vrijdag 22 juli 2016

ABRS, 13 juli 2016, 201603430 & 201603424 | het ontbreken van een kennisgeving in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet

Op 13 juli 2016 is de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] terug gekomen van een uitspraak van 9 maart 2009 [ABRS, 9 maart 2009, 200808202 & 200808554,  ECLI:NL:RVS:2009:BH6972]  en heeft de Afdeling overwogen dat uit een oogpunt van eenvoud en overzichtelijkheid van het recht tegen elke nieuwe maatregel van bewaring apart een eerste (grens)bewaringsberoep moet worden ingesteld [ABRS, 13 juli 2016, 201603430, ECLI:NL:RVS:2016:2005 (maatregelen van 15 &  26 april 2016, beroep ingesteld op 19 april 2016) & 201603424, ECLI:NL:RVS:2016:2066 (maatregelen van 15 & 27 april 2016, beroep ingesteld op 19 april 2016)].

Op 15 juli 2016 heeft de Afdeling het hoger beroep van een vreemdeling tegen een uitspraak van de rechtbank waarin de rechtbank had overwogen dat het [op 26 januari 2016] ingestelde beroep was gericht tegen de de eerste maatregel van bewaring [van 15 januari 2016] en dat tegen de tweede maatregel van bewaring [van 1 februari 2016] nog beroep open stond, kennelijk ongegrond verklaard [ABRS, 15 juli 2016, 201601335, ECLI:NL:RVS:2016:2074].

Uit voorgaande rechtspraak volgt dat in [naar ik aanneem] veel zaken van in (grens)bewaring gestelde derdelanders [van wie de wettelijke grondslag van de (grens)bewaring is gewijzigd] nog beroepen open staan omdat het ooit ingestelde eerste beroep maar betrekking had op één maatregel van (grens)bewaring.

Indien tegen de andere maatregel niet alsnog beroep is ingesteld [niet erg waarschijnlijk] en de rechtbank ook niet van die andere maatregel binnen vier weken in kennis is gesteld in overeenstemming met artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, dan zijn er derdelanders wier (grens)bewaring onrechtmatig is geworden na het verstrijken van de termijn van vier weken.

Hebben de uitspraken van 13 juli 2016 geleid tot opheffing van (grens)bewaring en een aanbod van schadevergoeding?

zaterdag 9 juli 2016

Bewaring ogv de herziene Opvangrichtlijn in het licht van artikel 5(1)(f) EVRM

Op 13 januari 2016 heeft de rechtbank 's-Gravenhage nevenzittingsplaats Haarlem het EU Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag gesteld [Rtb DH zp Haarlem, 13 januari 2016, AWB 15/22376, ECLI:NL:RBDHA:2016:265]:
Is artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, Opvangrichtlijn geldig in het licht van artikel 6 van het Handvest:
(1) in de situatie dat een onderdaan van een derde land krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, Opvangrichtlijn in bewaring is gesteld en krachtens artikel 9 Procedurerichtlijn het recht heeft om in een lidstaat te mogen blijven totdat in eerste aanleg een beslissing op zijn asielverzoek is genomen, en
(2) gelet op de Toelichting (PB 2007 C 303/02) dat de beperkingen die rechtmatig aan de rechten van artikel 6 Handvest kunnen worden gesteld, niet verder mogen strekken dan die welke door het EVRM in de tekst zelf van artikel 5, aanhef en onder f, zijn toegestaan en de uitleg van het EHRM van deze laatste bepaling in onder meer het arrest van 22 september 2015, Nabil e.a. tegen Hongarije, 62116/12, dat een bewaring van een asielzoeker in strijd is met voormeld artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, indien deze bewaring niet is opgelegd met het oog op verwijdering?
Het EU Hof van Justitie heeft de prejudiciële vraag van de rechtbank 's-Gravenhage nevenzittingsplaats Haarlem tot op heden nog niet beantwoord. Dat heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] er niet van weerhouden om zich uit te spreken over de geldigheid van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de herziene Opvangrichtlijn in het licht van artikel 6 van het EU Handvest van de Grondrechten.

In en uitspraak van 13 mei 2016 [ABRS, 13 mei 2013, 201509303, ECLI:NL:RVS:2016:1383; zie ook ABRS, 1 juli 2016, 201601468, ECLI:NL:RVS:2016:1912] overweegt de Afdeling met een verwijzing naar een arrest van het EU Hof van Justitie van 15 februari 2016 in de zaak JN tegen Nederland [EU Hof van Justitie, 15 februari 2016, C-601/15 PPUover de geldigheid van artikel 8, derde lid, aanhef en onder e, van de herziene Opvangrichtlijn, dat het arrest en in het bijzonder overwegingen 59 tot en met 63 ook van toepassing zijn op artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de herziene Opvangrichtlijn en dat artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de herziene Opvangrichtlijn dus geldig is.

In een annotatie bij voornoemd arrest [JV 2016/90] onderscheidt Galina Cornelisse vijf stappen van argumentatie. De hiervoor genoemde overwegingen maken deel uit van de tweede stap van argumentatie waarin het EU Hof van Justitie volgens Galina Cornelisse de vraag behandelt hoe de beperking op het recht op persoonlijke vrijheid zoals neergelegd in artikel 8, derde lid, [aanhef en onder e] van de herziene Opvangrichtlijn zich in algemene zin verhoudt tot het EU Handvest van de Grondrechten.

Volgens Galina Cornelisse onderzoekt het EU Hof van Justitie pas in de vijfde stap hoe artikel 8, derde lid, [aanhef en onder e] van de herziene Opvangrichtlijn zich verhoudt tot artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, tweede zinsdeel, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens [hierna: EVRM] en de daarop gebaseerde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Het EU Hof van Justitie overweegt in stap vijf, samengevat weergegeven, dat de op artikel 8, derde lid, aanhef en onder e, van de herziene Opvangrichtlijn gebaseerde bewaring niet in strijd is met artikel 5, eerste lid, onder f, van het EVRM, omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet de mogelijkheid uitsluit om een asielzoekende derdelander jegens wie eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd in bewaring te stellen met het oog op diens verwijdering.

Indien het onderscheid dat Galina Cornelisse maakt in stappen van argumentatie dan is de vraag of artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de herziene Opvangrichtlijn geldig is in het licht van artikel 6 van het EU Handvest nog niet beantwoord.

Op 5 juli 2016 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak van de Iraanse LHBT'er OM t Hongarije [EHRM, OM t Hongarije, 5 juli 2016, 9912/15].

OM wordt na illegale overschrijding van de grens tussen Servië onderschept door Hongaarse grenswachten. Hij doet direct een asielwensuiting en wordt in bewaring gesteld zo te zien op grond van  artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de herziene Opvangrichtlijn.

Volgens OM is zijn bewaring in strijd met artikel 5, eerste lid, onder b en f, van het EVRM. Omdat volgens de Hongaarse autoriteiten de bewaring van OM niet in strijd is met artikel 5, eerste lid, onder b, van het EVRM, behandelt het Europees Hof voor de Rechten van Mens alleen de klacht van OM over laatst genoemde bepaling en verklaart het Europees Hof voor de Rechten van Mens die klacht gegrond.

Over de mogelijkheid om een asielzoekende derdelander in bewaring te stellen op grond van artikel 5, eerste lid, onder f, van het EVRM overweegt het Europees Hof voor de Rechten van Mens nog wel een soort van ten overvloede [rechtsoverweging 47]:
At this juncture, the Court would add that Article 5 § 1 (f) may also provide justification, in some specific circumstances, for detentions of asylum-seekers (see Saadi, cited above, § 64). At the same time, it observes that where a State which has gone beyond its obligations in creating further rights or a more favourable position – a possibility open to it under Article 53 of the Convention – enacts legislation (of its own motion or pursuant to European Union law) explicitly authorising the entry or stay of immigrants pending an asylum application (see section 5(1) a) of the Asylum Act, quoted in paragraph 21 above), an ensuing detention for the purpose of preventing an unauthorised entry may raise an issue as to the lawfulness of the detention under Article 5 § 1 (f) (see Suso Musa, cited above, § 97).
Het is en blijft de vraag of de bewaring van een asielzoekende jegens wie [nog] geen terugkeerbesluit is uitgevaardigd in overenstemming is met artikel 5, eerste lid, onder f, van het EVRM.


vrijdag 25 maart 2016

EU Hof van Justitie, Mirza t Hongarije, 17 maart 2016 [een soort van samenvatting]

Op 17 maart 2016 heeft het Hof van Justitie in de zaak Mirza t Hongarije vragen beantwoord van de Hongaarse rechter over de uitleg van enkele bepalingen van de Dublinverordening [EU HvJ, Mirza t Hongarije, 17 maart 2016, C-695/15 PPU].

Mirza komt via Servië op onregelmatig wijze het grondgebied van de Europese Unie binnen en verzoekt in Hongarije om asiel. Halverwege de behandeling van zijn asielverzoek verlaat Mirza Hongarije. Zijn asielaanvraag wordt in Hongarije beëindigd.

Op weg naar Oostenrijk wordt Mirza in Tsjechië staande gehouden.  De Tsjechische autoriteiten claimen Mirza op Hongarije. De Hongaarse autoriteiten accepteren de claim en Mirza wordt overgedragen. Na overdracht aan Hongarije verzoekt Mirza opnieuw om asiel.

In Hongarije wordt voor een behandeling van een asielverzoek ten gronde eerst onderzocht of een asielverzoek ontvankelijk is. Volgens de Hongaarse autoriteiten is het asielverzoek van Mirza niet ontvankelijk omdat hij via Servië het grondgebied van Hongarije is binnen gekomen en Servië wordt aangemerkt als een veilig derde land.

In beroep betoogt Mirza dat Servië voor hem geen veilig derde land is.

De Hongaarse rechter ziet zich gesteld voor aan aantal vragen over de Dublinverordening die hij voorlegt aan het Hof van Justitie.

Met zijn eerste vraag wenst de Hongaarse rechter in wezen te vernemen of van op het derde lid van artikel 3 van de Dublinverordening gebaseerde de bevoegdheid om een asielzoeker naar een veilig derde land te sturen ook gebruik kan worden gemaakt nadat een lidstaat heeft aanvaard verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van een asielverzoek dat is ingediend door een asielzoeker die de lidstaat eerder heeft verlaten voordat op zijn asielverzoek een beslissing ten gronde is genomen.

De eerste vraag van de Hongaarse rechter wordt door het Hof van Justitie bevestigend beantwoord.

In het kader van het Europees asielstelsel kan het begrip ‘veilig derde land’ op grond van het derde lid van artikel 3 van de Dublinverordening  worden toegepast door alle lidstaten. Het maakt niet uit of een lidstaat wel of niet verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek.

Artikel 33 van de herziene Procedurerichtlijn dat de mogelijkheid biedt om een asielverzoek niet ontvankelijk te verklaren indien sprake is van een veilig derde land doet aan die bevoegdheid niet af.

Artikel 33 van de herziene Procedurerichtlijn beoogt de verplichting van de verantwoordelijke lidstaat om een asielverzoek te behandelen te verlichten en kan worden toegepast naast de bevoegdheid om een asielverzoek niet in behandeling te nemen op grond van de Dublinverordening. Het sturen van een asielzoeker naar een veilig derde land op grond van het derde lid van artikel 3 van de Dublinverordening is zo'n bevoegdheid.

Ook het tweede lid van artikel 18 van de Dublinverordening dat de verantwoordelijke lidstaat verplicht om de behandeling van een asielverzoek af te ronden doet niet af aan de bevoegdheid van de lidstaten om een asielzoeker naar een veilig derde land te sturen op grond van het derde lid van artikel 3 van de Dublinverordening.

Tot slot overweegt het Hof van Justitie dat een beperking van de bevoegdheid om een asielzoeker op grond van het derde lid van artikel 3 van de Dublinverordening naar een veilig derde land te sturen in een geval als dat van Mirza tot secundaire stromingen zou kunnen leiden die de Dublinverordening beoogt te voorkomen.
  
Met zijn tweede vraag wenst de Hongaarse rechter in wezen te vernemen of het derde lid van artikel 3 van de Dublinverordening zich er tegen verzet dat een asielzoeker na Dublin-overdracht naar een veilig derde land wordt gestuurd wanneer de overdragende lidstaat niet is geïnformeerd over de mogelijkheid daartoe in de verantwoordelijke lidstaat.

De tweede vraag van de Hongaarse rechter wordt door het Hof van Justitie ontkennen beantwoord.

De Dublinverordening verplicht niet tot het verstrekken van informatie over onderwerpen die niet van invloed  zijn op het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat en op de overdracht van een asielzoeker aan die verantwoordelijke lidstaat.

De herziene Procedurerichtlijn verplicht wel tot het informeren van de Commissie met betrekking tot veilige derde landen maar niet tot het informeren van de claimende lidstaat.

Tot slot overweegt het Hof van Justitie dat het niet verstrekken van informatie geen afbreuk doet aan het recht van de asielzoeker op een daadwerkelijk rechtsmiddel.

Met zijn derde vraag wenst de Hongaarse rechter in wezen te vernemen of het tweede lid van artikel 18 van de Dublinverordening zo moet worden uitgelegd dat in geval van terugname de procedure voor de behandeling van een asielverzoek moet worden hervat in de fase waarin deze door de verantwoordelijke lidstaat eerder is gestaakt.

Ook de derde vraag van de Hongaarse rechter wordt door het Hof van Justitie ontkennend beantwoord.

Het tweede lid van artikel 18 van de Dublinverordening vereist slechts dat de behandeling van een asielverzoek wordt afgerond en beoogt te waarborgen dat in een geval als dat van Mirza  een asielverzoek wordt behandeld als een eerste asielverzoek.

Hervatting van een  procedure voor de behandeling van een asielverzoek in de fase waarin deze door de verantwoordelijke lidstaat eerder is gestaakt is bovendien een bevoegdheid en niet een verplichting.



zondag 13 maart 2016

Wikken & wegen: ‘indien de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen’

Uit artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet volgt dat indien de toepassing of tenuitvoerlegging van een maatregel van bewaring in strijd is met 'deze wet' dan wel bij afweging van de daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is de bewaringsrechter het beroep tegen de bewaring gegrond dient te verklaren en [voor zover hier relevant] de opheffing van de bewaring dient te bevelen.

Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] volgt dat indien sprake is van een 'gebrek' in het proces van in bewaring stellen, op grond van artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet dient te worden beoordeeld of de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen [ABRS, 27 augustus 2009, 200904667; 19 oktober 2011, 201108407].

Uit rechtspraak van de Afdeling kan voorts worden opgemaakt bij de beoordeling van de vraag of met de bewaring gediende belangen al dan niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen een onderscheid wordt gemaakt tussen de navolgende 'categorieën':
  • Kennelijk zwaarwegende belangen vreemdeling bij opheffing bewaring [geen 'echte' belangenafweging]
    • Staande houding op grond van uiterlijke kenmerken ['Noord Afrikaans uiterlijk']. Geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf. [ABRS, 19 februari 2001, 200206208 JV2003/72] 
    • Vrouwen in tuin ingesloten ter fine van uitzetting zonder de aanwending van daartoe strekkende bevoegdheden voorafgaande aan staande houding en inbewaringstelling. [ABRS, 12 juli 2004, 200402600 JV 2004/351] 
    • Bewaring niet onverwijld opgeheven na rechterlijk bevel daartoe. Aansluitende (nieuwe) inbewaringstelling onrechtmatig. [ABRS, 25 juli 2007, 200702579] 
  • Geen (andere) zwaarwegende belangen bewindspersoon bij bewaring (gesteld) 
    • Geen voortraject want onduidelijk proces-verbaal. Geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf. [ABRS, 13 mei 2015, 201503386; ABRS, 25 januari 2013, 201211681] 
    • Geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Busproject. Staande houding van personen van (1) Afrikaanse afkomst, (2) die met de bus vanuit de Bijlmer naar de regio Kennemerland reizen, (3) die als reisdoel één van de duurdere woonwijken heeft en (4) die daar in een woning schoonmaakwerkzaamheden verricht. [ABRS, 13 juli 2011, 201104863] 
    • Onrechtmatige MTV-controle [ABRS, 25 oktober 2011, 201102808 (en vele anderen)] 
    • In strijd met de Algemene wet op het binnentreden tijdens nachtrust van het bed gelicht. Ernstig gebrek. [ABRS, 1 februari 2013, 201300150] 
    • Maatregel uitgereikt na vrijheidsontneming. [ABRS , 28 november 2014, 201408621] 
  • Onbestreden gronden. Niet is gebleken dat de vreemdeling als gevolg van het geconstateerde gebrek nog nader en meer in het bijzonder in zijn belang is geschaad (of dat de bewaring overigens in strijd is met het recht)
    • Niet gewezen op recht op consulaire bijstand. Werkt mee aan terugkeer. Geen openbare orde aspecten. [ABRS, 18 februari 2009,  200808871] 
    • Niet gewezen op recht op consulaire bijstand. Weigert medewerking aan terugkeer. [ABRS, 20 februari 2009, 200808991] 
    • Niet gewezen op recht op consulaire bijstand. Ontbreken OO-aspecten niet van doorslaggevend belang. [ABRS, 25 maart 2009, 200901222
    • Niet gewezen op recht op consulaire bijstand. [ABRS, 28 mei 2009, 200901606
    • Niet gewezen op recht op consulaire bijstand. Weigert elke medewerking aan terugkeer. [ABRS, 12 januari 2010, 200909095] 
  • Van (…) onevenwichtigheid is (…) geen sprake 
    • Niet tijdige categoriewijziging. [ABRS, 18 november 2008, 200807623; ABRS, 18 januari 2010, 200908393]
    • Overbrenging na strafrechtelijke detentie. Geen M122. [ABRS, 19 november 2010, 201009284]
  • Kennelijk zwaarwegende belangen bewindspersoon bij bewaring [geen 'echte' belangenafweging]
    • Onduidelijk voortraject. Geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Ongewenst verklaard. [ABRS, 30 oktober 2009, 200906826] 
    • VRIS Inspanningsverplichting geschonden. Veroordeeld voor het plegen van een misdrijf en gebruik gemaakt van een vals, dan wel vervalst document. [ABRS, 21 april 2010, 201002519] 
    • Vreemdeling is niet tijdig medegedeeld dat hij zich bij het bewaringsgehoor kan doen bijstaan door zijn raadsman. Ongewenst verklaard. [ABRS, 27 augustus 2009, 200904667]
    • Onrechtmatige MTV-controle. 'Zwerver' [ABRS, 2 februari 2012, 201105125 & 201105127 & 201105914
    • ‘Met name is niet gesteld dat de vreemdeling daadwerkelijk op korte termijn kan worden uitgezet of dat het risico dat het voornemen tot uitzetting niet kan worden gerealiseerd onaanvaardbaar moet worden geacht.’ [ABRS, 25 januari 2013, 201211681 (twee zware gronden, drie lichte gronden); ABRS, 13 mei 2015, 201503386 (twee zware gronden, drie lichte grond)]
Naar moet worden aangenomen behoren strafrechtelijke contra-indicaties in beginsel niet meer tot de met de bewaring gediende belangen die in redelijke verhouding staan tot de ernst van een gebrek en de daardoor geschonden belangen.

Zie ook: Vreemdelingenbewaring & gebreken: wikken & wegen, 2 november 2008

Update 160314 [aanvullingen & correcties]

BOA's en het toezicht op vreemdelingen

Zijn buitengewoon opsporingsambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen?

In het gemeenschappelijke artikel 2 van besluiten Buitengewoon Opsporingsambtenaar [enzovoort] worden als buitengewoon opsporingsambtenaar aangewezen de ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012.

Uit artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet volgt echter dat ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, c en d van de Politiewet 2012, die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen zijn belast.

Buitengewoon opsporingsambtenaren zijn derhalve niet belast met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen. Toch komt het soms voor dat buitengewoon opsporingsambtenaren wel worden ingezet bij de uitoefening van het vreemdelingentoezicht [zie bijvoorbeeld: Rtb DH zp DB, 7 augustus 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:10156 (terugkeerbesluit)].

Dat inzet van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de uitoefening van het vreemdelingentoezicht heeft gevolgen voor de besluiten en maatregelen die op die inzet zijn gebaseerd.

maandag 22 februari 2016

Geloofwaardigheidsbeoordeling LHBT'ers

In april 2014 is de Staatssecretaris van Justitie bij het horen van asielzoekende derdelanders met een homoseksuele oriëntatie als asielmotief gebruik gaan maken van een niet openbare interne gedragslijn om de geloofwaardigheid van die asielzoekende derdelanders te beoordelen.

Uit [rechtspraak over] de gedragslijn volgt dat er wordt gehoord aan de hand van negen thema’s die zouden zijn gebaseerd op rapporten van onder meer het COC:
  1. Privéleven, familie en religie. Het gaat om de eigen ervaringen van betrokkene en het bewustwordingsproces. 
  2. Relaties, zowel de huidige als de vorige relaties.
  3. Familie en vrienden. Het gaat om hun reactie op het coming-out van betrokkene.
  4. Homoseksuele contacten in het land van herkomst.
  5. Contact met en kennis van belangenorganisaties in het land van herkomst.
  6. Contacten met homoseksuelen in Nederland. 
  7. Kennis van de Nederlandse situatie met betrekking tot homoseksuelen. 
  8. Discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst. 
  9. Toekomst; de door de vreemdeling verwachte gevolgen bij terugkeer naar het land van herkomst.
In de eerste [gepubliceerde] uitspraken over de gedragslijn hebben voorzieningenrechters de vraag opgeworpen of de gedragslijn in overeenstemming is met rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State  [ABRS, 8 juli 2015, 201208550 & 201110141 & 201210441, ro 7.3].

Die voorzieningen rechters [Vz Rtb Den Haag zp Haarlem, 28 juli 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:8855; Vz Rtb Den Haag zp Haarlem, 4 augustus 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:9182hebben die vraag niet beantwoord maar overwogen dat in de gedragslijn niet inzichtelijk is gemaakt
  • hoe aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele gerichtheid in het algemeen pleegt te worden verricht 
  • op welke vragen en antwoorden het zwaartepunt ligt en 
  • hoe de gegeven antwoorden worden gewaardeerd en onderling gewogen.
Een toelichting ter zitting op de uitvoeringspraktijk dat aan de verklaringen over het bewustwordingsproces een zwaar gewicht toekomt kon niet door de beugel omdat die praktijk niet te herleiden bleek te zijn tot de interne gedragslijn terwijl die praktijk ook anderszins niet nader kon worden onderbouwd [Rtb Den Haag zp Haarlem, 11 augustus 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:10171].

In oktober 2015 is Werkinstructie 2015 'Horen en beslissen in zaken waarin LHBT-gerichtheid als asielmotief wordt aangevoerd' gepubliceerd.

In Werkinstructie 2015/9 zijn de hierboven genoemde negen thema's teruggebracht tot vijf thema's:
  1. Privéleven (waaronder familie, vrienden, (voorgaande) relaties) en religie [In dit verband gaat het om de eigen ervaringen van de derdelander met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, zoals bewustwording van de seksuele gerichtheid, het proces (van zelfacceptatie), hoe de omgeving gereageerd heeft en eventuele relaties die de derdelander heeft gehad]
  2. Huidige en voorgaande relaties, homoseksuele contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van homoseksuele groepen [Gevraagd wordt  of de derdelander kennis heeft van de sociale en politieke aspecten van een homoseksuele gemeenschap in zijn land van herkomst]
  3. Contact met homoseksuelen in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie [Gevraagd wordt naar bepaalde kennis die de derdelander verworven kan verworven hebben over de situatie van LHBT’s in Nederland, door zijn contacten met de LHBT-gemeenschap of door eigen ervaring of onderzoek]
  4. Discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst [Dit ziet zowel op wat de derdelander in het verleden heeft meegemaakt in zijn land van herkomst als waar hij voor vreest als hij moet terugkeren naar zijn land van herkomst]
  5. Toekomst [Hierbij wordt aandacht besteed aan het toekomstbeeld van de derdelander indien hij zou moeten terugkeren naar zijn land van herkomst].
De thema's lijken vooral te zijn ontleend een rapport van Nicole LaViolette uit 2004 [Sexual Orientation and the Refugee Determination Process: Questioning a Claimant About Their Membership in the Particular Social Group] maar ook de UNHCR Guidelines on International Protection No. 9 van 23 oktober 2012 [Claims to Refugee Status based on Sexual Orientation and/or Gender Identity within the context of Article 1A(2) of the 1951 Convention and/or its 1967 Protocol relating to the Status of Refugees; Nederlandse vertaling] zijn erin te herkennen.

In Werkinstructie 2015/9 staat dat het zwaartepunt ligt op de antwoorden op vragen over (1) de eigen ervaringen [oa bewustwording en zelfacceptatie] van de derdelander met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, (2) wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, (3) wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van de vreemdeling en (4) hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen.

Hoewel volgens Werkinstructie 2015/9 bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid niet als uitgangspunt wordt gehanteerd dat er in alle gevallen een interne worsteling moet hebben plaatsgevonden voordat de derdelander zijn LHBT-gerichtheid heeft geaccepteerd mag volgens Werkinstructie 2015/9 wel worden mag verwacht dat bij een derdelander die afkomstig is uit een land waar men LHBT-gerichtheid niet accepteert en waar dit mogelijk strafbaar is gesteld sprake zal zijn van een proces van bewustwording [de ontdekking van de gerichtheid en de wijze waarop de derdelander stelt daarmee te zijn omgegaan].

Volgens Werkinstructie 2015/9 worden verklaringen van een derdelander over zijn gestelde seksuele gerichtheid steeds in hun onderlinge samenhang bezien.

Het is niet duidelijk waarop de verwachting  is gebaseerd dat in het geval van een derdelander die afkomstig is uit een land waar men LHBT-gerichtheid niet accepteert en waar dit mogelijk strafbaar is gesteld, sprake zal zijn van een proces van bewustwording.

Voor die verwachting is echter geen steun te vinden in het rapport van Nicole LaViolette en ook niet in de UNHCR-Guidelines.

Uit rechtspraak tot stand gekomen na Werkinstructie 2015/9 volgt dat de hierboven genoemde  interne gedragslijn zou zijn neergelegd in een interne werkinstructie van 14 april 2014 en voorts dat Werkinstructie 2015/9 een weerslag zou zijn van deze interne werkinstructie.

Volgens de nevenzittingsplaatsen Middelburg en Arnhem zou daarmee de onderzoekssystematiek voldoende inzichtelijk zijn gemaakt.  [Rtb DH zp Middelburg, 11 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1318; Rtb Den Haag zp Arnhem, 18 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1604].

Volgens de nevenzittingsplaatsen Rotterdam, Amsterdam en Zwolle van rechtbank Den Haag echter is [nog steeds] geen sprake van een inzichtelijke onderzoekssystematiek.

Rechtbank Den Haag zp Rotterdam is van oordeel dat de thema’s van de interne gedragslijn [te] algemeen zijn geformuleerd en niet nader zijn toegelicht of uitgewerkt, dat het rapport van Nicole LaViolette niet actueel is en dat de thema’s [ten onrechte] niet in samenspraak met belangenorganisaties zoals het COC tot stand zijn gekomen [Rtb Den Haag zp Rotterdam, 5 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:12713].

Rechtbank Den Haag zp Amsterdam is van oordeel dat onvoldoende duidelijk is op welke wijze verklaringen over specifieke thema’s worden gewogen [Rtb Den Haag zp Amsterdam, 5 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1682; zie ook verwijzing naar niet gepubliceerde rechtspraak].

Rechtbank Den Haag zp Zwolle is van oordeel dat onduidelijk is hoe aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele gerichtheid in het algemeen pleegt te worden verricht en dat de interne gedragslijn en de daarbij gehanteerde thema’s [ten onrechte] niet in samenspraak met belangenorganisaties zoals het COC tot stand zijn gekomen [Rtb Den Haag zp Zwolle, 12 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1627].

Het laatste woord over de [rechterlijke toetsing van de] beoordeling van de geloofwaardigheid van LHBT'ers is nog niet gesproken

zondag 21 februari 2016

[Grens]bewaring duurt voort na rechterlijk bevel tot opheffing daartoe


Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] volgt dat indien de bewaringsrechter de opheffing van [grens]bewaring beveelt die [grens]bewaring binnen zes uur na verzending van de uitspraak moet zijn beëindigd [ABRS 3/12/13 #200307090 JV 2004/61; ABRS 28/4/4 200401500 ve04000868 (#200307090); ABRS 30/9/11 201106389 (#200307090)].

Wat er moet worden gedaan indien de [grens]bewaring zes uur na een bevel tot opheffing ervan nog niet is beëindigd hangt af van de situatie.

Indien de betrokken vreemdeling opnieuw in [grens]bewaring wordt gesteld dan moet de bewaringsrechter die het beroep tegen de nieuwe inbewaringstelling beoordeelt daarbij betrekken dat de eerdere direct daaraan voorafgaande [grens]bewaring onrechtmatig is alsmede de vraag of die [grens]bewaring al dan niet binnen zes uur na verzending van de uitspraak is beëindigd [ABRS 4/2/3 #200205755 JV 2003/113; ABRS 28/4/4 200401500 ve04000868 (#200205755)] .

Indien de betrokken vreemdeling niet opnieuw in [grens]bewaring wordt gesteld dan moet het laten voortduren van de [grens]bewaring in weerwil van een rechterlijk bevel tot opheffing worden aangemerkt als een op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet met een beschikking gelijk te stellen handeling  ten aanzien van die vreemdeling waartegen bezwaar open staat [ABRS 30/9/11 #20115921; ABRS 30/9/11 201106389 (#201105921)].

Artikel 72, derde lid,  van de Vreemdelingenwet is van toepassing ondermeer indien Afdeling 5 [Bijzondere rechtsmiddelen] van Hoofdstuk 7 [Rechtsmiddelen] van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is.

Indien een vreemdeling na onrechtmatig voortduren van [grens]bewaring niet opnieuw in [grens]bewaring wordt gesteld is Afdeling 5 van Hoofdstuk 7 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing.

Een nieuw eerste beroep kan niet worden ingesteld [denk ik] omdat de eerdere inbewaringstelling aan het onrechtmatig voortduren daarvan ten grondslag blijft liggen [Zie bijvoorbeeld ABRS 3/12/13 #200307090 JV 2004/61; ABRS 25/5/7 200702579] en niet twee keer een eerste beroep kan worden ingesteld.

Een vervolgberoep kan niet worden ingesteld omdat een vervolgberoep alleen kan worden ingesteld indien een eerste beroep ongegrond is verklaard en niet indien een eerste beroep gegrond is verklaard.