zondag 13 december 2009

Gewapend conflict & uitzonderlijke situatie

De Afdeling Bestuursrechtpraak Raad van State heeft in de Elgafaji uitspraak van 25 mei 2009 overwogen dat artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Het gaat om een uitzonderlijke situatie ten tijde van de tot standkoming van het besluit op de aanvraag en/of in de periode onmiddellijk daaraan voorafgaand [ABRS, 25 mei 2009, 200702174/2/V2].

In het merendeel van de uitspraken in zaken waarin een beroep wordt gedaan op artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn spreekt de Afdeling over 'het door de vreemdeling gestelde gewapende conflict in' [zie bijvoorbeeld: ABRS, 25 november 2009, 200904121/1/V2; ABRS, 19 november 2009, 200907711/1/V2; anders: ABRS, 12 oktober 2009, 200808771/1/V2 ('het daar bestaande gewapend conflict')]. Die formulering lijkt erop te duiden dat de Afdeling er niet van overtuigd is dat er van een gewapend conflict sprake is en derhalve ook niet van een uitzonderlijke situatie in verband daarmee.

In ambtsberichten wordt tegenwoordig opgenomen of er in landen van herkomst sprake is van een of meer gewapende conflicten en zo ja waar. Indien een ambtsbericht geen antwoord geeft op de vraag of er in een bepaald land van herkomst wel of niet sprake is van een gewapend conflict dan zal aan de hand van informatie over gewapende confrontaties ten tijde van het tot standkomen van het besluit moeten worden beoordeeld of er wel of niet sprake is van een gewapend conflict. Niet elke lidstaat hanteert overigens dezelfde criteria voor die beoordeling, voer voor prejudiciele vragen die sinds 1 december 2009 ook door eerstelijnsrechters kunnen worden gesteld.

Stukken ter onderbouwing van een beroep op artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn blijken niet altijd [voldoende] relevant te zijn voor de beoordeling van de vraag of er ten tijde van de totstandkoming van het besluit op de asielaanvraag sprake was een gewapend conflict en van een daarmee samenhangende uitzonderlijke situatie [niet in het land maar] in de regio van herkomst van de betrokken asoelzoekende vreemdeling.

Het wordt mij uit de uitspraken van de Afdeling niet duidelijk op basis van welke criteria een hoge mate van willekeurig geweld beoordeeld wordt. Uit een uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2009 in een zaak waarin de Afdeling uitgaat van een bestaand gewapend conflict kan worden opgemaakt dat uit een zorgwekkende veiligheidssituatie niet [zonder meer] een uitzonderlijke situatie kan worden afgeleid [ABRS, 12 oktober 2009, 200808771/1/V2]. Uitspraken van Britse vreemdelingenrechters zijn daarover veel duidelijker, zie bijvoorbeeld een uitspraak van het Asylum and Immigration Tribunal van 19 oktober 2009 [UKAIT, 19 oktober 2009, CG [2009] UKAIT 00044].

Wat nu:
  • aantal gewapende confrontaties?
  • schendingen internationaal humanitair recht?
  • staatsfalen?
  • aantal gedode strijders?
  • aantal burgerslachtoffers?
  • aantal internally displaced persons?
  • regio of land van herkomst, binnenlands alternatief?



zondag 6 december 2009

EG Hof van Justitie, Said Shamilovich Kadzoev (Huchbarov), C‑357/09 PPU, 30 november 2009

Op 13 januari 2009 is de Terugkeerrichtlijn in werking getreden [2008/115/EG, 16 december 2008; Europarlementaire geschiedenis (hier & hier)].

De Terugkeerrichtlijn komt in de plaats van de artikelen 23 en 24 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en moet uiterlijk 24 december 2010 zijn geimplementeerd. Nederland loopt nogal achter bij de geplande implementatie van de Terugkeerrichtlijn [zie hier, pagina 42].

Bulgarije heeft de Terugkeerrichtlijn op 15 mei 2009 al geimplementeerd en de Bulgaarse vreemdelingenrechter heeft op 10 augustus 2009 [7 september 2009] in de zaak van de Russische Said Shamilovich Kadzoev aan het Hof van Justitie prejudiciele vragen gesteld over de uitleg van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn welke vragen door het Hof van Justitie op 30 november 2009 in een spoedprocedure zijn beantwoord [EG HvJ, Said Shamilovich Kadzoev (Huchbarov), C‑357/09 PPU, 30 november 2009].

Said Shamilovich Kadzoev geboren uit een Tsjetsjeense vader en een Georgische moeder wordt op 21 oktober 2006 bij de Turkse grens staande gehouden en op 3 november 2006 in vreemdelingenbewaring gesteld. In de loop van zijn vrijheidsontnemening legt hij een een geboorteakte over en een Tsjetsjeens identiteitsdocument welk document door de Russiche autoriteiten niet wordt erkend. Als het niet mogelijk blijkt te zijn om de identiteit en nationaliteit van Said Shamilovich Kadzoev vast te stellen wordt hij als staatloze beschouwd. Shamilovich Kadzoev doet tig keren tevergeefs een beroep op internationale bescherming; het blijkt niet mogelijk een derde land te vinden dat hem wil toelaten.

Artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn luidt als volgt:
1. Tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, kunnen de lidstaten de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien:
a) er risico op onderduiken bestaat, of
b) de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.De bewaring is zo kort mogelijk en duurt niet langer dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering.
2. De inbewaringstelling wordt door een administratieve of rechterlijke autoriteit gelast.
De inbewaringstelling wordt schriftelijk gelast met opgave van de feitelijke en juridische gronden.
Indien de inbewaringstelling door een administratieve autoriteit is gelast:
a) voorzien de lidstaten erin dat een spoedige rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de bewaring zo spoedig mogelijk na de aanvang ervan plaatsvindt;
b) of bieden de lidstaten de betrokken onderdaan van een derde land het recht voorziening te vragen bij het gerecht zodat de rechtmatigheid van de bewaring aan een spoedige rechterlijke toetsing wordt onderworpen, die zo spoedig mogelijk na het instellen van deze procedure tot een beslissing leidt. De lidstaten stellen de betrokken onderdaan van een derde land onmiddellijk van die mogelijkheid in kennis.
De betrokken onderdaan van een derde land wordt, als zijn bewaring niet rechtmatig is, onmiddellijk vrijgelaten.

3. In ieder geval wordt de inbewaringstelling met redelijke tussenpozen op verzoek van de onderdaan van een derde land of ambtshalve getoetst. In het geval van een lange periode van bewaring wordt de toetsing aan controle door een rechterlijke autoriteit onderworpen.
4. Indien blijkt dat er omwille van juridische of andere overwegingen geen redelijk vooruitzicht op verwijdering meer is, of dat de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich niet meer voordoen, is de bewaring niet langer gerechtvaardigd en wordt de betrokkene onmiddellijk vrijgelaten.

5. De bewaring wordt gehandhaafd zolang de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich voordoen en zij noodzakelijk is om een geslaagde verwijdering te garanderen. Iedere lidstaat stelt een maximale bewaringsduur vast die niet meer dan zes maanden mag bedragen.
6. De lidstaten kunnen de in lid 5 bedoelde termijn overeenkomstig de nationale wetgeving slechts in beperkte mate en ten hoogste met nog eens twaalf maanden verlengen indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat:
a) de betrokken onderdaan van een derde land niet meewerkt, of
b) de nodige documentatie uit derde landen op zich laat wachten.


De door de Bulgaarse vreemdelingenrechter gestelde prejudiciele vragen heeft het Hof van Justitie als volgt beantwoord [in mijn woorden]:
  • De in het 5e lid en 6e lid van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn genoemde maximale termijnen van 6 maanden respectievelijk 18 maanden omvatten ook de duur van de bewaring verstreken vóór het tijdstip van de implementatie van de Terugkeerrichtlijn.
  • Een asielgerelateerde bewaring kan niet worden aangemerkt als een bewaring met het oog op verwijdering in de zin van de Terugkeerrichtlijn.
  • De in het 5e lid en 6e lid van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn genoemde maximale termijnen van 6 maanden respectievelijk 18 maanden omvatten ook de duur van de bewaring gedurende welke de verwijdering is opgeschort vanwege het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de verwijdering.
  • Het 4e lid van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn is niet van toepassing op het moment dat de in het 5e lid en 6e lid van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn genoemde maximale termijnen van 6 maanden respectievelijk 18 maanden zijn verstreken.
  • Een redelijk vooruitzicht op verwijdering in de zin van het 4e lid van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn is een werkelijk vooruitzicht op verwijdering; van een werkelijk uitzicht op verwijdering is geen sprake is indien toelating tot een derde land weinig waarschijnlijk lijkt.
  • Indien de in het 5e lid en 6e lid van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn genoemde maximale termijnen van 6 maanden respectievelijk 18 maanden zijn verstreken kan de bewaring niet op grond van openbare orde belangen worden voortgezet.

De Bulgaarse vreemdelingenrechter had [onder meer, in mijn woorden] gevraagd of vooruitzicht op verwijdering ontbreekt indien het land van herkomst onwillig is en er nog geen overeenstemming is met een derde land ondanks voortdurende pogingen een dergelijke overeenstemming te bereiken. De Bulgaarse vreemdelingenrechter had voorts [onder meer, in mijn woorden] gevraagd of vooruitzicht op verwijdering ontbreekt indien geen beroep wordt gedaan op een overnameovereenkomst tussen de betrokken lidstaat en het land van herkomst van de in bewaring gestelde vreemdeling.

In antwoord op die vragen heeft het het Hof van Justitie overwogen dat een redelijk vooruitzicht op verwijdering een werkelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat van een werkelijk uitzicht op verwijdering is geen sprake is indien toelating tot een derde land weinig waarschijnlijk lijkt.

Moet daaruit worden afgeleid dat vooruitzicht op verwijdering ontbreekt indien een land van herkomst onwillig is en/of er geen beroep wordt gedaan op een overnameovereenkomst? In het licht van de zaak Mikolenko t. Estland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2009 [EHRM, Mikolenko t. Estland, 8 oktober 2009, 10664/05] zou je haast denken van wel.

De tijd zal het leren.

Said Shamilovich Kadzoev is op 3 december 2009 in vrijheid gesteld.

zondag 29 november 2009

ABRS, 4 november 2009, 200907356/1/V3 (Wet beëdigde tolken en vertalers)

De politie is niet verplicht om in het kader van de vreemdelingrechtelijke taak een vreemdeling te horen met behulp van een tolk maar als er een tolk wordt ingeschakeld moet dat (in beginsel) wel een (geregistreerde) beëdigde tolk zijn (Wet beëdigde tolken en vertalers, 29936; vergelijk: ABRS, 4 november 2009, 200907356/1/V3; ABRS, 15 oktober 2009, 200907216/1/V3).

Dat blijkt nog lang niet altijd te gebeuren.

Een vermelding dat een vreemdeling is gehoord in taal X met behulp van een tolk van het Tolk- en Vertaalcentrum Nederland (hierna: TVCN) is op zich een onvoldoende waarborg dat aan voornoemd voorschrift is voldaan omdat bij het TVCN werkzame tolken veelal geregistreerd zijn maar derhalve niet altijd.

Indien een tolk wel met naam en en toenaam is vermeld dan loont het de moeite om te controleren of die tolk staat ingeschreven in het Register voor beëdigde tolken en vertalers.

OP 15 april 2009 overwoog de rechtbank 's-Gravenhage nevenzittingsplaats Rotterdam ambtshalve dat gehandeld was in strijd met de Wet beëdigde tolken en vertalers maar dat die omstandigheid de vreemdelingenbewaring nog niet onrechtmatig maakt en dat beoordeeld dient te worden of de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen (Rtb DH nzp R'dam, 14 april 2009, Awb 09/11274, LJN BI1378). Omdat gesteld noch gebleken was dat de verklaring van de betrokken vreemdeling onjuist of onvolledig was weergegeven viel de belangenafweging in het nadeel van de betrokken vreemdeling uit.

Het is de vraag of die afweging van belangen recht doet aan de ernst van het gebrek.

Gelet op de omstandigheid dat het gaat om een voorschrift dat voortvloeit uit artikel 5 lid 2 EVRM (zie: 29936 nr. 8, Nota naar aanleiding van Verslag) zal de Staatssecretaris van Justitie IMHO bijzondere en zwaarwegende belangen, die overigens kunnen zijn gelegen in de omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan het met de inbewaringstelling gemoeide belang van de openbare orde, moeten stellen op grond waarvan het geschonden voorschrift niet aan de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring in de weg staat.

Wat voor vreemdelingenbewaring geldt, geldt ook voor grensdetentie en asielzaken (ook de Immigratie en Naturalisatiedienst moet in beginsel van een geregistreerde beëdigde tolk gebruik maken).

zaterdag 21 november 2009

ABRS, 6 november 2009, 200907284/1/V3

Het is standaardrechstpraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] dat het niet aan de vreemdelingenrechter is om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet toegekende bevoegdheden [ABRS, 26 juli 2001, 200102650/1, JV 2001/234].

De vreemdelingenrechter leek zich tot voor kort alleen in het geval dat de onrechtmatigheid van de aanwending van zodanige bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter was vastgesteld gesteld te zien voorde vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling.

Uit een uitspraak van de Afdeling van 6 november 2009 lijkt te kunnen worden opgemaakt dat ook indien niet in geschil is dat bevoegdheden in bovengenoemde zinonrechtmatig zijn aangwend de vreemdelingenrechter de gevolgen daarvan mag beoordelen [ABRS, 6 november 2009, 200907284/1/V3].

Uit een uitspraak van de Afdeling van 5 december 2008 lijkt [met terugwerkende kracht] te kunnen worden opgemaakt dat indien [bijvoorbeeld] uit een Aanwijzing van het College van an procureurs- blijkt dergelijke bevoegdheden ontbreken niet in geschilis dat de aanwending ervan onrechtmatig is [ABRS, 5 december 2008, 200807608/1].

Wavvende BOA's?

woensdag 11 november 2009

ABRS, 21 oktober 2009, 200907141/1/V3 & 200907811/1/V3 & ABRS, 28 oktober 2009, 200907808/1 /V3

Op 13 maart 2009 wordt X in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 21 augustus 2009 wordt de bewaring na een rechterlijke uitspraak opgeheven wegens onvoldoende voortvarend handelen. Op dezelfde dag wordt X aansluitend opnieuw in vreemdelingenbewaring gesteld. Het daartegen ingestelde beroep wordt op 10 september 2009 ongegrond verklaard. Op 15 september wordt hoger beroep ingesteld [hierna: hoger beroep 7141].

Op 8 september 2009 bepaalt de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State dat X bij wijze van voorziening niet mag worden uitgezet. X wacht een uitspraak op het beroep tegen de vreemdelingenbewaring van 21 augustus 2009 niet af en stelt op 9 september 2009 een vervolgberoep in.

Op 16 september 2009 wordt de bewaring opgeheven waarna X aansluitend opnieuw in vreemdelingenbewaring wordt gesteld op een andere grondslag. Het vervolgberoep wordt tevens opgevat als een beroep gericht tegen de vreemdelingenbewaring van 16 september 2009. Op 28 september verklaart de rechtbank het beroep gericht tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring ongegrond. Op 2 oktober 2009 verklaart de rechtbank het beroep gericht tegen de vreemdelingenbewaring van 16 september 2009 ongegrond. Op 12 oktober 2009 wordt hoger beroep ingesteld gericht tegen beide uitspraken. De Afdeling vat het hoger beroep op als een hoger beroep gericht tegen de uitspraak van 28 september 2009 [hierna: hoger beroep 7808] en als een hoger beroep tegen de uitspraak van 2 oktober 2009 [hierna:hoger beroep 7811].

Op 28 oktober 2009 verklaart de Afdeling zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep 7808 gericht tegen de ongegrond verklaring van het beroep gericht tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring [ABRS, 28 oktober 2009, 200907808/1 /V3]. Het appelverbod werpt kennelijk ook een drempel op om de toegang tot de rechter in eerste instantie ambtshalve te beoordelen. Voorwaarde immers voor het indienen van een vervolgberoep is de ongegrondverklaring van het beroep op grond van artikel 94 Vw. X heeft een vervolgberoep ingesteld toen van een uitspraak op het beroep tegen de vreemdelingenbewaring van 16 september 2009 nog geen sprake was [vergelijk: Rtb DH zp A'dam. 24 juli 2007, JV 2007/435, LJN: BB1332].

Op 21 oktober 2009 verklaart de Afdeling het hoger 7141 tegen de vreemdelingenbewaring van 21 augustus 2009 gegrond en ook het hoger beroep 7811 tegen de vreemdelingenbewaring van 16 september 2009 [ABRS, 21 oktober 2009, 200907141/1/V3 & 200907811/1/V3].

Op 9 maart 2009 overwoog de Afdeling dat een wijziging van de grondslag van een opgelegde vreemdelingenbewaring aangemerkt moet worden als een nieuw besluit in de zin van artikel 6:18 Awb dat in de plaats treedt van de daaraan voorafgaande vreemdelingenbewaring en dat een ['artikel 94'] beroep tegen die voorafgaande vreemdelingenbewaring gelet op het bepaalde in artikel 6:19 Awb geacht moet worden mede gericht te zijn tegen de vreemdelingenbewaring op de gewijzigde grondslag [ABRS, 9 maart 2009, 200808202/1 & 200808554/1].

Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 oktober 2009 lijkt te kunnen worden opgemaakt dat ook de wijziging van de grondslag van een voortgezette vreemdelingenbewaring aangemerkt moet worden als een nieuw besluit in de zin van artikel 6:18 Awb. Dat ligt niet zonder meer voor de hand omdat een oplegging van vreemdelingenbewaring niet eenzelfde besluit is als een voortzetting daarvan en een eerste ['artikel 94'] beroep niet eenzelfde beroep is als een ['artikel 96'] vervolgberoep.

zondag 18 oktober 2009

EHRM, Mikolenko t.Estland,8 oktober 2009, nr. 10664/05

De Rus Mikolenko voldoet niet aan zijn rechtsplicht om Estland te verlaten en wordt daarom in oktober 2003 in vreemdelingenbewaring gesteld.

Mikolenko is zijn paspoort verloren en omdat hij weigert een nieuwe aan te vragen wordt hem deze door de Russische vertegenwoordiging ook niet verstrekt ondanks verzoeken van de Estlandse DT&V daartoe. Een eenmalig Estlands reisdocument kan niet van een Russisch inreisvisum worden voorzien want in strijd met Russische wetgeving zo blijkt in juni 2004.

Eind juli 2004 roept de Estlandse DT&V tevergeefs de hulp in van het Estlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken.

In de periode van augustus 2004 tot [en met] maart 2006 en de periode van juni 2006 tot en met juni 2007 is er van op de uitzetting van Mikolenko gericht handelen van de autoriteiten geen sprake.

Vanaf juni 2007 proberen de Estlandse DT&V en het Estlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken Mikolenko zonder succes over te dragen op grond van een op 1 juni 2007 in werking getreden overnameovereenkomst tussen de Europese Unie en Rusland, volgens Rusland is de overnameovereenkomst op Mikolenko niet van toepassing.

In oktober 2007 wordt Mikolenko in vrijheid gesteld vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting. Hem wordt daarna een meldplicht opgelegd.

Mikolenko klaagt bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens [hierna: Hof] dat hij niet van zijn vrijheid is ontnomen met het doel om hem uit te zetten maar om zijn medewerking aan zijn uitzetting af te dwingen.

Het Hof herhaalt dat vreemdelingenbewaring op grond van artikel 5 lid 1f EVRM niet noodzakelijk hoeft te zijn en gerechtvaardigd is zolang er sprake is van voortvarend handelen met het oog op uitzetting [ro 59]. Het Hof herhaalt voorts dat vreemdelingenbewaring niet willekeurig mag zijn; de vreemdelingenbewaring moet te goeder trouw zijn opgelegd en uitgevoerd, in nauw verband staan met de reden ervan, de detentieinrichting moet geschikt zijn en de duur van de vreemdelingenbewaring mag niet onevenredig zijn met het daarmee beoogde doel [ro 61].

Het Hof overweegt dat de vreemdelingenbewaring van Mikolenko buitengewoon lang heeft geduurd, dat in juni 2004 al duidelijk moet zijn geweest dat pogingen om een reisdocument te verkrijgen tot mislukken gedoemd waren en dat daarna sprake is geweest van aanzienlijke periodes van Estlandse inactiviteit in het bijzonder in de periode van augustus 2004 tot [en met] maart 2006 [ro 64].

Het Hof overweegt voorts dat uitzetting van Mikolenko zo goed als onmogelijk was geworden vanwege het ontbreken van diens medewerking, dat vreemdelingenbewaring op grond van artikel 5 lid 1f EVRM alleen gerechtvaardigd is zolang met het oog op uitzetting actie wordt ondernomen en dat in het geval van Mikolanko het zicht op uitzetting was komen te vervallen [ro 65].

Het Hof overweegt verder met een verwijzing naar de Estlandse pogingen om Mikolenko over te dragen op grond van de overnameovereenkomst dat toekomstige wijzigingen van juridische omstandigheden een langdurige bewaring niet rechtvaardigen ook al is er sprake van adequate detentieomstandigheden [ro 66].

Het Hof merkt tenslotte op dat de Estlandse autoriteiten in het geval van het ontbreken van een direct vooruitzicht op de uitzetting van Mikolenklo een lichtere maatregel dan bewaring tot hun beschikking hadden [ro 67].

Het Hof concludeert dat de bewaring van Mikolenko met het oog op zijn uitzetting niet gedurende de gehele bewaringsperiode rechtmatig is geweest vanwege het ontbreken van een reëel vooruitzicht op diens uitzetting en het onvoldoende voortvarend handelen van de Estlandse autoriteiten. Daarom is er sprake van een schending van artikel 5 lid 1 EVRM [ro 68]. [EHRM, Mikolenko t. Estland, 8 oktober 2009, 10664/05]

Uit de zaak Mikolenko t. Estland kan in de eerste plaats worden opgemaakt dat het ontbreken van medewerking van een in bewaring gestelde vreemdeling aan zijn uitzetting stilzitten van de autoriteiten niet rechtvaardigt.

Dat is van belang voor 'onze' bewaringszaken waarin sprake is van landen van herkomst die alleen willen meewerken aan de vrijwillige terugkeer van onderdanen. In die zaken [zie bijvoorbeeld: ABRS, 7 november 2008, 200802536/1; ABRS, 23 april 2009, 200901771/1/V3] worden anders dan in zaken waarin sprake is van landen van herkomst die onwillig zijn om LP's te verstrekken [ABRS, 21 april 2009, 200901668/1/V3] nauwelijks eisen gesteld aan de Staatssecretaris van Justitie.

In die zaken overweegt de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] regelmatig dat bewaring van een niet- of onvoldoende medewerkende vreemdeling de mogelijkheid van uitzetting veilig stelt doordat permanent kan worden toegezien op de verplichting tot medewerking waardoor zicht op uitzetting wordt verscherpt en bevorderd [ABRS, 23 april 2009, 200901771/1/V3 (Mongolië); ABRS, 7 november 2008, 200802536/1 (Irak); ABRS 29 september 2008, 200805610/1 (Irak)]. Dat permanente toezicht [zonder meer] lijkt in onvoldoende nauw verband te staan met het doel van vreemdelingenbewaring.

Uit de zaak Mikolenko t. Estland lijkt in de tweede plaats te kunnen worden opgemaakt dat het ontbreken van medewerking van een in bewaring gestelde vreemdeling aan zijn uitzetting zinledig handelen van de autoriteiten niet rechtvaardigt.

In het geval van Mikolenko was van voortvarend handelen vanaf augustus 2004 geen sprake meer. Dat is op zich voldoende om te concluderen dat de bewaring van Mikolenko vanaf dat moment niet langer gerechtvaardigd was. Het Hof acht echter van belang dat uitzetting van Mikolenko zo goed als onmogelijk was geworden vanwege het ontbreken van diens medewerking. Daar zou uit kunnen worden afgeleid dat in het licht van het ontbreken van medewerking zinledige acties met het oog op uitzetting bewaring niet rechtvaardigen.

Uit de zaak Mikolenko t. Estland lijkt in de derde plaats te kunnen worden opgemaakt dat toekomstige ontwikkelingen van uitzettingsmogelijkheden vreemdelingenbewaring niet zonder meer rechtvaardigen. Hoe langer de vreemdelingenbewaring duurt en hoe minder adequaat de detentieomstandigheden zijn hoe meer eisen er worden gezet aan de kwaliteit van het handelen van autoriteiten.

Uit de zaak Mikolenko kan in de vierde plaats worden opgemaakt dat het Hof de noodzakelijkheid van de vreemdelingenbewaring beoordeelt indien het nationale recht daarvoor ruimte biedt [zie ook: EHRM, Rusu t. Oostenrijk, 2 oktober 2008, 34082/02, ro 54 ev en dissenting opinion van 'judge' Maruste].

zondag 4 oktober 2009

Geloofwaardigheid asielrelaas & op reisroute betrekking hebbende documenten

Het toerekenbaar ontbreken van op de reisroute betrekking hebbende documenten wordt betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van een asielzoekende vreemdeling. Het is de vraag of dat in overeenstemming is met bepalingen van het Europees Asielsysteem.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 31 lid 2f Vw kan worden opgemaakt dat met die bepaling wordt beoogd de vaststelling van de voor een behandeling van de voor een asielverzoek verantwoordelijke lidstaat te dienen [26 088, nr. 3, Memorie van Toelichting, Wijziging van de Vreemdelingenwet (ongedocumenteerden)]. Dat geldt in ieder geval voor wat betreft op de reisroute betrekking hebbende documenten [zie bijvoorbeeld paragraaf C4/3.6.2 Vc 2000].

Artikel 2 aanhef en onder e van de Dublinverordening definieert ‘behandeling van een asielverzoek’ als ‘alle maatregelen in verband met de behandeling van en beslissingen of uitspraken van bevoegde instanties over een asielverzoek overeenkomstig het nationaal recht, met uitzondering van de procedures waarbij wordt bepaald welke lidstaat krachtens de bepalingen van deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek’.

Indien op de reisroute betrekking hebbende documenten relevant zijn voor de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dan volgt uit artikel 2 aanhef en onder e van de Dublinverordening dat die op de reisroute betrekking hebbende documenten bij de behandeling van een asielverzoek en derhalve bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet behoren te worden betrokken.