zaterdag 18 september 2021

Conclusie AG Szpunar A t Finland 03-06-2021 ECLI:EU:C:2021:456 C‑35/20




Op 3 juni 2021 heeft AG Szpunar geconcludeerd in de zaak A t Finland. Op 6 oktober 2021 wijst het EU Hof van Justitie arrest.

Waar gaat het over

Het gaat over de Finse unieburger A die via de Oostzee met een pleziervaartuig naar Estland vaart en weer terug zonder een derde land aan te doen. Bij terugkeer vindt in Finland controle plaats. A krijgt een boete omdat hij geen reisdocument bij zich heeft. A is daar niet blij mee en vecht die boete aan met een beroep op zijn unieburgerschap.

Prejudiciële vragen

De Finse verwijzende rechter stelt de volgende vragen aan het EU Hof van Justitie:
  • Staat het Unierecht, met name artikel 4, eerste lid, van  de Verblijfsrichtlijn [Uitreisrecht] en  artikel 21 van de (oude) Schengengrenscode ['Controles binnen het grondgebied'] of het recht van Unieburgers om zich vrij op het grondgebied van de Unie te bewegen, in de weg aan de toepassing van een nationale regeling die een persoon (al dan niet zijnde een burger van de Unie) onder strafbedreiging verplicht een geldig paspoort of ander reisdocument bij zich te dragen, wanneer die persoon met een pleziervaartuig reist naar een andere lidstaat via internationaal water zonder het grondgebied van een derde staat aan te doen?
  • Staat het Unierecht, met name artikel 5, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn  ['inreisrecht'] en artikel 21 van de (oude) Schengengrenscode  ['Controles binnen het grondgebied'] of het recht van Unieburgers om zich vrij op het grondgebied van de Unie te bewegen, in de weg aan de toepassing van een nationale regeling die een persoon (al dan niet zijnde een burger van de Unie) onder strafbedreiging verplicht een geldig paspoort of een ander reisdocument bij zich te dragen, wanneer die persoon met een pleziervaartuig in de lidstaat aankomt vanuit een andere lidstaat via internationaal water zonder het grondgebied van een derde staat aan te doen?
  • Indien er geen sprake is van de in de vragen 1 en 2 bedoelde belemmering, is de in Finland gewoonlijk overeenkomstig het dagboetestelsel op te leggen sanctie wegens overschrijding van de Finse grens zonder geldig reisdocument in overeenstemming met het uit artikel 27, lid 2, van de Verblijfsrichtlijn ['Algemene beginselen'] voortvloeiende evenredigheidsbeginsel


Conclusie AG Szupinar

In de eerste plaats onderzoekt AG Szpunar de verplichting om bij grensoverschrijding een reisdocument bij zich te dragen in het kader van het uitreisrecht en in het kader van het inreisrecht.

In de tweede plaats onderzoekt AG Szpunar verificaties die worden uitgevoerd bij grenscontroles op (ondermeer) unieburgers. 

In de derde plaats onderzoekt AG Szpunar of de geldboete die wordt opgelegd bij niet-nakoming van verplichting om bij grensoverschrijding een reisdocument bij zich te dragen evenredig is.  

Inleidende opmerkingen

Unieburgers kunnen zich beroepen op aan het unieburgerschap verbonden rechten ook jegens hun lidstaat van herkomst.

Het recht van vrij verkeer omvat zowel  het recht om een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst binnen te komen als het recht om de lidstaat van herkomst te verlaten.  AG Szpunar verwijst in dat verband naar rechtspraak van het het EU Hof van Justitie in de zaken Gheorghe Jipa t Roemenië (p 18),  Hristo Gaydarov t Bulgarije (p 25, 31)Petar Aladzhov t Bulgarije (p 25).

Op het Schengenacquis gebaseerde maatregelen zijn van toepassing op overschrijding van  buitengrenzen en binnengrenzen maar mogen geen afbreuk doen aan het vrije verkeer van unieburgers en hun familieleden.

De verplichting om bij grensoverschrijding een reisdocument bij zich te dragen

... in het kader van het uitreisrecht 

UIt artikel 4, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn volgt  dat een unieburger die is voorzien van een  een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort het recht heeft het grondgebied van een lidstaat te verlaten om zich naar een andere lidstaat te begeven.

Volgens AG Szpunar volgt uit de bewoordingen van artikel 4, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn  ('voorzien van') dat een unieburger bij uitreis een reisdocument bij zich moet dragen.

Volgens AG Szpunar wordt zijn uitlegging van de bewoordingen van artikel 4, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn bevestigd door de doelstelling van de Verblijfsrichtlijn om de uitoefening van het fundamentele en persoonlijke recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten te vergemakkelijken en te versterken omdat artikel 4, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn identificatie van unieburgers mogelijk maakt (en dus vraag ik mij af ^ZvL).

Volgens AG Szpunar wordt zijn uitlegging van de bewoordingen van artikel 4, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn eveneens bevestigd door de ontstaansgeschiedenis van de Verblijfsrichtlijn.

... in het kader van het inreisrecht > werkingssfeer artikel 5 Verblijfsrichtlijn

AG Szpunar onderzoekt of A - een Finse unieburger die terugkeert naar zijn lidstaat van herkomst wel of niet valt onder de werking van artikel 5 van de Verblijfsrichtlijn. Bij terugkeer naar zijn lidstaat van herkomst immers is A geen begunstigde meer in de zin van de Verblijfsrichtlijn.

AG Szpunar onderscheidt in rechtspraak van het EU Hof van Justitie over naar hun lidstaat van herkomst terugkerende unieburgers twee lijnen:
Uit de rechtspraak die betrekking heeft op  tijdelijk naar hun lidstaat van herkomst terugkerende unieburgers volgt volgens AG Szpunar dat
  • een unieburger die niet definitief terugkeert naar zijn lidstaat van herkomst nog begunstigde is in de zin van de Verblijfsrichtlijn, zijn (derdelander)gezinsleden derhalve ook
  • die (derdelander)gezinsleden aan artikel 5 van de Verblijfsrichtlijn een recht kunnen ontlenen om de lidstaat van herkomst van ‘hun’ unieburger in te reizen

Uit de rechtspraak die betrekking heeft op definitief naar hun lidstaat van herkomst terugkerende unieburgers volgt  volgens AG Szpunar dat
  • een unieburger die definitief terugkeert naar zijn lidstaat van herkomst geen begunstigde meer is in de zin van de Verblijfsrichtlijn, zijn (derdelander)gezinsleden derhalve ook niet
  • de (derdelander)gezinsleden aan artikel 21 VWEU een afgeleid recht op verblijf kunnen ontlenen analoog aan het recht op verblijf van  (derdelander)gezinsleden op grond van de Verblijfsrichtlijn

AG Szpunar concludeert dat de rechtspraak die betrekking heeft op  tijdelijk naar hun lidstaat van herkomst terugkerende unieburgers niet relevant is omdat A niet tijdelijk maar definitief terugkeert naar zijn lidstaat van herkomst Finland.

AG Szpunar concludeert voorts dat de rechtspraak die betrekking heeft op definitief naar hun lidstaat van herkomst terugkerende unieburgers mogelijk wel relevant is ook al keert A niet terug naar zijn lidstaat van herkomst Finland in het gezelschap van derdelander/familieleden omdat
  • de hoedanigheid van unieburger de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten dient te zijn en een unieburger die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer en verblijf zich kan beroepen op de daaraan verbonden rechten in voorkomend geval ook ten aanzien van de lidstaat van herkomst
  • de voorwaarden om de lidstaat van herkomst in te reizen niet strenger mogen zijn dan de voorwaarden om een gastlidstaat in te reizen omdat anders het recht om een lidstaat van herkomst uit te reizen geen volle werking kan hebben

AG Szpunar concludeert dat in een situatie als die van de Finse unieburger A de Verblijfsrichtlijn  naar analogie dient te worden toegepast voor wat betreft de voorwaarden waaronder de lidstaten een unieburger die „voorzien is van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort” hun grondgebied laten binnenkomen.
... in het kader van het inreisrecht > mogelijkheid om sancties op te leggen

Artikel 36 van de Verblijfsrichtlijn bepaalt dat  lidstaten overtredingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen sanctioneren en alle maatregelen treffen die nodig zijn om de daadwerkelijke toepassing van die sancties te verzekeren.

Artikel 36 van de Verblijfsrichtlijn is volgens AG Szpunar een codificatie van rechtspraak van het EU Hof van Justitie volgens welke het unierecht de lidstaten niet verbiedt om personen zonder identiteitsbewijzen te sanctioneren.

Volgens AG Szpunar mogen lidstaten daarom ook sancties vaststellen voor het niet nakomen van andere voorschriften dan de in de Verblijfsrichtlijn opgenomen voorschriften waarvan het niet nakomen expliciet wordt bedreigd met een sanctie [artikel 5, vijfde lid, van de Verblijfsrichtlijn; artikel 8, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn; artikel 9, derde lid, van Verblijfsrichtlijn en artikel 20, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn].

De lidstaten zijn volgens AG SZpunar bevoegd sancties te kiezen die zij passend achten waaronder strafrechtelijke sancties voor zover die bevoegdheid wordt uitgeoefend met eerbiediging van het unierecht en de algemene beginselen daarvan, en derhalve met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel.

Verificaties die worden uitgevoerd bij grenscontroles 

... Het begrip 'zeegrens' idzv artikel 2, punt 2, (oude) Schengengrenscode

Artikel 4, eerste lid van de (oude) Schengengrenscode bepaalt dat buitengrenzen slechts via grensdoorlaatposten mogen worden overschreden.

A stelt dat hij geen buitengrens heeft overschreden omdat de aankomsthaven in Finland niet is aangewezen als grensdoorlaatpost [lijst van grensdoorlaatposten]. Indien A geen buitengrens heeft overschreden dan heeft A een binnengrens overschreden en valt zijn situatie onder artikel 21 van de (oude) Schengengrenscode. Volgens AG Szpunar is dat echter niet het geval.

... Buitengrensoverschrijding

A heeft als passagier van een pleziervaartuig een zeegrens overschreden [de Oostzee tussen Finland en Estland].

Artikel 4, tweede lid, onder a, van de (oude) Schengengrenscode bepaalt dat voor pleziervaartuigen een uitzondering geldt op de verplichting om een buitengrens te overschrijden via een grensdoorlaatpost.

Dat pleziervaartuigen een buitengrens niet hoeven te overschrijden via een grensdoorlaatpost betekent niet dat A niet een buitengrens heeft overschreden. 

Ook het ontbreken van in- en uitreisstempels betekent niet dat in een geval als dat van A geen buitengrens is overschreden.

Indien een pleziervaartuig uit een in een lidstaat gelegen haven komt of naar een in een lidstaat gelegen haven afvaart dan wordt dat pleziervaartuig niet aan grenscontroles onderworpen en mag dat pleziervaartuig een haven binnengaan die niet als grensdoorlaatpost is aangemerkt tenzij het risico van illegale migratie grenscontroles rechtvaardigen [Bijlage VI punt 3.2.5 van de (oude) Schengengrenscode].

Volgens AG Szpunar was in de periode dat A zijn reis maakte sprake van een risico van illegale migratie.

Evenredigheid sancties

De verwijzende rechter wil weten of de sanctionering evenredig is in het licht van artikel 27, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn.

Volgens AG Szpunar moet de sanctionering worden beoordeeld in het licht van artikel 36 van de Verblijfsrichtlijn niet in het licht van artikel 27 van de Verblijfsrichtlijn. AG Szpunar hertaalt daarom de derde prejudiciële vraag van de verwijzende rechter.

Volgens AG Szpunar verzetten artikel 21, eerste lid, VWEU en artikel 36 van de Verblijfsrichtlijn zich tegen de Finse strafbaarstelling van het niet nakomen van de verplichting om bij grensoverschrijding voorzien te zijn van een geldig reisdocument voorzover daarvoor een geldboete wordt opgelegd die 20 % van de gemiddelde maandelijkse inkomsten van de overtreder bedraagt.

Digitale Luxemburgse Lunch op 8 oktober 2021

Op vrijdag 10 oktober 2021 staat het arrest van het EU Hof van Justitie in de zaak A t Finland op het menu van een digitale Luxemburgse Lunch van 12:15 uur tot 13:15 uur. Belangstellenden  kunnen zich opgeven via dit formulier

dinsdag 7 september 2021

Conclusie AG Saugmandsgaard Øe XY t Oostenrijk 15-04-2021 ECLI:EU:C:2021:302 C‑18/20

 Waar gaat het over

Het gaat om een volgend verzoek van een derdelander die tijdens dat eerdere verzoek om internationale bescherming niet heeft verklaard over zijn toen al bestaande homoseksuele oriëntatie. 

De verwijzende rechter wil van alles en nog wat weten maar hier en nu gaat het vooral om de vraag over de uitlegging van artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn.  Artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn luidt als volgt:
De lidstaten kunnen bepalen dat het verzoek enkel verder wordt behandeld indien de betrokken verzoeker buiten zijn toedoen de in de leden 2 en 3 van dit artikel beschreven situaties in het kader van de vorige procedure niet kon doen gelden, in het bijzonder door zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens artikel 46 uit te oefenen.
Artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn is niet geïmplementeerd. Dat was volgens de wetgever niet nodig.

De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna Afdeling] heeft artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn in een uitspraak van 6 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2718, 201604251/1/V2) artikel 40, vierde lid, van de Procedure uitgelegd. Ook volgens de Afdeling was inplementatie van artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn niet nodig.

Aan het einde van deze week weten we of implementatie alsnog nodig is.

De voor 'ons' relevante prejudiciële vraag

De verwijzende rechter wil weten  hoe artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn moet worden uitgelegd.
Mag de autoriteit in het geval dat de asielzoeker heeft verzuimd om de aangevoerde nieuwe elementen reeds in de vorige asielprocedure te doen gelden, de inhoudelijke toetsing van een volgend verzoek afwijzen op grond van een nationale regel die een algemeen geldend beginsel van bestuursprocesrecht vastlegt, ook al heeft de lidstaat nagelaten om bijzondere nationale regels vast te stellen ter juiste uitvoering van de bepalingen van artikel 40, leden 2 en 3, van de procedurerichtlijn en heeft hij bijgevolg ook geen uitdrukkelijk gebruik gemaakt van de in artikel 40, lid 4, van de procedurerichtlijn geboden mogelijkheid om te voorzien in een uitzondering op de inhoudelijke toetsing van het volgende verzoek?

Duiken in de europarlementaire geschiedenis van artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn

Bij de beantwoording van de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen duikt AG Saugmandsgaard Øe  tot twee keer toe in de parlementaire geschiedenis van de Procedurerichtlijn. 

Omdat de europarlementaire geschiedenis van wat dan ook niet heel erg toegankelijk is volgt hier informatie om de toegang tot die parlementaire geschiedenis - in dit geval de europarlementaire geschiedenis van de Procedurerichtlijn  - te vergemakkelijken. 

Startpunt is een van de vele EURLEX 'adressen' van de Procedurerichtlijn [2013/32/EU]:
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/ALL/?uri=celex:32013L0032
Onder het kopje 'Procedure' staat
Via de eerste link komt u terecht bij de door de Commissie vastgelegde geschiedenis van de Procedurerichtlijn. Documenten die beginnen met 'COM' en eindigen met 'FINAL' zijn voorstellen van de Commissie.

Via de tweede link komt u terecht bij de door het Europees Parlement vastgelegde geschiedenis van de Procedurerichtlijn.

De geschiedenis van de Procedurerichtlijn is ook toegankelijk via 'Search in the register' op de website van de Raad. Zoek naar het bovenstaande procedurenummer [2009/0165/COD] in het veld 'Interinstitutional file' en klik op 'Search'. U krijgt dan alle stukken die betrekking hebben op de totstandkoming van de Procedurerichtlijn en ziet door de bomen het bos niet meer.

Indien u zoeken naar het procedurenummer in het veld 'Interinstitutional file' combineert met een voorstel van de Commissie [COM(...)FINAL] in het veld 'Words in text' levert dat interessante resulaten op. Zie bijvoorbeeld hier.

U kunt zoeken naar het procedurenummer in het veld 'Interinstitutional file' ook combineren met tekst uit een bepaling uit een van de voorstellen van de Commissie [tussen aanhalingstekens] in het veld 'Words in text'. U kunt dan nagaan of en zo ja wanneer de tekst van een bepaling is gewijzigd. Zie bijvoorbeeld hier. De door de Commissie voorgestelde tekst voor wat nu is het vierde lid van artikel 40 van de Procedurerichtlijn [Member States may decide to further examine the application only if (...)] is voor het laatst gebruikt in een document van 25 april 2013.

AG Saugmandsgaard Øe verwijst in zijn conclusie [zie noot 28] naar de navolgende stukken uit de europarlementaire geschiedenis van artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn:
  • Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on minimum standards on procedures in Member States for granting and withdrawing international protection (Recast) {SEC(2009) 1376} {SEC(2009) 1377} /* COM/2009/0554 final - COD 2009/0165 */  21-10-2009
  • Report on the proposal for a directive of the European Parliament and of the Council on minimum standards on procedures in Member States for granting and withdrawing international protection (recast) (COM(2009)0554 – C7‑0248/2009 – 2009/0165(COD)) 24-03-2011 A7-0085/2011 
  • Position (EU) No 7/2013 of the Council at first reading with a view to the adoption of a Directive of the European Parliament and of the Council on common procedures for granting and withdrawing international protection (recast) Adopted by the Council on 6 June 2013 
Later daarover meer.

Conclusie AG Saugmandsgaard Øe

In de allereerste plaats is volgens AG Saugmandsgaard Øe  artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn een facultatieve bepaling. 

De argumenten van de Nederlandse regering ter onderbouwing van een andersluidend standpunt snijden volgens AG Saugmandsgaard Øe geen hout [punt 95].  

Dat is klare taal.

AG Saugmandsgaard Øe verwijst naar de 23 taalversies van de Procedurerichtlijn waarvan er maar liefst 20 artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn ondubbelzinning beschouwen als een facultatieve bepaling.

Volgens AG Saugmandsgaard Øe lijkt ook de europarlementaire geschiedenis van artikel 40, vierde lid, van van de Procedurerichtlijn erop te wijzen dat het de bedoeling was van de uniewetgever om van die bepaling een facultatieve bepaling te maken.

De in het oorspronkelijke voorstel opgenomen bewoordingen van artikel 40, vierde lid van de Procedurerichtlijn bieden volgens AG Saugmandsgaard Øe nog wel enige steun voor de uitleg van de Nederlandse regering van die bepaling. 
Member States may decide to further examine the application only if the applicant concerned was, (...) 

AG Saugmandsgaard Øe wijst er echter op dat tijdens de totstandkomingsgeschiedenis van de Procedurerichtlijn  het Parlement  een voorstel deed om artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn volledig te schrappen vanwege het risico van verboden refoulement. 

Dat voorstel heeft het niet gehaald maar de bewoordingen van artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn zijn wel gewijzigd op initiatief van de Raad
Member States may provide that the application will only be further examined if the applicant concerned was, (...)

In de tweede plaats is volgens AG Saugmandsgaard Øe artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn in Oostenrijk [net als in Nederland, mr T] niet naar behoren geïmplementeerd.

In de derde plaats kan volgens AG Saugmandsgaard Øe een bepaling die niet naar behoren is geïmplementeerd niet ten nadele van een particulier worden toegepast.

Wat als

Indien het EU Hof van Justitie de conclusie van AG Saugmandsgaard Øe volgt dan heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid mevrouw Knol (wederom) een probleem.

Wie is AG Saugmandsgaard Øe

Henrik Saugmandsgaard Øe is sinds 7 oktober 2015 AG bij het EU Hof van Justitie.

AG Saugmandsgaard Øe schreef sinds zijn benoeming maar liefst  116 conclusies.

Digitale Luxemburgse Lunch 10 september 2021

Het EU Hof van Justitie wijst op 9 september 2021 arrest in de zaak XY t Oostenrijk. Onder meer dat arrest staat op het menu van een digitale Luxemburgse Lunch op 10 september 2021 van 12:15 uur tot 13:15 uur. Belangstellenden kunnen zich via dit formulier opgeven voor deelname aan de digitale Luxemburgse Lunch. 

maandag 6 september 2021

Conclusie AG Gerard Hogan SE t Duitsland 25-03-2021 ECLI:EU:C:2021:247 C-768/19

Waar gaat het over

De minderjarige zoon van SE vlucht vanuit Afghanistan naar Duitsland. De zoon van SE dient in Duitsland een verzoek in om internationale bescherming. De zoon van SE is op dat moment nog minderjarig. Het verzoek om internationale bescherming van de zoon van SE wordt ingewilligd op een moment dat hij meerderjarig is geworden. Hem wordt de subsidiaire beschermingsstatus verleend. 

Ook SE vlucht vanuit Afghanistan naar Duitsland. SE dient in Duitsland een verzoek in om internationale bescherming. Zijn zoon is op dat moment nog minderjarig. Nadat zijn zoon de subsidiaire beschermingsstatus is verleend maakt SE als gezinslid van zijn zoon en verblijvende in dezelfde lidstaat als zijn zoon aanspraak op de artikelen 24 tot en met 35 van de Kwalificatierichtlijn genoemde voordelen.

Prejudiciële vragen

De verwijzende rechter wil weten welk moment bepalend is voor de beoordeling van de minderjarigheid van de zoon van SE:
  • het moment waarop een beslissing wordt genomen op het verzoek van SE om internationale bescherming of
  • het moment waarop aan de zoon van SE de de subsidiaire beschermingsstatus is verleend of
  • het moment waarop SE een verzoek om interntionale bescherming heeft ingediend of
  • het moment waarop SE Duitsland is binnen gekomen of
  • het moment waarop de zoon SE een verzoek om interntionale bescherming heeft ingediend
Voor het geval het tijdstip doorslaggevend is waarop
  • een verzoek door de zoon van SE is ingediend wil de verwijzende rechter weten of de asielwensuiting bepalend is of het formeel ingediende verzoek om internationale bescherming
  • SE Duitsland is binnengekomen wil de verwijzende rechter weten of van belang is dat op dat moment nog niet was beslist op het verzoek van de zoon van SE om interntationale bescherming
  • een verzoek om internationale bescherming is ingediend door SE wil de verwijzende rechter weten of van belang is dat op dat moment nog niet was beslist op het verzoek van de zoon van SE om internationale bescherming
De verwijzende rechter verder weten onder welke omstandigheden SE kan worden aangemerkt als gezinslid van zijn zoon en onder welke omstandigheden SE niet meer kan worden aangemerkt als gezinslid van zijn zoon (samengevat weergegeven). 

Welke zaken hebben bij de totstandkoming van de conclusie van AG Gerard Hogan een rol gespeeld

AG Gerard Hogan heeft bij de totstandkoming van de conclusie de navolgende zaken betrokken:
  • EU Hof van Justitie  A en S t Nederland 12-04-2018 EU:C:2018:248 C‑550/16
  • EU Hof van Justitie BMM ea t België 16-07-2020 ECLI:EU:C:2020:577 C‑133/19 C‑136/19 C‑137/19

De zaak  A en S t Nederland gaat over nareis de van ouders van een kind dat als minderjarige een verzoek om interntaionale bescherming heeft ingediend. Het verzoek om internationale bescherming wordt ingewilligd op het moment dat het kind van A en S meerderjarig is geworden.  Het kind van A en S wordt de vluchtelingenstatus verleend. Het EU HvJ overweegt dat het kind van A en S als minderjarige moet worden aangemerkt en dat een nareis aanvragen moeten worden ingediend binnen drie maanden na verlening van de vluchtelingenstatus.

De zaak BMM ea t België gaat over de nareis van kinderen van een als vluchteling erkende derdelander. Gedurende de nareisprocedure worden kinderen meerderjarig. Het EU Hof van Justitie overweegt dat de datum waarop de nareisaanvragen zijn ingediend bepalend is voor de vraag of de kinderen minderjarig zijn en niet de datum waarop op de nareisaanvragen een beslissing wordt genomen.
                

Conclusie AG Gerard Hogan

De eerste en tweede prejudiciële vraag

In  artikel 2, onder j, derde streepje, van de Kwalificatierichtlijn wordt het begrip gezinsleden van een ongehuwde minderjarige die internationale bescherming geniet gedefinieerd. Uit die bepaling volgt niet op welk moment de minderjarigheid moet worden beoordeeld. Dat betekent niet dat het  de lidstaten vrij staat om een moment te kiezen waarop de minderjarigheid moet worden beoordeeld.

Volgens AG Gerard Hogan moet artikel 2, onder j), derde streepje, van de Kwalificatierichtlijn  worden uitgelegd (*) in het belang van het betrokken kind en (**) met het oog op de bevordering van het gezinsleven omdat
  • artikel 2, onder j, derde streepje, van de Kwalificatierichtlijn moet worden gelezen in het licht van artikel 23, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en punt 16 van de Preambule bij de Kwalificatierichtlijn
  • artikel 7 van het Handvest van de Grondrechten moet worden gelezen in samenhang met (*) de verplichting om rekening te houden met de belangen van het kind en (**) de noodzaak dat een kind regelmatig persoonlijke betrekkingen met zijn beide ouders onderhoudt
Uit A en S t Nederland en BMM ea t België volgt volgens AG Gerard Hogan dat het recht om een aanvraag voor gezinshereniging in te dienen niet mag afhangen van de toevalligheid van de data waarop bepaalde besluiten worden genomen door derden.

Omdat artikel 2, onder j, derde streepje, van de Kwalificatierichtlijn vereist dat de betrokken gezinsleden “in verband met het verzoek om internationale bescherming” in dezelfde lidstaat aanwezig zijn moet volgens AG Gerard Hogan
  • SE Duitsland zijn binnengekomen op een moment dat zijn zoon nog minderjarig was
  • de zoon van SE een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend op een moment dat hij nog minderjarig was
Daarnaast vereist artikel 23 van de Kwalificatierichtlijn  volgens AG Gerard Hogan dat  aanspraak is gemaakt op  de in de artikelen 24 tot en met 35 van de Kwalificatierichtlijn genoemde voordelen.  SE moet derhalve een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend.

De datum waarop SE een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend is volgens AG Gerard Hogan doorslaggevend voor de vraag of de zoon van SE minderjarig is  mits de zoon van SE een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend voordat hij meerderjarig werd en SE en zijn zoon  tevens aanwezig waren in Duitsland voordat de zoon van SE meerderjarig werd.

Volgens AG Gerard Hogan volgt uit VL t Spanje dat een derdelander al verzoeker is indien hij een verzoeker heeft ‘gedaan´ en niet pas nadat een verzoek formeel is ‘ingediend’.

De derde prejudiciële vraag

De verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 2, onder j, derde streepje, van de Kwalificatierichtlijn vereist dat het gezinsleven in de zin van artikel 7 van het Handvest van de Grondrechten tussen de betrokken gezinsleden wordt hervat.

Volgens AG Gerard Hogan is van „gezinsleden” in de zin van de Kwalificatierichtlijn in een geval als onderhavige sprake indien (*) de persoon die internationale bescherming geniet ongehuwd en minderjarig is, (**) het gezin reeds bestond in het land van herkomst en (***) de gezinsleden in dezelfde lidstaat aanwezig zijn als de persoon die internationale bescherming geniet.

Volgens AG Gerard Hogan volgt uit artikel 2, onder j, derde streepje, van de Kwalificatierichtlijn  niet dat het gezinsleven moet worden hervat, maar volgt  uit artikel 7 van het Handvest van de Grondrechten wel dat het gezinsleven moet worden eerbiedigd.

Volgens AG Gerard Hogan volgt uit artikel 23, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn dat de lidstaten ervoor zorgen dat het gezin in stand kan worden gehouden en dat gezinsleden aanspraak kunnen maken op voordelen (die ertoe strekken het gezin in stand te houden).

Volgens AG Gerard Hogan kan het doel van artikel 23 van van de Kwalificatierichtlijn niet worden bereikt indien een ongehuwde minderjarige wanneer hij meerderjarig wordt schriftelijk uitdrukkelijk te kennen geeft dat hij het gezin niet in stand wenst te houden.

De vierde prejudiciële vraag

Volgens AG Gerard Hogan blijft het recht van gezinsleden in de zin van artikel 2, onder j, derde streepje, van de Kwalificatierichtlijn om aanspraak te maken op voordelen (die ertoe strekken het gezin in stand te houden)  bestaan nadat de persoon die subsidiaire bescherming geniet meerderjarig wordt maar slechts voor de geldigheidsduur van de verblijfstitel die hun is verstrekt.

De conclusie van AG Gerard Hogan

In omstandigheden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, is het tijdstip dat doorslaggevend is voor de beoordeling van de minderjarigheid van de persoon die internationale bescherming geniet, overeenkomstig artikel 2, onder j), derde streepje, van richtlijn 2011/95/EU (...), de datum waarop zijn vader een verzoek om internationale bescherming doet op grond van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2013/32/EU (...), mits de persoon die internationale bescherming geniet zijn verzoek om deze bescherming heeft ingediend voordat hij meerderjarig werd en beide betrokken gezinsleden in dezelfde lidstaat aanwezig waren voordat de persoon die internationale bescherming geniet meerderjarig werd.

Overeenkomstig artikel 2, onder j), derde streepje, van richtlijn 2011/95 hangt het begrip „gezinsleden” ten aanzien van de vader van een persoon die internationale bescherming geniet, enkel af van drie voorwaarden, namelijk dat het gezin reeds bestond in het land van herkomst, dat de leden van het gezin van de persoon die internationale bescherming geniet in verband met het verzoek om internationale bescherming in dezelfde lidstaat aanwezig zijn en dat de persoon die internationale bescherming geniet minderjarig en ongehuwd is. Artikel 2, onder j), derde streepje, van richtlijn 2011/95 vereist niet dat het gezinsleven in de zin van artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie tussen de betrokken gezinsleden is hervat. Indien een ongehuwde minderjarige in de zin van artikel 2, onder j), derde streepje, van richtlijn 2011/95 wanneer hij meerderjarig wordt schriftelijk uitdrukkelijk te kennen geeft dat hij het gezin niet in stand wenst te houden, dan kan het doel van artikel 23 van richtlijn 2011/95 niet worden bereikt en zijn de bevoegde nationale autoriteiten niet verplicht om gezinsleden de in de artikelen 24 tot en met 35 van die richtlijn genoemde voordelen te verlenen.

De rechten van gezinsleden op grond van artikel 2, onder j), derde streepje, en artikel 23, lid 2, van richtlijn 2011/95 blijven niet voor onbeperkte tijd bestaan. Het recht van gezinsleden op grond van artikel 2, onder j), derde streepje, en artikel 23, lid 2, van richtlijn 2011/95 om aanspraak te maken op de in de artikelen 24 tot en met 35 van die richtlijn genoemde voordelen blijft, nadat de persoon die subsidiaire bescherming geniet meerderjarig is geworden, bestaan voor de geldigheidsduur van de verblijfstitel die hun overeenkomstig artikel 24, lid 2, van die richtlijn is verstrekt.

Wie is AG Gerard Hogan

Gerard Hogan is sinds 8 oktober 2018 AG bij het EU Hof van Justitie.

AG Gerard Hogan schreef sinds zijn benoeming 84 conclusies waaronder in de navolgende zaken:
  • LH t Nederland  11-02-2021 ECLI:EU:C:2021:117 C-921/19 [over onder meer eisen die kunnen worden gesteld aan documenten ter onderbouwing van een opvolgende asielaanvraag; het EU Hof van Justitie heeft op 10-06-2021  (een heel erg fijn) arrest gewezen 👋👋👋]
  • OA t het Verenigd Koninkrijk  30-04-2020 ECLI:EU:C:2020:342 C‑255/19 [over beëindiging van de vluchtelingenstatus; het EU Hof van Justitie heeft op 20-01-2021 arrest gewezen]
  • Milkiyas Addis t Duitsland 19-03-2020 ECLI:EU:C:2020:225 C‑517/17 [over de ontvankelijkheid van een verzoek ingediend door een derdelander aan wie in een andere lidstaat internationale bescherming is verleend; het EU Hof van Justitie heeft op 16-07-2020 arrest gewezen]
  • BMM ea t België 19-03-2020 ECLI:EU:C:2020:222 C‑133/19 C‑136/19 C‑137/19 [over de beoordeling van de minderjarigheid van kinderen van een als vluchteling erkende derdelander in een nareis-procedure; het EU Hof van Justitie heeft op 16-07-2020 arrest gewezen]

Digitale Luxemburgse Lunch 10 september 2021

Het EU Hof van Justitie wijst op 9 september 2021 arrest in de zaak SE t Duitsland. Onder meer dat arrest staat op het menu van een digitale Luxemburgse Lunch op 10 september 2021 van 12:15 uur tot 13:15 uur. Belangstellenden kunnen zich via dit formulier opgeven voor deelname aan de digitale Luxemburgse Lunch.

vrijdag 22 juli 2016

ABRS, 13 juli 2016, 201603430 & 201603424 | het ontbreken van een kennisgeving in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet

Op 13 juli 2016 is de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] terug gekomen van een uitspraak van 9 maart 2009 [ABRS, 9 maart 2009, 200808202 & 200808554,  ECLI:NL:RVS:2009:BH6972]  en heeft de Afdeling overwogen dat uit een oogpunt van eenvoud en overzichtelijkheid van het recht tegen elke nieuwe maatregel van bewaring apart een eerste (grens)bewaringsberoep moet worden ingesteld [ABRS, 13 juli 2016, 201603430, ECLI:NL:RVS:2016:2005 (maatregelen van 15 &  26 april 2016, beroep ingesteld op 19 april 2016) & 201603424, ECLI:NL:RVS:2016:2066 (maatregelen van 15 & 27 april 2016, beroep ingesteld op 19 april 2016)].

Op 15 juli 2016 heeft de Afdeling het hoger beroep van een vreemdeling tegen een uitspraak van de rechtbank waarin de rechtbank had overwogen dat het [op 26 januari 2016] ingestelde beroep was gericht tegen de de eerste maatregel van bewaring [van 15 januari 2016] en dat tegen de tweede maatregel van bewaring [van 1 februari 2016] nog beroep open stond, kennelijk ongegrond verklaard [ABRS, 15 juli 2016, 201601335, ECLI:NL:RVS:2016:2074].

Uit voorgaande rechtspraak volgt dat in [naar ik aanneem] veel zaken van in (grens)bewaring gestelde derdelanders [van wie de wettelijke grondslag van de (grens)bewaring is gewijzigd] nog beroepen open staan omdat het ooit ingestelde eerste beroep maar betrekking had op één maatregel van (grens)bewaring.

Indien tegen de andere maatregel niet alsnog beroep is ingesteld [niet erg waarschijnlijk] en de rechtbank ook niet van die andere maatregel binnen vier weken in kennis is gesteld in overeenstemming met artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, dan zijn er derdelanders wier (grens)bewaring onrechtmatig is geworden na het verstrijken van de termijn van vier weken.

Hebben de uitspraken van 13 juli 2016 geleid tot opheffing van (grens)bewaring en een aanbod van schadevergoeding?

zaterdag 9 juli 2016

Bewaring ogv de herziene Opvangrichtlijn in het licht van artikel 5(1)(f) EVRM

Op 13 januari 2016 heeft de rechtbank 's-Gravenhage nevenzittingsplaats Haarlem het EU Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag gesteld [Rtb DH zp Haarlem, 13 januari 2016, AWB 15/22376, ECLI:NL:RBDHA:2016:265]:
Is artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, Opvangrichtlijn geldig in het licht van artikel 6 van het Handvest:
(1) in de situatie dat een onderdaan van een derde land krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, Opvangrichtlijn in bewaring is gesteld en krachtens artikel 9 Procedurerichtlijn het recht heeft om in een lidstaat te mogen blijven totdat in eerste aanleg een beslissing op zijn asielverzoek is genomen, en
(2) gelet op de Toelichting (PB 2007 C 303/02) dat de beperkingen die rechtmatig aan de rechten van artikel 6 Handvest kunnen worden gesteld, niet verder mogen strekken dan die welke door het EVRM in de tekst zelf van artikel 5, aanhef en onder f, zijn toegestaan en de uitleg van het EHRM van deze laatste bepaling in onder meer het arrest van 22 september 2015, Nabil e.a. tegen Hongarije, 62116/12, dat een bewaring van een asielzoeker in strijd is met voormeld artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, indien deze bewaring niet is opgelegd met het oog op verwijdering?
Het EU Hof van Justitie heeft de prejudiciële vraag van de rechtbank 's-Gravenhage nevenzittingsplaats Haarlem tot op heden nog niet beantwoord. Dat heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] er niet van weerhouden om zich uit te spreken over de geldigheid van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de herziene Opvangrichtlijn in het licht van artikel 6 van het EU Handvest van de Grondrechten.

In en uitspraak van 13 mei 2016 [ABRS, 13 mei 2013, 201509303, ECLI:NL:RVS:2016:1383; zie ook ABRS, 1 juli 2016, 201601468, ECLI:NL:RVS:2016:1912] overweegt de Afdeling met een verwijzing naar een arrest van het EU Hof van Justitie van 15 februari 2016 in de zaak JN tegen Nederland [EU Hof van Justitie, 15 februari 2016, C-601/15 PPUover de geldigheid van artikel 8, derde lid, aanhef en onder e, van de herziene Opvangrichtlijn, dat het arrest en in het bijzonder overwegingen 59 tot en met 63 ook van toepassing zijn op artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de herziene Opvangrichtlijn en dat artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de herziene Opvangrichtlijn dus geldig is.

In een annotatie bij voornoemd arrest [JV 2016/90] onderscheidt Galina Cornelisse vijf stappen van argumentatie. De hiervoor genoemde overwegingen maken deel uit van de tweede stap van argumentatie waarin het EU Hof van Justitie volgens Galina Cornelisse de vraag behandelt hoe de beperking op het recht op persoonlijke vrijheid zoals neergelegd in artikel 8, derde lid, [aanhef en onder e] van de herziene Opvangrichtlijn zich in algemene zin verhoudt tot het EU Handvest van de Grondrechten.

Volgens Galina Cornelisse onderzoekt het EU Hof van Justitie pas in de vijfde stap hoe artikel 8, derde lid, [aanhef en onder e] van de herziene Opvangrichtlijn zich verhoudt tot artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, tweede zinsdeel, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens [hierna: EVRM] en de daarop gebaseerde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Het EU Hof van Justitie overweegt in stap vijf, samengevat weergegeven, dat de op artikel 8, derde lid, aanhef en onder e, van de herziene Opvangrichtlijn gebaseerde bewaring niet in strijd is met artikel 5, eerste lid, onder f, van het EVRM, omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet de mogelijkheid uitsluit om een asielzoekende derdelander jegens wie eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd in bewaring te stellen met het oog op diens verwijdering.

Indien het onderscheid dat Galina Cornelisse maakt in stappen van argumentatie dan is de vraag of artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de herziene Opvangrichtlijn geldig is in het licht van artikel 6 van het EU Handvest nog niet beantwoord.

Op 5 juli 2016 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak van de Iraanse LHBT'er OM t Hongarije [EHRM, OM t Hongarije, 5 juli 2016, 9912/15].

OM wordt na illegale overschrijding van de grens tussen Servië onderschept door Hongaarse grenswachten. Hij doet direct een asielwensuiting en wordt in bewaring gesteld zo te zien op grond van  artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de herziene Opvangrichtlijn.

Volgens OM is zijn bewaring in strijd met artikel 5, eerste lid, onder b en f, van het EVRM. Omdat volgens de Hongaarse autoriteiten de bewaring van OM niet in strijd is met artikel 5, eerste lid, onder b, van het EVRM, behandelt het Europees Hof voor de Rechten van Mens alleen de klacht van OM over laatst genoemde bepaling en verklaart het Europees Hof voor de Rechten van Mens die klacht gegrond.

Over de mogelijkheid om een asielzoekende derdelander in bewaring te stellen op grond van artikel 5, eerste lid, onder f, van het EVRM overweegt het Europees Hof voor de Rechten van Mens nog wel een soort van ten overvloede [rechtsoverweging 47]:
At this juncture, the Court would add that Article 5 § 1 (f) may also provide justification, in some specific circumstances, for detentions of asylum-seekers (see Saadi, cited above, § 64). At the same time, it observes that where a State which has gone beyond its obligations in creating further rights or a more favourable position – a possibility open to it under Article 53 of the Convention – enacts legislation (of its own motion or pursuant to European Union law) explicitly authorising the entry or stay of immigrants pending an asylum application (see section 5(1) a) of the Asylum Act, quoted in paragraph 21 above), an ensuing detention for the purpose of preventing an unauthorised entry may raise an issue as to the lawfulness of the detention under Article 5 § 1 (f) (see Suso Musa, cited above, § 97).
Het is en blijft de vraag of de bewaring van een asielzoekende jegens wie [nog] geen terugkeerbesluit is uitgevaardigd in overenstemming is met artikel 5, eerste lid, onder f, van het EVRM.


vrijdag 25 maart 2016

EU Hof van Justitie, Mirza t Hongarije, 17 maart 2016 [een soort van samenvatting]

Op 17 maart 2016 heeft het Hof van Justitie in de zaak Mirza t Hongarije vragen beantwoord van de Hongaarse rechter over de uitleg van enkele bepalingen van de Dublinverordening [EU HvJ, Mirza t Hongarije, 17 maart 2016, C-695/15 PPU].

Mirza komt via Servië op onregelmatig wijze het grondgebied van de Europese Unie binnen en verzoekt in Hongarije om asiel. Halverwege de behandeling van zijn asielverzoek verlaat Mirza Hongarije. Zijn asielaanvraag wordt in Hongarije beëindigd.

Op weg naar Oostenrijk wordt Mirza in Tsjechië staande gehouden.  De Tsjechische autoriteiten claimen Mirza op Hongarije. De Hongaarse autoriteiten accepteren de claim en Mirza wordt overgedragen. Na overdracht aan Hongarije verzoekt Mirza opnieuw om asiel.

In Hongarije wordt voor een behandeling van een asielverzoek ten gronde eerst onderzocht of een asielverzoek ontvankelijk is. Volgens de Hongaarse autoriteiten is het asielverzoek van Mirza niet ontvankelijk omdat hij via Servië het grondgebied van Hongarije is binnen gekomen en Servië wordt aangemerkt als een veilig derde land.

In beroep betoogt Mirza dat Servië voor hem geen veilig derde land is.

De Hongaarse rechter ziet zich gesteld voor aan aantal vragen over de Dublinverordening die hij voorlegt aan het Hof van Justitie.

Met zijn eerste vraag wenst de Hongaarse rechter in wezen te vernemen of van op het derde lid van artikel 3 van de Dublinverordening gebaseerde de bevoegdheid om een asielzoeker naar een veilig derde land te sturen ook gebruik kan worden gemaakt nadat een lidstaat heeft aanvaard verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van een asielverzoek dat is ingediend door een asielzoeker die de lidstaat eerder heeft verlaten voordat op zijn asielverzoek een beslissing ten gronde is genomen.

De eerste vraag van de Hongaarse rechter wordt door het Hof van Justitie bevestigend beantwoord.

In het kader van het Europees asielstelsel kan het begrip ‘veilig derde land’ op grond van het derde lid van artikel 3 van de Dublinverordening  worden toegepast door alle lidstaten. Het maakt niet uit of een lidstaat wel of niet verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek.

Artikel 33 van de herziene Procedurerichtlijn dat de mogelijkheid biedt om een asielverzoek niet ontvankelijk te verklaren indien sprake is van een veilig derde land doet aan die bevoegdheid niet af.

Artikel 33 van de herziene Procedurerichtlijn beoogt de verplichting van de verantwoordelijke lidstaat om een asielverzoek te behandelen te verlichten en kan worden toegepast naast de bevoegdheid om een asielverzoek niet in behandeling te nemen op grond van de Dublinverordening. Het sturen van een asielzoeker naar een veilig derde land op grond van het derde lid van artikel 3 van de Dublinverordening is zo'n bevoegdheid.

Ook het tweede lid van artikel 18 van de Dublinverordening dat de verantwoordelijke lidstaat verplicht om de behandeling van een asielverzoek af te ronden doet niet af aan de bevoegdheid van de lidstaten om een asielzoeker naar een veilig derde land te sturen op grond van het derde lid van artikel 3 van de Dublinverordening.

Tot slot overweegt het Hof van Justitie dat een beperking van de bevoegdheid om een asielzoeker op grond van het derde lid van artikel 3 van de Dublinverordening naar een veilig derde land te sturen in een geval als dat van Mirza tot secundaire stromingen zou kunnen leiden die de Dublinverordening beoogt te voorkomen.
  
Met zijn tweede vraag wenst de Hongaarse rechter in wezen te vernemen of het derde lid van artikel 3 van de Dublinverordening zich er tegen verzet dat een asielzoeker na Dublin-overdracht naar een veilig derde land wordt gestuurd wanneer de overdragende lidstaat niet is geïnformeerd over de mogelijkheid daartoe in de verantwoordelijke lidstaat.

De tweede vraag van de Hongaarse rechter wordt door het Hof van Justitie ontkennen beantwoord.

De Dublinverordening verplicht niet tot het verstrekken van informatie over onderwerpen die niet van invloed  zijn op het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat en op de overdracht van een asielzoeker aan die verantwoordelijke lidstaat.

De herziene Procedurerichtlijn verplicht wel tot het informeren van de Commissie met betrekking tot veilige derde landen maar niet tot het informeren van de claimende lidstaat.

Tot slot overweegt het Hof van Justitie dat het niet verstrekken van informatie geen afbreuk doet aan het recht van de asielzoeker op een daadwerkelijk rechtsmiddel.

Met zijn derde vraag wenst de Hongaarse rechter in wezen te vernemen of het tweede lid van artikel 18 van de Dublinverordening zo moet worden uitgelegd dat in geval van terugname de procedure voor de behandeling van een asielverzoek moet worden hervat in de fase waarin deze door de verantwoordelijke lidstaat eerder is gestaakt.

Ook de derde vraag van de Hongaarse rechter wordt door het Hof van Justitie ontkennend beantwoord.

Het tweede lid van artikel 18 van de Dublinverordening vereist slechts dat de behandeling van een asielverzoek wordt afgerond en beoogt te waarborgen dat in een geval als dat van Mirza  een asielverzoek wordt behandeld als een eerste asielverzoek.

Hervatting van een  procedure voor de behandeling van een asielverzoek in de fase waarin deze door de verantwoordelijke lidstaat eerder is gestaakt is bovendien een bevoegdheid en niet een verplichting.



zondag 13 maart 2016

Wikken & wegen: ‘indien de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen’

Uit artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet volgt dat indien de toepassing of tenuitvoerlegging van een maatregel van bewaring in strijd is met 'deze wet' dan wel bij afweging van de daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is de bewaringsrechter het beroep tegen de bewaring gegrond dient te verklaren en [voor zover hier relevant] de opheffing van de bewaring dient te bevelen.

Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] volgt dat indien sprake is van een 'gebrek' in het proces van in bewaring stellen, op grond van artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet dient te worden beoordeeld of de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen [ABRS, 27 augustus 2009, 200904667; 19 oktober 2011, 201108407].

Uit rechtspraak van de Afdeling kan voorts worden opgemaakt bij de beoordeling van de vraag of met de bewaring gediende belangen al dan niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen een onderscheid wordt gemaakt tussen de navolgende 'categorieën':
  • Kennelijk zwaarwegende belangen vreemdeling bij opheffing bewaring [geen 'echte' belangenafweging]
    • Staande houding op grond van uiterlijke kenmerken ['Noord Afrikaans uiterlijk']. Geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf. [ABRS, 19 februari 2001, 200206208 JV2003/72] 
    • Vrouwen in tuin ingesloten ter fine van uitzetting zonder de aanwending van daartoe strekkende bevoegdheden voorafgaande aan staande houding en inbewaringstelling. [ABRS, 12 juli 2004, 200402600 JV 2004/351] 
    • Bewaring niet onverwijld opgeheven na rechterlijk bevel daartoe. Aansluitende (nieuwe) inbewaringstelling onrechtmatig. [ABRS, 25 juli 2007, 200702579] 
  • Geen (andere) zwaarwegende belangen bewindspersoon bij bewaring (gesteld) 
    • Geen voortraject want onduidelijk proces-verbaal. Geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf. [ABRS, 13 mei 2015, 201503386; ABRS, 25 januari 2013, 201211681] 
    • Geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Busproject. Staande houding van personen van (1) Afrikaanse afkomst, (2) die met de bus vanuit de Bijlmer naar de regio Kennemerland reizen, (3) die als reisdoel één van de duurdere woonwijken heeft en (4) die daar in een woning schoonmaakwerkzaamheden verricht. [ABRS, 13 juli 2011, 201104863] 
    • Onrechtmatige MTV-controle [ABRS, 25 oktober 2011, 201102808 (en vele anderen)] 
    • In strijd met de Algemene wet op het binnentreden tijdens nachtrust van het bed gelicht. Ernstig gebrek. [ABRS, 1 februari 2013, 201300150] 
    • Maatregel uitgereikt na vrijheidsontneming. [ABRS , 28 november 2014, 201408621] 
  • Onbestreden gronden. Niet is gebleken dat de vreemdeling als gevolg van het geconstateerde gebrek nog nader en meer in het bijzonder in zijn belang is geschaad (of dat de bewaring overigens in strijd is met het recht)
    • Niet gewezen op recht op consulaire bijstand. Werkt mee aan terugkeer. Geen openbare orde aspecten. [ABRS, 18 februari 2009,  200808871] 
    • Niet gewezen op recht op consulaire bijstand. Weigert medewerking aan terugkeer. [ABRS, 20 februari 2009, 200808991] 
    • Niet gewezen op recht op consulaire bijstand. Ontbreken OO-aspecten niet van doorslaggevend belang. [ABRS, 25 maart 2009, 200901222
    • Niet gewezen op recht op consulaire bijstand. [ABRS, 28 mei 2009, 200901606
    • Niet gewezen op recht op consulaire bijstand. Weigert elke medewerking aan terugkeer. [ABRS, 12 januari 2010, 200909095] 
  • Van (…) onevenwichtigheid is (…) geen sprake 
    • Niet tijdige categoriewijziging. [ABRS, 18 november 2008, 200807623; ABRS, 18 januari 2010, 200908393]
    • Overbrenging na strafrechtelijke detentie. Geen M122. [ABRS, 19 november 2010, 201009284]
  • Kennelijk zwaarwegende belangen bewindspersoon bij bewaring [geen 'echte' belangenafweging]
    • Onduidelijk voortraject. Geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Ongewenst verklaard. [ABRS, 30 oktober 2009, 200906826] 
    • VRIS Inspanningsverplichting geschonden. Veroordeeld voor het plegen van een misdrijf en gebruik gemaakt van een vals, dan wel vervalst document. [ABRS, 21 april 2010, 201002519] 
    • Vreemdeling is niet tijdig medegedeeld dat hij zich bij het bewaringsgehoor kan doen bijstaan door zijn raadsman. Ongewenst verklaard. [ABRS, 27 augustus 2009, 200904667]
    • Onrechtmatige MTV-controle. 'Zwerver' [ABRS, 2 februari 2012, 201105125 & 201105127 & 201105914
    • ‘Met name is niet gesteld dat de vreemdeling daadwerkelijk op korte termijn kan worden uitgezet of dat het risico dat het voornemen tot uitzetting niet kan worden gerealiseerd onaanvaardbaar moet worden geacht.’ [ABRS, 25 januari 2013, 201211681 (twee zware gronden, drie lichte gronden); ABRS, 13 mei 2015, 201503386 (twee zware gronden, drie lichte grond)]
Naar moet worden aangenomen behoren strafrechtelijke contra-indicaties in beginsel niet meer tot de met de bewaring gediende belangen die in redelijke verhouding staan tot de ernst van een gebrek en de daardoor geschonden belangen.

Zie ook: Vreemdelingenbewaring & gebreken: wikken & wegen, 2 november 2008

Update 160314 [aanvullingen & correcties]