zondag 2 november 2014

'Gat' tussen strafrechtelijke detentie en vreemdelingenbewaring

Soms lijkt er een 'gat' te zitten tussen beëindiging van de strafrechtelijke detentie van een derdelander en de vreemdelingenrechtelijke staandehouding/ophouding/bewaring van die derdelander. Dat is echter [meestal] niet het geval.

Beëindiging van strafrechtelijke detentie en overdracht van een derdelander aan de vreemdelingendienst vindt plaats op de wijze beschreven in de Aanwijzing onmiddellijke invrijheidstelling

Een bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling/schorsing van de voorlopige hechtenis wordt niet in de zittingszaal geëxecuteerd maar in de inrichting waar de derdelander verblijft. Het openbaar ministerie maakt een bevel onmiddellijke invrijheidstelling op en faxt dit onverwijld naar de inrichting. Het is vervolgens de directeur van de inrichting die de verdachte daadwerkelijk in vrijheid stelt tenzij het gaat om een verdachte die tevens derdelander is in welk geval de inrichting die derdelander onverwijld aan de vreemdelingendienst overdraagt.

Het is mij niet helemaal duidelijk waar de bevoegdheid van de inrichting om een derdelander over te dragen aan de vreemdelingendienst op is gebaseerd.

Het traject van de strafrechtelijke invrijheidstelling  kan niet worden getoetst door de bewaringsrechter, het vreemdelingrechtelijk traject wel [ABRS, 25 augustus 2010, 201006824 ABRS, 18 januari 2011, 201010387ABRS, 1 november 2011, 201008674; ABRS, 2 mei 2013, 201300909; zie ook ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8005 12 februari 2010 (kort geding)]. 

Bij de beoordeling van de duur van de overbrenging kunnen behalve de duur van het vervoer ook andere omstandigheden een rol spelen zoals de wachttijd. Indien de duur van de overbrenging een redelijke is behoeft die duur niet te worden gemotiveerd. [ABRS, 15 januari 2002, 200106222 (5 uur en 40 minuten); ABRS, 11 oktober 2002, 200204115 (3 uur wachttijd); ABRS, 31 december 2004, 200408762 (10 uur); ABRS, 18 januari 2011, 201010387 (2 uur en 55 minuten].

Geheel gewijzigd op 3 november 2014 [voortschrijdend inzicht]

vrijdag 24 oktober 2014

Vrees voor genitale verminking dochter bij terugkeer naar Nigeria

Met enige regelmaat komt het voor dat een Nigeriaanse moeder van een al dan niet hier te lande geboren dochter stelt te vrezen voor genitale verminking van die dochter bij terugkeer. Die vrees wordt aan de orde gesteld in reguliere procedures over voorgezet verblijf [na voorheen B9] en in asielprocedures.

Wat een soort van opvalt is dat in reguliere procedures de betrokken Nigeriaanse moeder de mogelijkheid tot opvang van slachtoffers van mensenhandel door NAPTIP en/of NGO's wordt tegen geworpen [ABRS 13/3/14  201300723; ABRS 22/4/14 201307508; ABRS 24/6/14 201401714] maar niet in asielprocedures althans niet, althans minder, expliciet [ECLI:NL:RBDHA:2014:586 21/1/14; ABRS 22/4/14  201307510; ABRS 30/7/14 201401022 (wel door de bewindspersoon)].

Dat scheelt een slok op een borrel.

Wel wordt in asielzaken beleidsmatig een vlucht- en vestigingsalternatief tegengeworpen. 

Of vrouwen zich kunnen onttrekken aan besnijdenis door zich elders te vestigen kan echter volgens het beleid per geval verschillen en is afhankelijk van de vraag in hoeverre vrouwen elders een nieuw bestaan kunnen opbouwen waarbij het sociale netwerk, dat kan bestaan uit de familie- of gezinsleden, maar ook uit andere sociale netwerken zoals verenigingen en kerkgenootschappen, een belangrijke rol speelt.

In wandelgangen wordt vernomen dat een vlucht- en vestigingsalternatief niet altijd wordt tegen geworpen.

Op deze website is statistische informatie te vinden over genitale verminking in de verschillende deelstaten van Nigeria. Filter 'Indicators' op de term 'FGM' en 'States' op de deelstaat van herkomst. Klik vervolgens op 'Export vizualisation'.

Met dank aan mr S.

zondag 17 augustus 2014

Bahaddar

In een nieuwe bijdrage op zijn website besteedt mr Stijn Smulders - stafjurist asiel bij het team bestuursrecht van de rechtbank Oost-Brabant - aandacht aan onder meer ontwikkelingen in de Bahaddar jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak  Raad van State [hierna: Afdeling] [ mr. A.A.M.J. Smulders, Veranderingen in de ne bis-jurisprudentie, 4 augustus 2014].

Volgens mr Stijn Smulders breekt de Afdeling in een uitspraak van 30 juni 2014 [ABRS, 30 juni 2014, 201301155] met oudere 'Bahaddar' rechtspraak waarin onder meer wordt overwogen dat
  • de vraag of er sprake is van 'Bahaddar' omstandigheden een vraag is van openbare orde die een zelfstandige beoordeling door de rechter vergt
  • de rechter pas aan de toetsing van het standpunt van de bewindspersoon toekomt nadat de rechter tot het oordeel is gekomen dat er sprake is van 'Bahaddar' omstandigheden
In de uitspraak van 30 juni 2014 overweegt de Afdeling (onder meer) over 'Bahaddar' omstandigheden en de beoordeling daarvan door de rechter:
1.4 (...) Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, indien hetgeen de desbetreffende vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat de staatssecretaris bij uitzetting van die vreemdeling een refoulementverbod zou schenden, als neergelegd in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
1.5 De bestuursrechter dient te beoordelen of zich dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden voordoen aan de hand van hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd, en het standpunt van de staatssecretaris daarover in het desbetreffende besluit. Als een standpunt als vorenbedoeld ontbreekt, moet de bestuursrechter de staatssecretaris in de gelegenheid stellen dat in een schriftelijk stuk alsnog in te nemen.


Volgens mr Stijn Smulders leidt de 'Bahaddar' toets die de Afdeling voorstaat tot een toetsing van het bestreden besluit (als daarin over de geloofwaardigheid van de verklaringen een standpunt is ingenomen) ter beantwoording van de vraag of sprake is 'Bahaddar' omstandigheden die (...) nopen tot een toetsing van het bestreden besluit.

Met mr Stijn Smulders ben ik van mening dat zo'n toetsing iets ongerijmds heeft.

De uitspraak van 30 juni 2014 blinkt niet uit door duidelijkheid omdat de vraag hoe moet worden beoordeeld of er sprake is van  Bahaddar'  omstandigheden in rechtsoverweging 1.4 [aan de hand van hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd] anders wordt beantwoord dan in rechtsoverweging 1.5 [aan de hand van hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd en het standpunt van de bewindspersoon daarover].

De uitspraak van 30 juni 2014 kan echter ook worden uitgelegd op een wijze met een minder ongerijmde uitkomst.

IMHO moet de rechter indien er sprake is van wat ik een 'arguable claim' zou willen noemen [stap 1] het standpunt daarover van de bewindspersoon beoordelen [stap 2].

Uit recente rechtspraak van de Afdeling volgt dat sprake is van een 'arguable' claim in het geval van:
  • een door de derdelander gestelde seksuele gerichtheid en hetgeen algemeen bekend is
    over het risico dat personen met die seksuele gerichtheid in Irak ook volgens de staatssecretaris
    lopen [ABRS, 11 april 2014, 201310204; zie ook asielbeleid tav Irak]
  • door de derdelander gestelde problemen met de Soedanese veiligheidsdienst [ABRS, 4 juni 2014, 201402999]
  • een door een derdelander gestelde bekering tot het christendom en hetgeen algemeen bekend over het risico dat bekeerlingen in Iran ook volgens de staatssecretaris lopen [ABRS, 30 juni 2014, 201301155; zie ook asielbeleid tav Iran]
  • een door een derdelander [van een niet kenbare nationaliteit] (gestelde) bekering tot het christendom [ABRS, 24 juli 2014, 201211720]
Of sprake is van een 'arguable claim' moet worden beoordeeld aan de hand van hetgeen een asielzoekende derdelander stelt en hetgeen bekend is over de situatie in het land van herkomst [vergelijk arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 23 juli 2013 (in de zaak MA t Cyprus, 41872/10, ro 131 jo 199-121) en 7 januari 2014 (in de zaak AA t Zwitserland, 58802/12, ro 60)] .

De website van mr Stijn Smulders is overigens een aanrader!




zondag 10 augustus 2014

EU HvJ, 17 juli 2014, Bero en Bouzalmate, en Pham; artikel 16 Terugkeerrichtlijn

Op 17 juli 2014 heeft het EU Hof van Justitie in drie zaken uitleg gegeven aan artikel 16, eerste lid van de Terugkeerrichtlijn [EU HvJ, Bero & Bouzalmate t Duitsland, 17 juli 2014, C-473/13 & C-514/13; EU HvJ, Pham t Duitsland, 17 juli 2014, C-474/13].

Artikel 16, eerste lid van de Terugkeerrichtlijn luidt als volgt:
Voor bewaring wordt in de regel gebruikgemaakt van speciale inrichtingen voor bewaring. Indien een lidstaat de onderdanen van een derde land die in bewaring worden gehouden, niet kan onderbrengen in een gespecialiseerde inrichting voor bewaring en gebruik dient te maken van een gevangenis, worden zij gescheiden gehouden van de gewone gevangenen. 

Bero & Bouzalmate
In de zaken Bero & Bouzalmate werd aan het EU Hof van Justitie de vraag voorgelegd - in mijn woorden - of voor de bewaring met het oog op verwijdering van van illegaal in een lidstaat verblijvende derdelanders gebruik kan worden gemaakt van een gevangenis indien in een Duitse deelstaat geen gespecialiseerde inrichting voor bewaring aanwezig is.  

Het EU Hof van Justitie beantwoordt die vraag ontkennend. 

Regel is volgens het EU Hof va Justitie dat voor bewaring met het oog op verwijdering van illegaal in een lidstaat verblijvende derdelanders  gebruik wordt gemaakt van speciale inrichtingen voor bewaring. Een afwijking van de regel moet strikt worden uitgelegd. [ro 25; EU HvJ, Kamberaj t Italië, 24 april 2012, C-571/10, ro 86 (directe verwijzing); EG HvJ, Chakroun t Nederland, 4 maart 2010, C-578/08, ro 43 (indirecte verwijzing)] 


Indien in een deelstaat geen gespecialiseerde inrichting voor bewaring aanwezig is dan zal gebruik moeten worden gemaakt van een gespecialiseerde inrichting voor bewaring in aan andere lidstaat.

Pham
In de zaak Pham werd aan het EU Hof van Justitie de vraag voorgelegd - in mijn woorden - of de bewaring met het oog op verwijdering van een illegaal in de lidstaat verblijvende derdelander gebruik kan worden gemaakt van een gevangenis indien die derdelander daarmee instemt.

Het EU Hof van Justitie beantwoordt ook die vraag ontkennend. 

Volgens het EU Hof van Justitie verplicht artikel 16, eerste lid van de Terugkeerrichtlijn tot het gescheiden houden van  illegaal verblijvende derdelanders en gewone gevangenen wanneer die derdelanders niet kunnen worden ondergebracht in een gespecialiseerde inrichting voor bewaring. 

Omdat die verplichting een garantie vormt voor de eerbiediging van aan derdelanders toegekende rechten is er geen uitzondering op mogelijk. De verplichting is volgens het EU Hof van Justitie meer dat een specifieke wijze van uitvoering van bewaring van derdelanders in gevangenissen en vormt een inhoudelijke voorwaarde voor de onderbrenging zonder welke de onderbrenging niet in overeenstemming is met de Terugkeerrichtlijn.

ABRS, 1 maart 2012, 201110969
Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] van 1 maart 2012 volgt dat in gespecialiseerde inrichtingen voor bewaring de bewaring van een derdelander soms kort wordt onderbroken voor de tenuitvoerlegging van een straf of een vervangende hechtenis. 

De onderbreking van de bewaring doet volgens de Afdeling  geen afbreuk aan het karakter van het detentiecentrum [ic Zaandam] als speciale inrichting in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.

Uit de arresten van het EU Hof van Justitie van 17 juli 2014 - in het bijzonder uit het arrest in de zaak Pham - kan worden opgemaakt dat de onderbreking in een gespecialiseerde inrichting voor bewaring van de bewaring van een derdelander voor de tenuitvoerlegging van een straf of een vervangende hechtenis niet in overeenstemming is met artikel 16, eerste lid van de Terugkeerrichtlijn omdat als gevolg daarvan  illegaal verblijvende derdelanders niet gescheiden worden gehouden van gewone gevangenen.

maandag 23 juni 2014

EU HvJ, Mahdi t Bulgarije, 5 juni 2014, C-146/14 PPU

In een belangwekkend arrest van 5 juni 2014 in de zaak Mahdi t Bulgarije legt het EU Hof van Justitie uit hoe een op de Terugkeerrichtlijn gebaseerde bewaring van een derdelander moet worden getoetst [EU HvJ, Mahdi, 5 juni 2014, C-146/14 ].

Tussentijdse toetsing [ro 37 t/m 52]
Bewaring moet met redelijke tussenpozen worden getoetst op verzoek van de derdelander of ambtshalve. Na het verstrijken van de 6 maandentermijn [ dat is kennelijk 'een lange periode'] wordt elke toetsing aan een rechterlijke controle onderworpen. Met het oog op verdedigingsrechten en om de rechter in staat te stellen de toetsing te controleren moet na de toetsing een schriftelijk besluit worden genomen.

Omvang & indringendheid rechterlijke toetsing na 6 maanden bewaring [ro 53 t/m 64]
De bewaringsrechter moet na het verstrijken van de 6 maandentermijn ambtshalve & vol toetsen of
  • een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast
  • er sprake is van een onderduikrisico dan wel een ontwijken of belemmeren
  • er een redelijk vooruitzicht is op verwijdering
  • de verwijdering wellicht meer tijd vergt omdat de betrokken derdelander niet mee werkt dan wel omdat de nodige documentatie uit derde landen op zich laat wachten

Toetsing verlenging(en) [75 t/m 85]
De vraag of de omstandigheid dat de verwijdering meer tijd vergt een verlenging van de bewaring rechtvaardigt moet als volgt worden beantwoord: 
  • is de lidstaat in staat om aan te tonen dat de verwijdering langer duurt dan voorzien [vereist is dat de lidstaat actieve inspanningen heeft geleverd en blijft leveren om documenten te verkrijgen], zo ja
  • geeft de derdelander blijk van een gebrek aan medewerking, zo ja
  • vergt de verwijdering meer tijd vanwege het gebrek aan medewerking
Mag de bewaring niet [langer] worden verlengd indien het gebrek aan medewerking er niet de oorzaak van is dat de verwijdering meer tijd vergt dan voorzien? Dat zou betekenen dat de gronden voor de verlenging niet los en naast elkaar maar in samenhang met elkaar moeten worden beoordeeld.

    zondag 18 mei 2014

    Onderzoek naar detentie[on]geschiktheid

    Medische stukken die een derdelander overlegt ter onderbouwing van zijn stelling dat hij detentieongeschikt is moeten [worden onderzocht en] kenbaar bij de belangenafweging worden betrokken [ABRS, 20 augustus 2009, 200904441/1/V3; ABRS, 7 juni 2010, 201004155/1/V3; ABRS, 11 april 2012, 201201640/1/V3 & 201201650/1/V3; ABRS, 2 mei 2014, 201401444/1/V3; ABRS, 9 mei 2014, 201403338/1/V3].

    Het niet betrekken van de overgelegde stukken bij de belangenafweging maken de bewaring vanaf het overleggen van de stukken onrechtmatig.

    ABRS, 12 mei 2014, 201400324/1/V3: Onder reikwijdte van prejudiciële vragen vallend terugkeerbesluit

    Een terugkeerbesluit is een voorwaarde voor een op de Terugkeerrichtlijn gebaseerde bewaring [ABRS, 22 maart 2013, 201302307/1/V3].

    In een uitspraak van 12 mei 2014 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna:Afdeling] overwogen dat een terugkeerbesluit waarin de vertrektermijn op nihil is gesteld omdat de betrokken derdelander een gevaar is voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid kan vallen onder de reikwijdte van de prejudiciële vragen die de Afdeling op 23 oktober 2013 aan het EU Hof van Justitie heeft gesteld over artikel 7, vierde lid van de Terugkeerichtlijn [ABRS, 12 mei 2014, 201400324/1/V3; ABRS, 23 oktober, 201112799/1/V3 &201202062/1/V3; EU HvJ, Zh & O t NL, C-554/13].

    Volgens de Afdeling zijn sommige feiten en omstandigheden naar hun aard evident niet van belang voor de beoordeling of een derdelander een gevaar vormt voor de openbare orde terwijl er voorts feiten en omstandigheden zijn waaruit buiten tot prejudiciële verwijzing nopende twijfel blijkt dat een derdelander al dan niet een gevaar vormt voor de openbare orde. 

    Indien er sprake is van feiten en omstandigheden die niet evident niet van belang zijn of van feiten en omstandigheden waaruit tot prejudiciële verwijzing nopende twijfel blijkt dat de vreemdeling al dan niet een gevaar vormt voor de openbare orde valt het terugkeerbesluit onder de reikwijdte van de  prejudiciële vragen en kan op dat terugkeerbesluit geen bewaring worden gebaseerd.