dinsdag 8 april 2008

Ongewenstverklaring & Procesbelang

Volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (hierna Afdeling) [ABRS 6 juli 2006 200510434/1, JV 2006/347; ABRS, 26 juli 2006, 200601808/1, JV 2006/352; 19 juli 2007, 200702240/1; enzovoort] heeft een ongewenstverklaarde vreemdeling geen belang bij de beoordeling van een beroep tegen een afwijzing van een verblijfsaanvraag dan wel een intrekking van een verblijfsvergunning.

Belang bij toetsing in rechte van een afwijzing of een intrekking herleeft bij herroeping, intrekking of opheffing van de ongewenstverklaring. Om dan toetsing alsnog mogelijk te maken kan de niet meer ongewenstverklaarde vreemdeling een nieuwe verblijfsaanvraag indienen of een verzoek tot heroverweging van de intrekking van de verblijfsvergunning in welk geval artikel 4.6 Awb niet zal worden tegengeworpen. Aldus de Afdeling.

Op 10 maart 2005 overwoog de Afdeling [ABRS, 10 maart 2005, 200407175/1, JV 2005/180] ambtshalve dat een verzoek tot heroverweging een aanvraag is in de zin van artikel 1:3 lid 3 Awb.

Uit artikel 26 lid 1 Vw en artikel 44 lid 2 Vw volgt dat een verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de datum waarop een vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet maar niet eerder dat de datum aanvraag.

Indien een niet meer ongewenst verklaarde vreemdeling na herroeping, intrekking of opheffing van de ongewenstverklaring een nieuwe aanvraag indient wordt hij geconfronteerd met een 'verblijfsgat' dat niet kan worden gedicht [ABRS, 8 maart 2008, 200708114/1].

Het niet tegenwerpen van artikel 4.6 Awb is in het geval van een niet meer ongewenst verklaarde vreemdeling wiens verblijfsvergunning is ingetrokken een dooie mus gelet op de wijze waarop de Afdeling herhaalde aanvragen toetst [ABRS, 10 mei 2007, 200609255/1, LJN BA5551].

Een niet meer ongewenst verklaarde vreemdeling wiens verblijfsvergunning is ingetrokken wordt geconfronteerd met een voor hem 'zwaarder' toetsingskader omdat niet de vraag of mocht worden ingetrokken centraal staat maar de vraag of aan voorwaarden voor toelating wordt voldaan.

Uit artikel 21 Vw en artikel 34 Vw volgt dat een aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt afgewezen indien voorafgaande aan de aanvraag geen sprake is van rechtmatig verblijf.

De aanvraag van een niet meer ongewenst verklaarde vreemdeling wiens verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is ingetrokken zal niet leiden tot verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd - tenzij hij in de ogen van de bewindspersoon moet worden aangemerkt als een bijzonder geval [ABRS, 8 maart 2008, 200708114/1] (maar dan niet aansluitend op de eerdere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd).

Rechtsherstel - om met de Afdeling te spreken - is alleen mogelijk indien de behandeling van het beroep in de verblijfsprocedure voor onbepaalde tijd wordt aangehouden. Of indien gestopt wordt met de praktijk van het gelijktijdig afwijzen of intrekken en ongewenstverklaren. Als Pasen en Pinksteren op een dag vallen.

[(Update) Uit de Notitie betreffende de toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag van 6 juni 2008 van de Staatssecretaris van Justitie kan worden opgemaakt dat het beleid gewijzigd wordt in die zin dat pas tot ongewenstverklaring wordt overgegaan nadat de tegenwerping van artikel 1F VlV onherroepelijk is geworden]

Geen opmerkingen:

Een reactie posten