zaterdag 6 juni 2015

Mahdi t Bulgarije, 5 juni 2014, C-146/14 in de Nederlandse [grens]bewaringsrechtspraak

Gisteren was het een jaar geleden dat het EU Hof van Justitie arrest wees in de zaak Mahdi t Bulgarije [EU HvJ, Mahdi, 5 juni 2014, C-146/14; zie ook hier].

Aanvankelijk werden beroepen op  #Mahdi verworpen. #Mahdi zou volgens eerstelijnsrechters niet van belang zijn voor besluiten waarbij [grens]bewaring wordt opgelegd, #Mahdi zou geen hogere eiser stellen aan de motivering van besluiten en #Mahdi zou ook niet verplichten tot een vollere rechterlijke toetsing. [ECLI:NL:RBDHA:2014:12934 (16 oktober 2014); ECLI:NL:RBDHA:2014:14478 (3 november 2014); & ongepubliceerde uitspraken].

Inmiddels weten we beter.

In uitspraken van 23 januari 2015 [ABRS, 23 januari 2015, 201408713 & 201408655; bevestigd in ABRS, 14 april 2015, 201501471 ; ABRS, 1 mei 2015, 201502735] heeft  de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State [hierna: Afdeling] met een verwijzing naar #Mahdi overwogen:
Uit de punten 44 tot en met 46 en 52 van het arrest Mahdi volgt dat een verlengingsbesluit een schriftelijk besluit moet zijn waarin de feitelijke en juridische gronden ter rechtvaardiging van dat besluit zijn opgenomen. Dit vereiste is volgens het Hof niet alleen in het belang van een adequate rechtsbescherming van de vreemdeling, maar dient er ook toe om de rechter ten volle in staat te stellen om de rechtmatigheid van een verlengingsbesluit te beoordelen. In de punten 58 tot en met 61 heeft het Hof uiteengezet aan welke criteria daarbij door de rechter moet worden getoetst. Dit zijn niet alleen de in artikel 15, zesde lid van de Terugkeerrichtlijn gestelde vereisten, maar ook de vereisten die voortvloeien uit het eerste en vierde lid van deze bepaling.

Gelet op het gewicht dat het Hof in de punten 45 en 46 van het arrest Mahdi aan de belangen van de vreemdeling en de controlerende rechter heeft toegekend en op het toetsingskader dat het Hof in de punten 58 tot en met 61 heeft uiteengezet, mag de staatssecretaris in een verlengingsbesluit niet volstaan met de motivering van zijn standpunt dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 59, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarmee aan de vereisten van artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

De staatssecretaris moet tevens motiveren of nog steeds is voldaan aan de in artikel 15, eerste en vierde lid, van die richtlijn omschreven vereisten. (...)
In een uitspraak van 1 mei 2015 [ABRS, 1 mei 2015, 201502735] heeft de Afdeling overwogen:
In punt 45 van het arrest Mahdi heeft het Hof veel gewicht toegekend aan het belang van de vreemdeling om zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft zich tot de bevoegde rechter te wenden en aan het belang van de rechter om ten volle de controle van de rechtmatigheid van de betrokken handeling te kunnen uitoefenen.

Met het oog op deze belangen moet de staatssecretaris in een verlengingsbesluit uitdrukkelijk vermelden welke feiten en omstandigheden voor hem aanleiding vormen om aan te nemen dat ten tijde van het nemen van dat besluit nog steeds een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken of de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert (vergelijk de voormelde uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2015).
Uit uitspraken van de Afdeling volgt dat #Mahdi niet alleen van toepassing is op besluiten waarbij de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgelegd  [ABRS, 23 februari 2015, 201408880; ABRS, 10 april 2015, 201502184 & 201502024] maar ook op maatregelen waarbij de maatregel van grensbewaring wordt voorgezet [ABRS, 1 mei 2015, 201501451] .

Uit uitspraken van de Afdeling volgt bovendien dat #Mahdi van toepassing is op besluiten waarbij de de maatregel van bewaring wordt opgelegd aan Dublin-claimanten [ABRS, 13 mei 2015, 201503491] alsmede op besluiten waarbij de maatregel van [grens]bewaring wordt opgelegd aan asielzoekende derdelanders [(vreemdelingenbewaring) ABRS, 28 mei 2015, 201503583; ABRS, 2 juni 2015, 201504060 & 201504076 | (grensbewaring) ABRS, 12 juni 2014, 201504414 & 201504413].

Een #Mahdi gebrek kan niet worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene Wet Bestuursrecht [ABRS, 13 mei 2015, 201503491 & 201503619].  Aangenomen moet worden dat ook de rechtsgevolgen van besluiten met een Mahdi-gebrek niet in stand kunnen worden gelaten [vergelijk: ABRS, 4 december 2014, 201409527; ABRS, 20 april 2015, 201502137].

[Update: 14 juni 2015]

1 opmerking:

Mr. H. Kooiker zei

Vloeit nu uit het Mahdi-arrest voort dat het hier om volle toetsing gaat? dat lijkt van wel maar is niet zo wat de Raad van State betreft: zie Cornelisse in A&MR 2015 nr.5/6 p. 199 e.v. Maar zie dit arrest § 62: aan de conclusie dat het wel degelijk om volle toetsing gaat valt niet te ontkomen blijkens die §. Uit dit arrest (zelfde §) blijkt uit dat de beperking tot de aangehaalde grieven (geen ambtshalve toetsing) niet is vol te houden.
Mr. H. Kooiker

Een reactie posten