omdat een beleidsregel geen wettelijk voorschrift is zijn de beleidsregels op grond waarvan een vermoeden van onttrekking aan de uitzetting mag worden aangenomen, niet in overeenstemming met het door artikel 3(7) van de Terugkeerrichtlijn vereiste niveau van regulering.
In de uitspraak met het kenmerk 201100555/1/V3 overweegt de Afdeling dat aspecten van openbare orde niet aan een maatregel van bewaring ten grondslag mogen worden gelegd ter bescherming van de openbare orde dan wel de openbare veiligheid als zodanig. Aspecten van openbare orde mogen niettemin aan een maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd indien hieruit kan worden afgeleid dat risico op onderduiken bestaat of dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Uit de uitspraak met het kenmerk 201100555/1/V3 volgt ten slotte dat het ontbreken van documenten, het niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats en strafrechtelijke contra-indicaties kunnen duiden op het ontwijken of belemmeren van de terugkeer maar niet zonder nadere toelichting.
In een uitspraak van 26 januari 2011 overwoog de Afdeling dat het Unierecht niet verplicht tot ambtshalve toetsing aan de Terugkeerrichtlijn omdat noch het gelijkwaardigheidsbeginsel noch het doeltreffendheidsbeginsel dit vereist [ABRS, 26 januari 2011, 201100079/1/V3; zie ook ABRS, 11 februari 2011, 201100282/1/V3].
Op 21 maart 2011 heeft de Afdeling 3 uitspraken gedaan over de Terugkeerrichtlijn waarin enkele knopen worden doorgehakt [ABRS, 21 maart 2011, 201100307/1/V3 & 201100493/1/V3 & 201100555/1/V3].
Volgens de Afdeling vloeit uit artikel 15 en de systematiek van de Terugkeerrichtlijn rechtstreeks voort dat een maatregel van bewaring behoudens de in artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn vermelde uitzonderingsgevallen uitsluitend mag worden opgelegd indien voorafgaand aan dan wel gelijktijdig met die maatregel een terugkeerbesluit is genomen [ABRS, 21 maart 2011, 201100307/1/V3 & 201100493/1/V3 & 201100555/1/V3].
In de uitspraak met het kenmerk 201100307/1/V3 overweegt de Afdeling dat een ['kaal'] terugkeerbesluit dat niet meer behelst dan de vaststelling dat een derdelander onrechtmatig in Nederland verblijft en dat op die derdelander de verplichting tot onmiddellijk vertrek rust is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Een terugkeerbesluit wordt echter op grond van artikel 72 lid 3 van de Vreemdelingenwet met een beschikking gelijk gesteld en er staat bezwaar tegen open.
Hoewel er volgens de Afdeling een nauwe samenhang bestaat tussen het terugkeerbesluit en de inbewaringstelling kan dit in de huidige situatie slechts tot een gezamenlijke leiden indien het terugkeerbesluit vervat zou zijn in het besluit tot inbewaringstelling. Die mogelijkheid laat de Terugkeerrichtlijn volgens de Afdeling voor daarvoor in aanmerking komende gevallen uitdrukkelijk open. Het gesloten rechtsmiddelenstelsel van de Vreemdelingenwet staat er volgens de Afdeling aan in de weg dat de rechtbank bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling tevens een oordeel geeft over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit.
In de uitspraak met het kenmerk 201100493/1/V3 overweegt de Afdeling dat in een meeromvattende beschikking de door de Terugkeerrichtlijn vereiste administratieve vaststelling is vervat dat het verblijf van de derdelander onrechtmatig is of wordt en dat er een terugkeerverplichting is. Daarom behoeft in het geval van een meeromvattende beschikking geen afzonderlijk terugkeerbesluit te worden genomen ook niet indien de meeromvattende beschikking vóór het verstrijken van de termijn voor implementatie van de Terugkeerrichtlijn tot stand is gekomen.
Uit de uitspraak met het kenmerk 201100555/1/V3 lijkt te volgen dat ook een ongewenstverklaring kan worden aangemerkt als een terugkeerbesluit. De ongewenstverklaring heeft [immers?] tot gevolg dat de ongewenst verklaarde derdelander na bekendmaking van de ongewenstverklaring geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben, dat hij Nederland onmiddellijk - binnen 24 uur - dient te verlaten en dat hij daartoe kan worden uitgezet.
De in de ongewenstverklaring vervatte plicht om onmiddellijk te vertrekken wordt volgens de Afdeling bevestigd door de zinsnede "binnen 24 uur". Indien echter de ongewenstverklaarde derdelander onmiddellijk nadat hem het besluit tot ongewenstverklaring is uitgereikt in bewaring wordt gesteld kan hem niet worden tegengeworpen dat hij zich aan zijn vertrekplicht niet heeft gehouden.
In de uitspraak met het kenmerk 201100555/1/V3 overweegt de Afdeling dat in artikel 3(7) van de Terugkeerrichtlijn onvoorwaardelijke en voldoende duidelijk is bepaald dat het 'risico op onderduiken' moet zijn gebaseerd op objectieve, in wetgeving vastgelegde criteria. Omdat een beleidsregel geen wettelijk voorschrift is zijn de beleidsregels op grond waarvan een vermoeden van onttrekking aan de uitzetting mag worden aangenomen, niet in overeenstemming met het door artikel 3(7) van de Terugkeerrichtlijn vereiste niveau van regulering.
In de uitspraak met het kenmerk 201100555/1/V3 overweegt de Afdeling dat aspecten van openbare orde niet aan een maatregel van bewaring ten grondslag mogen worden gelegd ter bescherming van de openbare orde dan wel de openbare veiligheid als zodanig. Aspecten van openbare orde mogen niettemin aan een maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd indien hieruit kan worden afgeleid dat risico op onderduiken bestaat of dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Uit de uitspraak met het kenmerk 201100555/1/V3 volgt ten slotte dat het ontbreken van documenten, het niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats en strafrechtelijke contra-indicaties kunnen duiden op het ontwijken of belemmeren van de terugkeer maar niet zonder nadere toelichting.
woensdag 9 maart 2011
EU HvJ, Zambrano t België, 8 maart 2011, C-34/09
De Grote (!) Kamer van het EU Hof van Justitie [hierna: Hof] heeft op 8 maart 2011 arrest gewezen in de zaak Zambrano t België [EU HvJ, 8 maart 2011, C34/09]. Naar het arrest werd met spanning uitgekeken gelet op de opmerkelijk conclusie van Advocaat-Generaal Eleanor Sharpston [zie ook hier].
Een illegaal in België verblijvend Colombiaans echtpaar krijgt twee kinderen. Door creatief gebruik van Colombiaans en Belgisch nationaliteitsrecht ["juridische kunstgreep"] verkrijgen de kinderen de Belgische nationaliteit. De aanvraag van de man om een werkloosheidsuitkering wordt afgewezen vanwege een met zijn illegaliteit samenhangend ontbreken van een arbeidsvergunning. Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om een werkloosheidsuitkering draait om de vraag of hij rechten kan ontlenen aan zijn twee kinderen met de Belgische nationaliteit.
Volgens het Hof wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie [hierna: VWEU] aangaande het burgerschap van de Unie aldus moeten worden uitgelegd dat zij aan de bloedverwante derdelander in opgaande lijn, die burgertjes van de Unie ten laste heeft, een verblijfsrecht verleent in de lidstaat waarvan de burgertjes van de Unie de nationaliteit bezitten en waarin zij verblijven, evenals een vrijstelling van een arbeidsvergunning in die lidstaat.
Het Hof overweegt da de Unieburgerrichtlijn is niet van toepassing is omdat er van een verplaatsing naar een andere lidstaat geen sprake is.
Omdat de hoedanigheid van burger van de Unie de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten moet zijn verzet volgens het Hof artikel 20 VWEU zich tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten.
Artikel 20 lid 2 VWEU bepaalt onder meer dat Unieburgers het recht hebben zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.
De burgertjes van de Unie van het Colombiaanse echtpaar zullen volgens het Hof worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten indien hun ouders verblijf wordt ontzegd en aan hen geen arbeidsvergunning wordt afgegeven. Daardoor zullen die burgertjes van de Unie in de feitelijke onmogelijkheid verkeren de belangrijkste aan hun status van Unieburger ontleende rechten uit te oefenen en daartegen verzet artikel 20 VWEU zich aldus het Hof.
Het Hof heeft een juridische knoop doorgehakt. Ook in situaties waarin een [binnen]grensoverschrijdend element ontbreekt kan een beroep worden gedaan op het recht op vrije verplaatsing en vrij verblijf [Zie voor een andersluidende opvatting de conclusie van Advocaat-Generaal Juliane Kokott in de zaak Mccarty t VK, 25 november 2010, C-434/09] artikel 20 VWEU en/of op de belangrijkste aan de status van burger van Unie ontleende rechten. Een van die rechten lijkt te zijn verblijf op het grondgebied van de Europese Unie. De tijd zal leren in welke mate er een beroep kan worden gedaan op dat recht.
De Nederlandse nationaliteitswetgeving staat aan creatief gebruik in bovengenoemde zin in de weg [Zie artikel 6 lid 1 sub b RWN; Zie ook een in de warre woordvoerder van de Minister voor Immigratie en Asiel (en artikel 3 lid 2 RWN)].
Het arrest van het Hof in de zaak Zambrano t België lijkt in ieder geval gevolgen te hebben voor een éénoudergezin waarvan de vader of moeder een derdelander is en het kind Unieburgertje of de kinderen Unieburgertjes. Het arrest heeft misschien gevolgen voor andere situaties waarbij een derdelander als vader of moeder betrokken is. Het arrest heeft heel misschien gevolgen voor de situatie waarin sprake is van een kinderloze relatie tussen een derdelander en een burger van de Unie.
Zie ook:
[Dit bericht is gewijzigd op 10 maart 2011]
Een illegaal in België verblijvend Colombiaans echtpaar krijgt twee kinderen. Door creatief gebruik van Colombiaans en Belgisch nationaliteitsrecht ["juridische kunstgreep"] verkrijgen de kinderen de Belgische nationaliteit. De aanvraag van de man om een werkloosheidsuitkering wordt afgewezen vanwege een met zijn illegaliteit samenhangend ontbreken van een arbeidsvergunning. Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om een werkloosheidsuitkering draait om de vraag of hij rechten kan ontlenen aan zijn twee kinderen met de Belgische nationaliteit.
Volgens het Hof wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie [hierna: VWEU] aangaande het burgerschap van de Unie aldus moeten worden uitgelegd dat zij aan de bloedverwante derdelander in opgaande lijn, die burgertjes van de Unie ten laste heeft, een verblijfsrecht verleent in de lidstaat waarvan de burgertjes van de Unie de nationaliteit bezitten en waarin zij verblijven, evenals een vrijstelling van een arbeidsvergunning in die lidstaat.
Het Hof overweegt da de Unieburgerrichtlijn is niet van toepassing is omdat er van een verplaatsing naar een andere lidstaat geen sprake is.
Omdat de hoedanigheid van burger van de Unie de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten moet zijn verzet volgens het Hof artikel 20 VWEU zich tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten.
Artikel 20 lid 2 VWEU bepaalt onder meer dat Unieburgers het recht hebben zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.
De burgertjes van de Unie van het Colombiaanse echtpaar zullen volgens het Hof worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten indien hun ouders verblijf wordt ontzegd en aan hen geen arbeidsvergunning wordt afgegeven. Daardoor zullen die burgertjes van de Unie in de feitelijke onmogelijkheid verkeren de belangrijkste aan hun status van Unieburger ontleende rechten uit te oefenen en daartegen verzet artikel 20 VWEU zich aldus het Hof.
De Nederlandse nationaliteitswetgeving staat aan creatief gebruik in bovengenoemde zin in de weg [Zie artikel 6 lid 1 sub b RWN; Zie ook een in de warre woordvoerder van de Minister voor Immigratie en Asiel (en artikel 3 lid 2 RWN)].
Het arrest van het Hof in de zaak Zambrano t België lijkt in ieder geval gevolgen te hebben voor een éénoudergezin waarvan de vader of moeder een derdelander is en het kind Unieburgertje of de kinderen Unieburgertjes. Het arrest heeft misschien gevolgen voor andere situaties waarbij een derdelander als vader of moeder betrokken is. Het arrest heeft heel misschien gevolgen voor de situatie waarin sprake is van een kinderloze relatie tussen een derdelander en een burger van de Unie.
Zie ook:
[Dit bericht is gewijzigd op 10 maart 2011]
Abonneren op:
Posts (Atom)