zaterdag 29 december 2012

EU HvJ, Md Sagor t Italië, 6 december 2012, C-430/11

Inleiding: par 1 t/m 2
Toepasselijke bepalingen: par 3 t/m 19
Hoofdgeding en prejudiciële vragen: par 20 t/m 26
Beantwoording van de prejudiciële vragen: par 29 t/m 49
Eerste en tweede vraag: par 27 t/m 47
- Ontvankelijkheid: par 28 t/m 30
- Betreffende de geldboete die kan worden omgezet in uitwijzing: par 31 t/m 42
- Betreffende de geldboete die kan worden vervangen door huisarrest: par 43 t/m 47 
Derde vraag: par 47 t/m 48
Kosten: par 50

Het EU Hof van Justitie [hierna: het Hof] heeft op 6 december 2012 - precies één jaar na het arrest in de zaak van Achughbabian t Frankrijk -  arrest gewezen in de zaak van Md Sagor - burger van Bangladesh - die in Italië strafrechtelijk wordt vervolgd wegens zijn illegale verblijf aldaar [EU HvJ, Md Sagor t Italië, 6 december 2012, C-430-11; EU HvJ, Achughbabian t Frankrijk, 6 december 2011, C-329/11].

Illegaal verblijf in Italië is een strafbaar feit en kan worden bestraft met een boete. Hangende de strafprocedure kan een illegale derdelander worden verwijderd. Met de verwijdering wordt de strafzaak beëindigd.

Indien een derdelander vanwege zijn illegale verblijf wordt veroordeeld tot een boete kan die boete worden vervangen door [verwijdering en] een inreisverbod als die derdelander op dat moment kan worden verwijderd of door een huisarrest indien die derdelander de boete niet  betaalt.

De Italiaanse rechter wil van het Hof onder meer weten of de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen een regeling op grond waarvan het illegale verblijf van een derdelander wordt bestraft met een geldboete die kan worden vervangen door verwijdering of huisarrest.

Boete die kan worden vervangen door huisarrest
Het Hof onderzoekt net als in de zaak Achughbabian t Frankrijk [EU HvJ, Achughbabian  t Frankrijk, 6 december 2011, C-329/11] eerst of  huisarrest een [dwang]maatregel is in de zin van artikel 8(1) van de Terugkeerrichtlijn en vervolgens of huisarrest een terugkeerprocedure kan ondermijnen.

Het is volgens het Hof evident dat huisarrest tijdens een terugkeerprocedure niet kan bijdragen aan de verwijdering van een illegale derdelander. Huisarrest is derhalve geen [dwang]maatregel in de zin van artikel 8(1) van de Terugkeerrichtlijn.

Huisarrest kan volgens het Hof een terugkeerprocedure ondermijnen met name indien huisarrest niet kan worden beëindigd zodra de betrokken derdelander voor verwijdering vatbaar is.

Boete die kan worden vervangen door verwijdering [uitwijzing]
Een terugkeerprocedure wordt volgens het Hof niet ondermijnd door een strafrechtelijke vervolging wegens illegaal verblijf zoals dat in Italië mogelijk is.

In de eerste plaats omdat er een samenloop is van de terugkeerprocedure en de strafprocedure en de strafprocedure na verwijdering eindigt. In de tweede plaats omdat een boete niet aan de tenuitvoerlegging van een terugkeerbesluit in de weg staat.

Voor wat betreft de mogelijkheid om een boete te vervangen door een verwijdering en een inreisverbod wijst het Hof op de omstandigheid dat die mogelijkheid is beperkt tot het geval waarin een derdelander kan worden verwijderd. De Terugkeerrichtlijn verbiedt bovendien niet het vervangen van een boete door een verwijdering en een inreisverbod en verzet zich daar ook niet tegen.

Het Hof overweegt dat gelet op de flexibele definitie van het begrip 'terugkeerbesluit' zo'n terugkeerbesluit de vorm aan kan nemen van een strafrechtelijke rechterlijke beslissing en dat verwijdering plaats kan vinden in het kader van een strafzaak.

In reactie op een opmerking van de Commissie dat in een strafrechtelijke rechterlijke beslissing die geldt als terugkeerbesluit onmogelijk een vertrektermijn kan worden toegekend overweegt het Hof dat zal moeten worden onderzocht of in een concreet geval van het toekennen van een vertrektermijn kan worden afgezien. Of woorden van een vergelijkbare strekking.

Het lijkt of het Hof er enerzijds vanuit gaat dat er sprake kan zijn van een strafprocedure die samenloopt met een terugkeerprocedure en die  beëindigt met de verwijdering van de betrokken derdelander en anderzijds dat er sprake kan zijn van een strafprocedure die niet samenloopt met een terugkeerprocedure maar een terugkeerprocedure is.

Mij is het niet duidelijk. Wie het wel duidelijk is mag het zeggen.

Strafbaarstelling illegaal verblijf hier te lande
Op 21 december 2012 heeft de Ministerraad er op voorstel van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie mee ingestemd om bij de Tweede Kamer een voorstel in te dienen om illegaal verblijf van vreemdelingen in Nederland strafbaar te stellen met als sanctie een boete en de mogelijkheid van vervangende hechtenis [Persbericht, 21 december 2012]. Het wetsvoorstel zou een bepaling bevatten waarin wordt gegarandeerd dat vervangende hechtenis wordt opgeheven indien de betrokken derdelander kan worden verwijderd.

zondag 23 december 2012

EU HvJ, Abed El Karem El Kott ea t Hongarije, 19 december 2012, C-364/11

Inleiding: par 1 t/m 2
Toepasselijke bepalingen: par 3 t/m 26
Internationaal recht: par 3 t/m 10
Unierecht: par 11 t/m 25
Hongaars recht: par 26 
Hoofdgeding: par 27 t/m 34
Hoofdgeding en prejudiciele vragen: par 35 t/m 41
Beantwoording van de prejudiciële vraag: par 42 t/m 81
Opmerkingen vooraf: par 42 t/m 44 
Tweede vraag: par 45 t/m 65 
Eerste vraag: par 66 t/m 81 
Kosten: par 82

Het EU Hof van Justitie [hierna: het Hof] heeft op 19 december 2012 arrest gewezen in  zaken van drie uit UNRWA-vluchtelingenkampen afkomstige asielzoekende Palestijnen [EU HvJ, 19 december 2012,  C‑364/11].

De Hongaarse rechter vraagt het Hof om uitleg van artikel 12 lid 1 onder a van de Kwalificatierichtlijn.

Artikel 12 lid 1 onder a van de Kwalificatierichtlijn ['Uitsluiting'] luidt als volgt
Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer:
hij onder artikel 1 D van het Verdrag van Genève valt, dat betrekking heeft op het genieten van bescherming of bijstand van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen. 
Is die bescherming of bijstand om welke reden ook opgehouden zonder dat de positie van de betrokkene definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de algemene vergadering van de Verenigde Naties, dan heeft de betrokkene op grond van dit feit recht op de voorzieningen uit hoofde van deze richtlijn;

Artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag luidt als volgt:
Dit Verdrag is niet van toepassing op personen die thans bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen.
Wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden ook is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zullen deze personen van rechtswege onder dit Verdrag vallen.

Niet in geschil is dat de UNRWA een ander orgaan of een andere instelling van de Verenigde Naties is in de hierboven genoemde zin. Evenmin in geschil is dat de positie van Palestijnen nog niet definitief is geregeld.

Volgens het Hof is er geen sprake van ophouden van bescherming of bijstand om welke reden dan ook in het geval van vrijwillig vertrek. Indien in het geval van vrijwillig vertrek wel sprake zou zijn van ophouden van bescherming of bijstand om welke reden dan ook wordt elk nuttig effect aan de uitsluitingsgrond ontnomen. Bovendien wordt afbreuk gedaan aan de doelstelling van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag om personen die bescherming en bijstand [kunnen blijven?] genieten van de toepassing van het Vluchtelingenverdrag uit te sluiten. De uitsluitingsgrond is volgens het Hof niet alleen van toepassing op personen  die bescherming en bijstand genieten maar in beginsel ook op personen die bescherming en bijstand hebben genoten kort voor het indienen van een asielverzoek in een lidstaat.

Volgens het Hof is wel sprake is van ophouden of bescherming om welke reden dan ook (1)  in het geval van opheffing van het orgaan of de instelling van de Verenigde Naties, (2) in het geval het voor dat orgaan of die instelling onmogelijk is om bescherming en bijstand te bieden en (3) in het geval van buiten de wil van een betrokken persoon liggende omstandigheden die hem dwingen te vertrekken.

Van buiten de wil van een persoon liggend omstandigheden die hem dwingen te vertrekken is sprake wanneer die persoon zich persoonlijk in een situatie van onveiligheid bevond en het voor het betrokken orgaan of de betrokken instelling onmogelijk was die persoon levensomstandigheden te bieden die stroken met de opdracht waarmee dat orgaan of die instelling is belast. Er dient een individuele beoordeling plaats te vinden.

Vervolgens onderzoekt het Hof op welke voorzieningen van de Kwalificatierichtlijn een persoon wiens situatie nog niet definitief geregeld is een beroep kan doen indien bescherming of bijstand is opgehouden.

Het Hof legt artikel 12 lid 1 onder a, 2e volzin van de Kwalificatierichtlijn - 'op grond van dit feit'  - uit in overeenstemming met artikel 1D 2e volzin van het Vluchtelingenverdrag - 'van rechtswege' - en concludeert dat het ophouden van bescherming of bijstand om welke reden dan ook niet slechts de mogelijkheid biedt om een verzoek om een vluchtelingenstatus in te dienen omdat iedere derdelander die mogelijkheid heeft.

Indien het ophouden van bescherming of bijstand slechts de mogelijkheid zou bieden om een verzoek om een vluchtelingenstatus in te dienen zou [bovendien?] het einde van de tweede volzin van artikel 12 lid 1 onder a van de Kwalificatierichtlijn zinledig zijn en geen nuttig effect hebben.

Uit de omstandigheid dat  een persoon wiens situatie definitief geregeld is als vluchteling kan worden erkend  leidt het Hof af dat het recht ipso facto op voorzieningen van de Kwalificatierichtlijn van een persoon wiens situatie nog niet definitief is geregeld een ruimere draagwijdte heeft dan die volgt uit de omstandigheid dat die persoon niet kan worden uitgesloten van de mogelijkheid om als vluchteling te worden erkend.

De persoon de ipso facto recht heeft op voorzieningen van de Kwalificatierichtlijn hoeft niet aan te tonen dat hij vervolging vreest maar moet wel een verzoek indienen om erkenning als vluchteling. Bij de beoordeling van dat verzoek moet de verantwoordelijke lidstaat onderzoeken of de bescherming en bijstand van de UNRWA is ingeroepen en of die bescherming en bijstand is opgehouden. Bovendien moet worden onderzocht of de betrokken persoon op andere gronden moet worden uitgesloten van de vluchtelingenstatus.

Tot zover.

vrijdag 21 december 2012

Vluchtelingenverdrag,asielzoeken & bewegingsvrijheid

Uit het declaratoire karakter van de erkenning als vluchteling volgt dat bepalingen van het Vluchtelingenverdrag ook van toepassing kunnen zijn op asielzoekers. Zolang nog niet is vastgesteld dat die asielzoeker geen vluchteling is zal die asielzoeker een beroep moeten kunnen doen op het Vluchtelingenverdrag. Een andersluidend standpunt heeft tot gevolg dat een asielzoeker die als vluchteling wordt erkend voorafgaande aan de erkenning ten onrechte geen rechten heeft kunnen ontlenen aan het Vluchtelingenverdrag terwijl hij als vluchteling die rechten wel had kunnen inroepen. [Zie punt 14 van de Preambule bij de Kwalificatierichtlijn]

Ook uit het Europees asielstelsel volgt dat asielzoekers rechten kunnen ontlenen aan het Vluchtelingenverdrag. Artikel 63 lid 1 van het EG Verdrag bepaalt dat maatregelen inzake de opvang van asielzoekers en de asielprocedures in overeenstemming moeten zijn met het Vluchtelingenverdrag. Uit de Opvangrichtlijn en de Procedurerichtlijn zelf volgt dat het Europees asielstelsel waarvan de richtlijnen deel uitmaken stoelt op een volledige en niet restrictieve toepassing van het Vluchtelingenverdrag [Punt 2 van de preambules bij de Opvangrichtlijn en de Procedurerichtlijn].

Ten slot volgt ook uit de Schengengrenscode en daarop gebaseerde rechtspraak van het EU Hof van Justitie [hierna: Hof] dat het Vluchtelingenverdrag van toepassing is op asielzoekers [Punt 20 van de Preambule bij de Schengengrenscode, artikel 3, aanhef & onder b SGC, artikel 13 lid 1, 2e volzin SGC]. Verwezen wordt in dat verband naar een arrest van het Hof van 14 juni 2012 in de zaak Anafé t Frankrijk welk arrest betrekking heeft op asielzoekers en waarin een soort van  uitleg wordt gegeven aan artikel 13 lid 1, 2e volzin van de Schengengrenscode [EU HvJ, Anafé t Frankrijk, 14 juni 2012, C-606/10, ro 37].

Welke bepalingen van het Vluchtelingenverdrag van toepassing zijn op een vluchteling hangt af van de 'binding' van een vluchteling met de lidstaat van toevlucht. Hoe meer binding hoe meer rechten.

Het Vluchtelingenverdrag kent twee bepalingen die betrekking hebben op de bewegingsvrijheid van vluchtelingen en de beperkingen waaraan die bewegingsvrijheid mag worden onderworpen.

Artikel 31 lid 2 van het Vluchtelingenverdrag bepaalt voor zover relevant dat de Verdragsluitende staten de bewegingsvrijheid van een unlawfully vluchteling niet verder beperken dan noodzakelijk en dat beperkingen alleen zullen worden toegepast totdat de status van die unlawfully vluchteling  in het land van toevlucht is geregeld.

Aangenomen wordt ook dat artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is op asielzoekers . In dat verband wordt verwezen naar rechtspraak van de Hoge Raad in strafzaken waarin asielzoekers worden vervolgd in verband met gebruik van valse of vervalste reisdocumenten [Zie bijvoorbeeld Hoge Raad, 13 oktober 2009, 07/10516, LJN BI1325; Hoge Raad, 5 juli 2011, 09/02240, LJN BP7855].

Artikel 26 van het Vluchtelingenverdrag  bepaalt dat elke Verdragsluitende Staat shall accord to refugees lawfully in its territory the right to choose their place of residence and to move freely within its territory, subject to any regulations applicable to aliens generally in the same circumstances.

Uit de Terugkeerrichtlijn  volgt dat een asielzoeker niet mag worden beschouwd als iemand die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft [Punt 9 van de Preambule bij de Terugkeerrichtlijn].  Dat betekent dat de bewegingsvrijheid van een asielzoeker niet kan worden beperkt op de in artikel 31 lid 2 van het Vluchtelingenverdrag genoemde gronden. Die asielzoeker immers is niet unlawfully in de lidstaat van toevlucht.

Het is  niet duidelijk of artikel 26 van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is op een asielzoeker die het recht heeft om in de lidstaat te blijven.  Literatuur [James C. Hathaway, The right of refugees under international law, 2005, ISBN 100521542634,  Chapter 3.1.3 (van toepassing); Hemme Battjes, European Asylum Law and International Law, 2006, ISBN 9004150870, Chapter 8 [601] (van toepassing na afgifte van een document in de zin van artikel 6 lid 1 van de Opvangrichtlijn); Andreas Zimmerman (ed), The 1951 Convention Relating to the Status of refugees and its 1967 Protocol, a Commentary, Article 26, F. Analyses, IV. Application of Article 26 to Asylum Seekers (van toepassing)] en rechtspraak [Rtb DH zp Haarlem, 17 december 2012, Awb 12/37426;  Rtb DH zp Haarlem, 27 november 2012, Awb 12/21011, LJN BY4957; Rtb DH zp Haarlem, 5 maart 2012, 12/4710 & 12/4713, LJN BV8680]] zijn daarover verdeeld.

Indien er  van moet worden uitgegaan dat artikel 26 van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is op een asielzoeker die het recht heeft om in de lidstaat te blijven terwijl de bewegingsvrijheid van die asielzoeker niet mag worden beperkt op grond van artikel 31 lid 2 van het Vluchtelingenverdrag omdat die asielzoeker niet mag worden beschouwd als iemand die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft dan is de bewegingsvrijheid van die asielzoeker ongeregeld. Dat is in strijd met de systematiek van het Vluchtelingenverdrag.

Vanuit systematisch oogpunt zal er derhalve van moeten worden uitgegaan dat ook artikel 26 van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is op een asielzoeker die het recht heeft om in de lidstaat te blijven.

zaterdag 24 november 2012

EU HvJ, MM t Ierland, 22 november 2012, C-277/11 [Samenwerkingsplicht]

De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling; ABRS, 12 juli 2007, 200703043/1] overwoog in een uitspraak van 12 juli 2007 dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de in artikel 4(1) van de Kwalificatierichtlijn opgenomen samenwerkingsplicht verder strekt dan dat een asielzoekende derdelander in de gelegenheid moet worden gesteld om elementen ter staving van zijn asielverzoek in te dienen en de bewindspersoon, na te hebben bezien in hoeverre deze elementen relevant zijn en aanleiding geven dit verzoek in te willigen, het resultaat van de beoordeling daarvan, voordat een beslissing wordt genomen, mededeelt aan de asielzoekende derdelander, zodat deze de mogelijkheid heeft eventuele gebreken te herstellen.

In de uitspraak overwoog de Afdeling voorts dat indien een asielzoekende derdelander zijn asielverzoek niet of onvoldoende staaft met elementen als gevolg waarvan twijfel is gerezen over de gestelde identiteit en nationaliteit geen grond bestaat voor het oordeel de bewindspersoon gehouden is de asielzoekende derdelander tegemoet te komen door een taalanalyse te laten verrichten.

De uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2007 is aanleiding geweest voor het Ierse Hight Court om het EU Hof van Justitie op 21 juni 2011 een prejudiciële vraag te stellen over de reikwijdte van de in artikel 4(1) van Kwalificatierichtlijn  opgenomen samenwerkingsplicht [M. -v- MJELR & Ors [2011] IEHC 346 (05 September 2011)]. Het EU Hof van Justitie heeft de vraag op 22 november 2012 beantwoord  [EU HvJ, MM t Ierland, 22 november 2012, C-277/11].

In het arrest van 22 november 2012 overweegt het EU Hof van Justitie dat de beoordeling van feiten en omstandigheden in twee onderscheiden fasen verloopt. De eerste fase betreft de vaststelling van de feitelijke omstandigheden, de tweede fase de beoordeling in rechte daarvan.[ro 64]

Het EU Hof van Justitie overweegt dat de omstandigheid dat een asielzoekende derdelander alle elementen tot staving van zijn asielverzoek dient in te dienen niet wegneemt dat de verantwoordelijke lidstaat in de eerste fase van de beoordeling van feiten en omstandigheden met de asielzoekende  derdelander dient samen te werken [ro 65].

Concreet houdt de op een lidstaat rustende samenwerkingsplicht volgens het EU Hof van Justitie in dat  indien de door de asielzoekende derdelander aangevoerde elementen om welke reden ook niet volledig, actueel of relevant zijn, de betrokken lidstaat actief met de asielzoekende derdelander moet samenwerken om alle elementen te verzamelen die het asielverzoek kunnen staven [ro 66, 1e zin].

Het EU Hof van Justitie overweegt in dat verband dat een lidstaat mogelijkerwijze gemakkelijker toegang heeft tot bepaalde soorten documenten dan de asielzoekende derdelander [ro 66, 2e zin] en dat de uitleg die aan de samenwerkingsplicht wordt gegeven steun vindt in artikel 8(2)(b) van de Procedurerichtlijn volgens welke bepaling een lidstaat ervoor zorgt dat nauwkeurige en actuele informatie wordt verzameld over de algemene situatie in de landen van herkomst en -doorreis van asielzoekende derdelanders [ro 67].

Uit het arrest van het EU Hof van Justitie volgt dat de in artikel 4(1) van de Kwalificatierichtlijn opgenomen samenwerkingsplicht verder strekt dan de Afdeling in de uitspraak van 27 juli 2007 heeft aangenomen. Of de   samenwerkingsplicht zover strekt dat een asielzoekende derdelander tegemoet moet worden gekomen door het doen laten verrichten van een of ander onderzoek is nog niet duidelijk.

maandag 19 november 2012

ABRS, 4 oktober 2012, 201204418/1/V3 & 201107358/1/V3

Op 4 oktober 2012 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State in 2 zaken uitspraak gedaan over artikel 6(2) van de Terugkeerrichtlijn [ABRS, 4 oktober 2012, 201204418/1/V3 & 201107358/1/V3].

Uit artikel 6(2) van de Terugkeerrichtlijn volgt dat jegens een illegale derdelander met een verblijfsrecht in een andere lidstaat geen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd tenzij die derdelander een bevel om zich onmiddellijk zelfstandig naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven niet naleeft. Artikel 6(2) van de Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 62a, eerste lid jo derde lid van de Vreemdelingenwet.

Uit de uitspraken kan worden opgemaakt dat:
  • indien niet buiten twijfel is dat de derdelander een verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat de rechtmatigheid van het uitgevaardigde terugkeerbesluit zal moeten worden beoordeeld in de daartoe voorziene procedure [ABRS, 29 juni 2011, 201102952/1/V3]
  • indien wel buiten twijfel is dat de derdelander een verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat [ABRS, 24 april 2012, 201103734/1/V3] en een uitgevaardigd terugkeerbesluit 
    • nog geen formele rechtskracht heeft gekregen de bewaringsrechter kan beoordelen of de derdelander ten onrechte niet is bevolen om zich onmiddellijk zelfstandig naar het grondgebied van de lidstaat te begeven alwaar hij een verblijfsrecht heeft [ABRS, 25 juli 2012, 201205206/1/V3].
    • al wel formele rechtskracht heeft de bewaringsrechter het terugkeerbesluit: 
      • niet kan beoordelen indien het is uitgevaardigd ná het verstrijken van de implementatietermijn [ABRS, 4 oktober 2012, 201107358/1/V3]
      • wel kan beoordelen indien het is uitgevaardigd vóór het verstrijken van de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn [ABRS, 4 oktober 2012, 201204418/1/V3]

EU HvJ, Yoshikazu Iida t Duitsland, 8 november 2012, C/40-11

Inleiding: par 1 t/m 2
Toepasselijke bepalingen: par 3 t/m 22
Hoofdgeding en prejudiciele vragen: par 23 t/m 33
Beantwoording van de prejudiciële vraag: par 34 t/m 82
Uitlegging van richtlijn 2003/109: par 36 t/m 48
Uitlegging van richtlijn 2004/38: par 49 t/m 65
Uitlegging van artikelen 20 en 21 VWEU: par 66 t/m 82

Het EU Hof van Justitie [hierna: het Hof] heeft op 8 november 2012 arrest gewezen in de zaak van de in Duitsland wonende Japanse vader van een met haar Duitse moeder in Oostenrijk wonende Duitse dochter die in aanmerking meende te komen voor een 'verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie'. [EU HvJ, Yoshikazu Iida t Duitsland, 8 november 2012, C/40-11].

Het Hof overweegt dat eerst moet worden nagegaan of een persoon in de situatie van Yoshikazu Iida in aanmerking komt voor een aan het afgeleide recht van de Unie ontleend verblijfsrecht alvorens na te gaan of die persoon rechtstreeks een verblijfsrecht kan ontlenen aan bepalingen van het VWEU inzake het burgerschap van de Unie.

Hoewel daarover geen vragen zijn gesteld onderzoekt het Hof of Yoshikazu Iida een verblijfsrecht kan ontlenen aan richtlijn 2003/109. Yoshikazu Iida heeft op enig moment om afgifte verzocht van een verblijfsvergunning voor een langdurig ingezetene maar dat verzoek ingetrokken. Dat had hij beter niet kunnen doen want volgens het Hof had Yoshikazu Iida in beginsel aan die richtlijn rechten kunnen ontlenen.

Vervolgens onderzoekt het Hof of Yoshikazu Iida een verblijfsrecht kan ontlenen aan richtlijn 2004/38. Dat is volgens het Hof niet het geval. Yoshikazu Iida is als vader van zijn dochter niet een familielid dat ten laste is van zijn Duitse dochter. Yoshikazu Iida is wel nog echtgenoot van de Duitse moeder van zijn dochter maar heeft haar niet begeleid of zich bij haar gevoegd zodat richtlijn 2004/38 niet van toepassing is.

Tot slot onderzoekt het Hof of Yoshikazu Iida aan de artikel 20 en 21 van het VWEU een verblijfsrecht kan ontlenen.

Het Hof overweegt dat rechten die onderdanen van derde landen kunnen ontlenen aan bepalingen inzake het burgerschap van de Unie geen autonome rechten zijn maar afgeleide rechten. Die afgeleide rechten moeten  voorkomen dat de vrijheid van verkeer van een burger van de Unie wordt aangetast.

Het Hof onderscheidt drie situaties waarin vrijheid van verkeer van de burger van de Unie zich verzet tegen het onthouden van een verblijfsrecht aan een onderdaan van een derde land:
  • de situatie waarin een minderjarige burger van de Unie zijn verzorgende ouder nodig heeft om van zijn vrijheid van verkeer gebruik te kunnen maken ['Zhu & Chen']
  • de situatie waarin een burger van de Unie terugkeert naar zijn lidstaat van herkomst na gebruik te hebben gemaakt van zijn vrijheid van verkeer ['Eind']
  • de zeer bijzondere situatie waarin van de vrijheid van verkeer geen gebruik is of wordt gemaakt en  het onthouden van een verblijfsrecht de burger van de Unie 'dwingt' om het grondgebied van de Unie te verlaten ['Dereci']
Het gaat om situaties die gemeen hebben dat ze tot de bevoegdheid behoren van de lidstaten maar onlosmakelijk verbonden zijn met de vrijheid van verkeer van de burger van de Unie.

Het Hof overweegt dat Yoshikazu Iida geen verblijf beoogt in het gastland van zijn dochter en echtgenote, de omstandigheid dat Yoshikazu Iida in Duitsland geen Unierechtelijk verblijfsrecht genoot zijn echtgenote en dochter er niet van heeft weerhouden om gebruik te maken van hun vrijheid van verkeer en hij een verblijfsrecht heeft in Duitsland. Onder die omstandigheden kan volgens het Hof niet worden gesteld dat de echtgenote en dochter het effectieve genot van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie wordt ontzegd.

Tot slot onderzoekt het Hof of het EU Handvest van de Grondrechten [hierna: Handvest] van toepassing is. Dat is volgens het Hof niet het geval omdat de situatie van Yoshikazu Iida niet valt binnen de werkingssfeer van het recht van de Unie.

Verder lezen:

woensdag 7 november 2012

EHRM, Hode & Abdi t VK, 6 november 2012, 22341/09

Op 6 november 2012 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens [hierna: het Hof] in de zaak van Hode en Abdi tegen het Verenigd Koninkrijk [EHRM, Hode & Abdi t VK, 6 november 2012, 22341/09].

Hode heeft de Somalische nationaliteit, vlucht in 2004 naar het Verenigd Koninkrijk en wordt in maart 2006 toegelaten als vluchteling en krijgt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ['temporary leave to remain']. In juni 2006 leert Hodi in Djibouti Abdi kennen. Abdi heeft de Djiboutische nationaliteit. Hodi en Abdi trouwen in april 2007. In februari 2008 wordt hun eerste kind geboren, in juli 2011 hun tweede kind. Abdi krijgt geen toestemming om zich bij Hodi te voegen omdat ze ten tijde van de vlucht van Hodi nog niet waren gehuwd.

Bij het Hof klagen Hode en Abdi over schending van artikel 14 jo 8 artikel van het EVRM.

Artikel 14 van het EVRM luidt als volgt:
The enjoyment of the rights and freedoms set forth in [the] Convention shall be secured without discrimination on any ground such as sex, race, colour, language, religion, political or other opinion, national or social origin, association with a national minority, property, birth or other status.

Artikel 8 van het EVRM luidt als volgt:
1.Everyone has the right to respect for his private and family life, his home and his correspondence.
2. There shall be no interference by a public authority with the exercise of this right except such as is in accordance with the law and is necessary in a democratic society in the interests of national security, public safety or the economic well-being of the country, for the prevention of disorder or crime, for the protection of health or morals, or for the protection of the rights and freedoms of others.

Hode en Abdi stellen dat ze met betrekking tot hun recht op een gezinsleven worden gediscrimineerd ten opzichte van andere derdelanders met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Ze verwijzen in dat verband naar studenten en werknemers met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die hun gezinsleven wel in het Verenig Koninkrijk uit kunnen oefenen ongeacht de datum van hun huwelijk. Ze verwijzen in dat verband voorts naar toegelaten vluchtelingen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die ten tijde van de vlucht al waren gehuwd.

Het Hof overweegt dat indien nationale wetgeving de uitoefening van een gezinsleven in een lidstaat mogelijk maakt dat moet gebeuren in overeenstemming met artikel 14 van het EVRM.

Om als discriminatie te kunnen worden gekwalificeerd moet volgens het Hof een verschil in behandeling zijn gebaseerd op een van de in artikel 14 van het EVRM genoemde criteria. Voorts moet er een verschil in behandeling zijn ten opzichte van personen in een vergelijkbare situatie. Ten slotte moet een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor een verschil in behandeling ontbreken.

Het Hof overweegt dat de verblijfsrechtelijke status van Hode kan worden aangemerkt als 'andere status' in de zin van artikel 14 van het EVRM.

Volgens het Hof bevinden studenten en werknemers met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zich in een vergelijkbare situatie als Hode. Ook vluchtelingen gehuwd voor hun vlucht met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bevinden zich in een vergelijkbare positie. Het enige relevante verschil is volgens het Hof de datum waarop het huwelijk plaats vond.

Het Hof concludeert dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor een verschil in behandeling ontbreekt tussen Hode en voornoemde studenten en werknemers en tussen Hode en vluchtelingen gehuwd voor hun vlucht.

Een kort door de bocht samenvatting van het arrest. Een kort commentaar.

Van de ongelijke behandeling van Hode ten opzichte van studenten en werknemers kan worden gesteld dat die is gebaseerd op de vreemdelingenrechtelijke status van Hode. Die vreemdelingrechtelijke status immers onderscheidt Hode van die studenten en werknemers.

Dat is IMHO niet het geval met de ongelijke behandeling van Hode ten opzichte van andere vluchtelingen gehuwd voor hun vlucht. Hode en die andere vluchtelingen immers hebben dezelfde verblijfsrechtelijke status. Wat Hode onderscheidt van die andere vluchtelingen is de omstandigheid dat hij na zijn vlucht is gehuwd. De ongelijke behandeling van Hode is op die omstandigheid gebaseerd. Het is de vraag of de omstandigheid dat een vluchteling is gehuwd na zijn vlucht  kan worden aangemerkt als 'andere status' in de zin van artikel 14 van het EVRM.